[naam verzoeker], te [vestigingsplaats verzoeker], verzoeker,
(gemachtigde: mr. S. Schilder),
en
De burgemeester van de gemeente Breda.
Inleiding
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 25 januari 2023 (de rechtbank leest: 2024) over het intrekken van de Alcoholwetvergunning van [naam verzoeker] aan [adres verzoeker] in [vestigingsplaats verzoeker]. Hij heeft daarnaast de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Beslissing
1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. Verzoeker heeft het verzoek om een voorlopige voorziening op 29 januari 2024 ingediend bij de rechtbank. In het bestreden besluit staat dat het verzoeker is toegestaan om de bedrijfsactiviteiten tot één week (zeven kalenderdagen) na 25 januari 2024 voort te zetten. De voorzieningenrechter leidt daaruit af dat de horeca-inrichting met ingang van 2 februari 2024 moet worden gesloten. De rechtbank heeft na ontvangst van het verzoek contact opgenomen met de burgemeester met de vraag of de burgemeester bereid is om de uitspraak van de voorzieningenrechter af te wachten. De burgemeester was daar niet toe bereid.
3. Onder deze omstandigheden is de voorzieningenrechter op deze korte termijn niet in staat om – voorafgaand aan de sluiting van de horeca-inrichting – een weloverwogen oordeel te geven over het verzoek om een voorlopige voorziening. Gelet daarop zal de voorzieningenrechter de werking van het bestreden besluit bij ordemaatregel schorsen tot uiterlijk één week na de zitting waarop het verzoek zal worden behandeld. Dat betekent dat de horeca-inrichting tot die tijd niet hoeft te worden gesloten. Het verzoek zal zo spoedig als mogelijk op zitting worden behandeld. Deze ordemaatregel heeft een voorlopig karakter en de voorzieningenrechter is daar in de verdere procedure niet aan gebonden.
De voorzieningenrechter schorst de werking van de intrekking van de Alcoholwetvergunning tot uiterlijk één week na de zitting waarop het verzoek om een voorlopige voorziening zal worden behandeld.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.H.M. Verdonschot, griffier, op 30 januari 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: