ECLI:NL:RBZWB:2024:8343

ECLI:NL:RBZWB:2024:8343, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 05-12-2024, 09-088906-24

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 05-12-2024
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 09-088906-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Breda
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 11 zaken
Aangehaald door 1 zaken
30 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854 BWBR0008290 BWBR0015926 BWBR0018715 BWBR0019437 BWBR0020731 BWBR0024795 BWBR0043833 BWBR0045451 BWBR0045677 BWBR0046932 BWBR0048319 BWBR0048419 BWBR0049082 BWBR0049147 BWBR0049842 BWBR0050315 BWBR0050479 BWBR0050489 BWBR0050492 BWBR0050494 BWBR0050496 BWBR0050497 BWBR0050501 BWBR0050502 CELEX:31966L0401 CELEX:31966L0402 CELEX:31993L0049 CELEX:31993L0062 CELEX:31998L0056

Samenvatting

Mishandeling ambtenaar gedurende en terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening en vernieling. Feiten niet aan verdachte toe te rekenen. Tbs met voorwaarden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 09/088906-24

vonnis van de meervoudige kamer van 5 december 2024

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1975

wonende te [woonadres]

raadsvrouw mr. T. Dreiling, advocaat te Leiden

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 21 november 2024, waarbij de officier van justitie, mr. S.A.A.P. van Hees, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich twee keer schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van een ambtenaar in dienst bij een zorgaanbieder en aan vernieling.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten 1 en 3 heeft gepleegd. Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie verzocht verdachte vrij te spreken.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van feit 2 kan komen. Ten aanzien van de feiten 1 en 3 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feit 1

De rechtbank stelt op grond van de verklaring van verdachte ter zitting, de aangifte en de getuigenverklaring van [de getuige] vast dat verdachte psychiater [benadeelde 1] een hand gaf, dat hij deze vast bleef houden en dat hij hier hard in kneep. Uit de aangifte en de getuigenverklaring volgt dat verdachte [benadeelde 1] hierna een duw gaf en hem gelijktijdig hard naar de grond trok, waardoor [benadeelde 1] op de grond viel. Hierna is op de alarmknop gedrukt, waarna personeel van de kliniek waarin verdachte verbleef heeft ingegrepen. Door de val op de grond heeft [benadeelde 1] tot een uur na de mishandeling een hevige pijn ervaren aan zijn oor. Daarnaast was zijn oor flink opgezwollen. Gelet hierop kan naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte psychiater [benadeelde 1] heeft mishandeld. De rechtbank is gelet op de bestendige jurisprudentie zoals genoemd door de officier van justitie in haar requisitoir van oordeel dat de mishandeling plaatsvond tegen een ambtenaar van een zorgaanbieder gedurende of ter zake de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. [benadeelde 1] was immers de hulpverlenend psychiater van verdachte in dienst bij een zorgaanbieder bedoeld in de Wvggz.

Feit 2

Met de verdediging en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken nu niet kan worden vastgesteld dat er bij verdachte sprake was van (voorwaardelijk) opzet op de ten laste gelegde mishandeling.

Feit 3

In het dossier bevindt zich een foto van de kapotte bril van psychiater [benadeelde 1] . Voor een bewezenverklaring van vernieling is vereist dat verdachte opzettelijk heeft gehandeld. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de bewijsmiddelen dat hiervan sprake is. Uit de aangifte van psychiater [benadeelde 1] volgt dat verdachte de bril van zijn hoofd pakte en deze hard op de grond gooide. Hierna zag [benadeelde 1] dat deze bril kapot op de grond lag. De aangifte wordt ondersteund door de verklaring van [de getuige] , afgelegd bij de rechter-commissaris. Hierin heeft de getuige verklaard dat verdachte de bril van het hoofd heeft gepakt en bewust de bril van de psychiater heeft vernield. Gelet op voornoemde is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de bril van [benadeelde 1] heeft vernield.

Eerste verklaring verdachte

De raadsvrouw heeft betoogd dat de eerste verklaring van verdachte moet worden uitgesloten van het bewijs, omdat hij is gehoord zonder aanwezigheid van een advocaat, terwijl verdachte blijkens het incident een kwetsbare verdachte betrof. Hoewel de rechtbank de verklaring van verdachte niet heeft gebruikt als bewijsmiddel, hecht zij er wel waarde aan dit verweer te bespreken. Uit de rapportages van de deskundigen volgt dat verdachte ten tijde van deze door hem gepleegde feiten leed aan een bipolaire-I-stoornis, met een actuele manische episode, met stemmingscongruente psychotische kenmerken. De rechtbank stelt vast dat bij het verhoor van verdachte op 13 maart 2024 geen voorafgaand overleg met een advocaat heeft plaatsgevonden. Ook heeft verdachte tijdens dat verhoor geen verhoorbijstand gehad. Er zijn wel vragen aan hem gesteld over het incident dat kort ervoor heeft plaatsgevonden, waarbij is gevraagd naar wat verdachte had gedaan. Verdachte heeft hier ook antwoord op gegeven. Verdachte was op dat moment opgenomen in een kliniek, waar de strafbare feiten ook hebben plaatsgevonden. Gelet hierop en het feit dat verdachte juist met de psychiater moest spreken omdat het niet goed met hem ging, had verdachte moeten worden aangemerkt als een kwetsbare verdachte. Gelet hierop had verdachte van rechtsbijstand moeten worden voorzien. Hij is naar het oordeel van de rechtbank dan ook ten onrechte gehoord zonder bijstand van een advocaat. Nu de rechtbank de verklaring van verdachte echter niet heeft gebruikt voor het bewijs, zal zij geen beslissing nemen op het verzoek van de raadsvrouw.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Feit 1 op 13 maart 2024 te [plaats] , een ambtenaar, [benadeelde 1] , psychiater/medewerker van [ggz-instelling] , zijnde een zorgaanbieder als bedoeld in de Wvggz gedurende en terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door die [benadeelde 1] met kracht in de hand te knijpen en tegen het lichaam te duwen en op de grond te gooien ten gevolge waarvan die [benadeelde 1] is gevallen;

Feit 3 op of omstreeks 13 maart 2024 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk een bril, in elk geval enig goed, die geheel aan [benadeelde 1] toebehoorde, heeft vernield.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid van verdachte

Door psychiater [naam 1] en psycholoog [naam 2] zijn rapportages opgemaakt over verdachte. Zij constateren dat ten tijde van het tenlastegelegde bij verdachte sprake was van een manisch psychotische ontregeling in het kader van een bipolaire stoornis. Beide deskundigen adviseren de door de rechtbank bewezenverklaarde ten laste gelegde feiten niet aan verdachte toe te rekenen. De officier van justitie heeft zich in haar requisitoir bij de adviezen van de deskundigen aangesloten.

De raadsvrouw heeft ter zitting betoogd dat het feit toch in enige mate aan verdachte moet worden toegerekend, omdat de officier van justitie die de zaak eerder behandelde deze optie open liet. De rechtbank heeft het verweer zo begrepen dat dit enkel het geval moet zijn, zodat aan verdachte voorwaarden kunnen worden opgelegd in het kader van een voorwaardelijk strafdeel. Voor het overige is het verweer niet door de raadsvrouw onderbouwd. De rechtbank ziet dan ook geen reden om van de adviezen van de deskundigen af te wijken en verwerpt het verweer van de raadsvrouw.

De rechtbank stelt op grond van de inhoud van de rapportages van de deskundigen, waarin eenduidig wordt geconcludeerd, vast dat bij verdachte ten tijde van het plegen van de feiten sprake was van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Ten tijde van het plegen van de feiten was sprake van paranoïde wanen die veelomvattend waren en het handelen van verdachte volledig hebben beïnvloed. Dit maakt dat de feiten niet aan verdachte kunnen worden toegerekend. De rechtbank zal verdachte om die reden ontslaan van alle rechtsvervolging.

6. Opleggen van een maatregel

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs-maatregel) met voorwaarden.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat het opleggen van een tbs-maatregel met voorwaarden, gelet op de aard van de feiten, disproportioneel is. Daarnaast brengt dit het risico mee dat als het misgaat de tbs met dwangverpleging om de hoek komt kijken.

Het oordeel van de rechtbank

Omdat verdachte niet strafbaar is kan aan hem geen straf worden opgelegd. De rechtbank moet onderzoeken of aan verdachte een maatregel moet worden opgelegd. Bij de beoordeling hiervan houdt de rechtbank in zeer sterke mate rekening met de rapportages die door de deskundigen zijn opgesteld en hetgeen zij hierop ter zitting hebben aangevuld. Ook houdt zij rekening met de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte.

Advies gedragsdeskundigen en reclassering

De rechtbank maakt uit de rapportages op dat ten tijde van het tenlastegelegde bij verdachte sprake was van een manisch psychotische ontregeling in het kader van een bipolaire stoornis.

De psychiater is van oordeel dat het noodzakelijk is dat verdachte een behandeling blijft ondergaan die gericht is op voorkoming van manisch psychotische episodes. Gezien het feit dat het ziekte-inzicht matig lijkt, ook als verdachte in goede doen is, en het ziekte-besef helemaal lijkt te verdwijnen bij manisch psychotische decompensaties is de kans groot dat betrokkene zich vroeg of laat weer gaat onttrekken aan behandeling. Daarom wordt geadviseerd de behandeling in een gedwongen kader te laten plaats vinden. De psychiater heeft geadviseerd om behandeling in het kader van een zorgmachtiging te onderzoeken. Indien dit niet mogelijk zou zijn dan is de psychiater niet tegen het opleggen van een tbs-maatregel met voorwaarden.

Ook de psycholoog acht het van belang dat verdachte, om het recidiverisico te verlagen, langdurige verplichte zorg krijgt. Deze zal langer nodig zijn dan zes maanden. Ook toezicht op continuering van deze zorg is noodzakelijk. Een behandeling in het kader van een zorgmachtiging voldoet hier niet aan. Omdat verdachte zich nu niet verzet tegen zorg is verplichte zorg in het kader van een zorgmachtiging niet geïndiceerd. Om het recidiverisico te verlagen en om verplichte zorg te garanderen, acht de psycholoog tbs met voorwaarden noodzakelijk. Omdat verdachte zich nu in het kader van schorsende voorwaarden ook aan deze voorwaarden houdt, zal hij dit bij een tbs met voorwaarden ook doen, aldus de psycholoog.

Naast de rapporten van de gedragsdeskundigen houdt de rechtbank ook rekening met het rapport van de reclassering. De reclassering adviseerde in eerste instantie om een zorgmachtiging te verlenen om in dat kader verdachte verplicht te laten behandelen. Deze is echter afgewezen, omdat verdachte inmiddels wel open staat voor behandeling. De reclassering acht het wel van belang dat verdachte niet alleen op momenten van crisis behandeld wordt, maar dat hij langere tijd in behandeling blijft om enerzijds het beloop van zijn ziektebeeld te kunnen monitoren en anderzijds en indien nodig tijdig bij te kunnen sturen. Gelet hierop adviseert de reclassering aan verdachte een tbs met voorwaarden op te leggen.

Gelet op voornoemde is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een tbs-maatregel dient te worden opgelegd. De rechtbank stelt vast dat voor wat betreft feit 1 voldaan wordt aan de eisen die de wet stelt aan het opleggen van een tbs-maatregel, te weten:

- bij verdachte bestond ten tijde van het plegen van het feit een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens;

- het gepleegde misdrijf betreft een feit dat wordt vermeld in artikel 37a, eerste lid, sub 2, van het Wetboek van Strafrecht;

- de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist die maatregel. Het risico dat verdachte wederom een geweldsdelict pleegt wordt namelijk hoog geacht.

De rechtbank realiseert zich dat het delict waarvoor zij de tbs-maatregel oplegt een relatief gering delict betreft. Dit doet naar het oordeel van de rechtbank echter niet af aan de proportionaliteit van de maatregel. Gelet op de inhoud van de rapportages is de kans op gewelddadig gedrag van betrokkene, zonder enige behandeling, groot. Uit het strafblad van verdachte volgt dat het niet de eerste keer is dat verdachte gewelddadig is geweest tegen beroepsbeoefenaars/behandelaars. De behandeling in een gedwongen kader is dan ook noodzakelijk.

In het geval van verdachte is verplichte zorg door middel van een zorgmachtiging niet mogelijk, omdat verdachte op dit moment meewerkt aan behandeling. Dit heeft ook geresulteerd in een afwijzing van de aanvraag tot zorgmachtiging. Het is niet in het belang van verdachte en evenmin van de maatschappij dat verdachte zonder enige behandeling op straat komt te staan. Hiervoor zijn de risico’s simpelweg te groot en de relatief stabiele situatie van verdachte te pril. Bovendien is het, zo hebben de deskundigen ter zitting toegelicht, van groot belang dat verdachte medicatietrouw blijft. Juist bij een beginnende ontregeling wordt het risico (steeds) groter dat hij zijn medicatie niet langer (vrijwillig) zal innemen, waardoor het risico op een psychose, en daarmee op een geweldsdelict, toeneemt. Het is daarom van groot belang dat er goed gemonitord worden of verdachte stabiel blijft. Om dit te kunnen realiseren is een tbs met voorwaarden het enige mogelijke kader. Daarbij heeft de rechtbank ook meegewogen dat – zoals de psychiater heeft duidelijk gemaakt – ook binnen de tbs met voorwaarden dwangmedicatie niet zonder meer mogelijk is. De toegevoegde waarde van de tbs met voorwaarden ziet de rechtbank met name in de monitoring van verdachte en het voorkomen van het afglijden naar een situatie waarin hij zijn medicatie niet meer vrijwillig in wil nemen.

Naar het oordeel van de rechtbank resteert er dan ook geen andere mogelijkheid dan het opleggen van een tbs-maatregel, waarbij de minst zware vorm van deze maatregel, de tbs met voorwaarden, passend is. De rechtbank zal de voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering aan de maatregel verbinden.

Daarbij begrijpt de rechtbank de zorgen van verdachte met betrekking tot reizen naar het buitenland. De rechtbank verwacht in dat kader enige coulance en maatwerk van de reclassering.

Gemaximeerde tbs

Verdachte heeft een misdrijf gepleegd dat gericht was tegen of een gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dit betekent dat de tbs in beginsel ongemaximeerd is. De rechtbank ziet echter in de inhoud van de rapportages, de relatief geringe ernst van het feit en het gegeven dat de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte al enige tijd zonder problemen verloopt, reden om hiervan af te wijken. Zij bepaalt dat de duur van de tbs-maatregel de duur van vier jaren niet te boven zal gaan. De rechtbank ziet gelet op voornoemde evenmin redenen om de tbs dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Dit betekent dat als verdachte de positieve lijn die hij heeft ingezet doortrekt, hij over vier jaar van de tbs-maatregel af is.

GVM-maatregel

De officier van justitie heeft verzocht om aan verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbenemende maatregel (GVM-maatregel) als genoemd in artikel 38z Wetboek van Strafrecht op te leggen om het gedrag van verdachte, nadat de behandeling in een tbs setting is beëindigd, langdurig te kunnen beïnvloeden. Een dergelijke maatregel kan worden opgelegd ter bescherming van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen. De rechtbank ziet geen redenen waarom voornoemde maatregel moet worden opgelegd, nu onvoldoende is onderbouwd welk gedrag na het einde van de tbs-maatregel nog zou moeten worden beïnvloed.

7. De benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde 2] vordert een schadevergoeding van € 450,-- aan immateriële schade voor feit 2. Verdachte is vrijgesproken van het feit waaruit de schade is ontstaan. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 38, 38a, 300 en 305 van het Wetboek van Strafrecht deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 2 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4. is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Feit 1; mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende

of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening

Feit 3; opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander

toebehoort vernielen;

- verklaart verdachte niet strafbaar voor het bewezen verklaarde onder feit 1 en feit 3 nu deze feiten verdachte niet kunnen worden toegerekend en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging;

Maatregel

- gelast voor feit 1 de terbeschikkingstelling van verdachte en stelt daarbij als voorwaarden:

* dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* dat verdachte meewerkt aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:

- Verdachte meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is.

- Verdachte laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van verdachte vast te stellen.

- Verdachte houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan

aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om verdachte te

helpen bij het naleven van de voorwaarden.

- Verdachte helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn/haar gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid.

- Verdachte werkt mee aan huisbezoeken.

- Verdachte geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling

door andere instellingen of hulpverleners.

- Verdachte vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering.

- Verdachte werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die

contact hebben met verdachte, als dat van belang is voor het toezicht.

* verdachte werkt mee aan een time-out in een Forensisch Psychiatrische zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing op moment dat de reclassering dat nodig vindt. Deze time-out duurt maximaal 7 weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal 7 weken, tot maximaal 14 weken per jaar;

* verdachte gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering;

* verdachte laat zich indien nodig geacht door de reclassering opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing.

De opname duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt betrokkene mee aan de indicatiestelling en plaatsing;

* verdachte laat zich ambulant behandelen door een forensische ggz instelling en neemt zijn medicatie volgens voorschrift in, ook als dit toediening inhoudt. Verdachte laat zich hierop controleren. Indien zijn behandelaar en de reclassering het op geleide van het beeld noodzakelijk achten behoort een kortdurende klinische opname tot de mogelijkheden.

Benadeelde partijen

- verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten zal dragen;

Voorlopige hechtenis

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. Wijffels, voorzitter, mr. G.M.J. Kok en mr. J.P.E. Mullers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Heitzman, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 5 december 2024.

Mr. Mullers en de griffier zijn niet in de gelegenheid om dit vonnis mede te ondertekenen.

10. Bijlage I

De tenlastelegging

1hij op of omstreeks 13 maart 2024 te [geboorteplaats] , een ambtenaar, [benadeelde 1] , psychiater/medewerker van [ggz-instelling] , zijnde een zorgaanbieder als bedoeld in de Wvgg gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door die [benadeelde 1] (met kracht) in de hand te knijpen en/of tegen het lichaam te duwen en/of op de grond te gooien en/of tegen de voet(en) te schoppen (ten gevolge waarvan die Hoesema is gevallen);( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 304 lid 1 ahf/sub 3° Wetboek van Strafrecht )

2hij op of omstreeks 13 maart 2024 te [geboorteplaats] , een ambtenaar, [benadeelde 2] , co-assistent/medewerker van [ggz-instelling] , zijnde een zorgaanbieder als bedoeld in de Wvgg gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening heeft mishandeld door die Van [benadeelde 2] een elleboogstoot tegen het hoofd, althans het lichaam te geven;( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 304 lid 1 ahf/sub 3° Wetboek van Strafrecht )

3hij op of omstreeks 13 maart 2024 te [geboorteplaats] opzettelijk en wederrechtelijk een bril, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt( art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. P.A.M. Wijffels
  • mr. G.M.J. Kok
  • mr. J.P.E. Mullers

Griffier

  • mr. R. Heitzman

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?