[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. W. Krijger),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alphen-Chaam, het college.
Als derde-partij nemen aan de zaak deel: [naam 1] uit [plaats] (derde-partij)
(gemachtigde: mr. D. Heuker of [naam 2]).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de beslissing op bezwaar van 22 april 2025. In dit besluit heeft het college de aan verzoeker verleende omgevingsvergunning voor het starten van nevenactiviteiten bij een agrarisch bedrijf, namelijk een boerderijwinkel en het houden van workshops en proeverijen, van 22 augustus 2024 herroepen en de aanvraag alsnog geweigerd. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Derde-partij heeft ook schriftelijk gereageerd.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster, namens het college mr. [naam 3] en Ing. [naam 4] , derde-partij en de gemachtigde van derde-partij.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. De voorzieningenrechter besluit om niet te kort te sluiten en zal zich beperken tot het beslissen op het verzoek om de voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter weegt de belangen van verzoekster die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van het college die pleiten tegen het treffen daarvan, aan de hand van de gronden van verzoekster als volgt af.
Gevraagd is om het schorsen van de beslissing op bezwaar zodat het primaire besluit weer zal herleven. De voorzieningenrechter overweegt dat dit een vergaand verzoek is want verzoekster vraagt om toe te staan wat het college niet wil.
De voorzieningenrechter hanteert het criterium dat hij verwacht of het beroep zal leiden tot een toestemming om de activiteiten te kunnen uitoefenen. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet alleen zal toekennen als het beroep naar verwachting gegrond is, maar dat naar verwachting het beroep ook tot een toestemming zal leiden. Als toestemming niet wordt verwacht, dan ligt het niet voor de hand om het verzoek toe te kennen.
De voorzieningenrechter constateert dat in de beslissing op bezwaar gebreken zitten. Van het college mocht een actievere houding verwacht worden ten aanzien van de gebreken in het primaire besluit. De constatering van de bezwaarschriftencommissie had moeten leiden tot een houding van het college om die gebreken te herstellen. Het Besluit kwaliteit leefomgeving verwacht daarbij ook een actievere beoordeling van het bevoegde gezag. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 29 oktober 2024, welke is bevestigd in de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland 5 van april 2025. Daarin is bepaald dat het college actiever moet zijn bij de beoordeling voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Dat geldt niet alleen voor de fase van de vergunningverlening maar doet zich ook voor in de bezwaarfase.
In dat opzicht overweegt de voorzieningenrechter dat nog wat af te dingen valt op de beslissing op bezwaar. Echter leest de voorzieningenrecht in het verweerschrift dat volgens het college nu geen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De beslissing of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is aan het bestuursorgaan. De bestuursrechter beoordeelt zelf niet of voldaan is aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, maar toetst volgens standaard rechtspraak of de beslissing van het bestuursorgaan in overeenstemming is met het recht en of er een navolgbare motivering aan ten grondslag ligt.
Op dit moment is niet gebleken van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De voorzieningenrechter gaat hiervan uit en dat betekent dat hij niet kan verwachten dat verzoekster over een toestemming zal beschikken.
Daarbij komt met betrekking tot de belangenafweging dat verzoekster alleen financiële schade heeft gesteld. Dat kan op zichzelf niet leiden tot het treffen van een voorlopige voorziening. Mocht het besluit namelijk onrechtmatig blijken, dan kan verzoekster een schadevergoeding vragen.
Conclusie en gevolgen
3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
4. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2025 door mr. T. Peters, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T.A. de Kraker, griffier.
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: