[belanghebbende] , uit [plaats] (Thailand), belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 15 augustus 2024.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2023 een aanslag inkomstenbelasting en premievolksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.454 (de aanslag).
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft de beroepen op 4 april 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens de inspecteur, [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .
Belanghebbende is niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de belastingaanslag niet naar een te hoog bedrag is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
Naar het oordeel van de rechtbank is de belastingaanslag niet naar een te hoog bedrag opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben.
Feiten
3. Belanghebbende woonde in de onderhavige jaren in Thailand.
Op 3 maart 2024 heeft belanghebbende als buitenlandse belastingplichtige aangifte IB/PVV gedaan voor het jaar 2023. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is als volgt opgebouwd:
AOW, pensioenen en andere uitkeringen
- ABP
€ 4.065
€ 375 (LH)
- Nationale Nederlanden
€ 429
€ 72 (LH)
- Rabobank
€ 3.280
€ 616 (LH)
- Centraal Beheer
€ 4.807
€ 914 (LH)
- Centraal Beheer
€ 2.322
€ 442 (LH)
- SVB
€ 20.551
€ 4.324 (LH)
Belastbaar inkomen uit werk en woning
€ 35.454
De inspecteur heeft de belastingaanslag met dagtekening 12 juni 2024 opgelegd conform de door belanghebbende ingediende aangifte.
Overwegingen
De aanslag IB/PVV 2023
4. De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat de vermelding van het belastingjaar 2022 in de uitspraak op bezwaar van 15 augustus 2024 berust op een verschrijving door de inspecteur. De uitspraak op bezwaar ziet op het belastingjaar 2023. Ook is niet in geschil dat Nederland naar nationaal recht kan heffen over de AOW-uitkering.
Belanghebbende voert aan dat Thailand het heffingsrecht heeft over de
AOW-uitkering van de SVB en dus dat het heffingsrecht van Nederland wordt beperkt. Volgens belanghebbende wordt ten onrechte de betekenis van de Nederlandse nationale wet aangehouden. De inspecteur betwist het standpunt van belanghebbende.
In artikel 18, eerste lid, van de Overeenkomst is het volgende opgenomen:
“Onder voorbehoud van de bepalingen van het tweede lid van dit artikel en het eerste lid van artikel 19, zijn pensioenen en andere soortgelijke beloningen ter zake van een vroegere dienstbetrekking betaald aan een inwoner van een van de Staten, alsmede aan een zodanige inwoner betaalde lijfrenten slechts in die Staat belastbaar.”
De rechtbank overweegt dat de heffingsbevoegdheid van Nederland over de AOW-uitkering niet beperkt wordt door de Overeenkomst. Op basis van de nationale wetgeving in Nederland wordt de AOW-uitkering geheel in Nederland belast. Dit betekent dat de aanslag IB/PVV voor het jaar 2023 niet tot een te hoog bedrag aan belanghebbende is opgelegd.
Schadevergoeding
Belanghebbende voert aan dat hij recht heeft op een schadevergoeding van de Belastingdienst van € 19.811 vanwege aan elkaar gerelateerde onrechtmatige daden. Het bedrag aan schadevergoeding is (hoofdzakelijk) opgebouwd uit de door belanghebbende betaalde belasting in Thailand in de jaren 2014 tot en met 2023.
Over het verzoek om schadevergoeding overweegt de rechtbank dat zij niet bevoegd is om daarover uitspraak te doen.Dat is voor deze jaren alleen mogelijk bij de belastingrechter ingeval er sprake is van een gegrond beroep. Belanghebbende kan zich desgewenst wenden tot de civiele rechter voor een vordering tot schadevergoeding.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag in stand blijft.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Ook krijgt belanghebbende het griffierecht niet vergoed.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van
mr. D. Damen, griffier, op 16 mei 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.