[verzoeker] h.o.d.n. [onderneming] , uit [plaats] ,
(gemachtigde: mr. R.H.U. Keizer),
en
de burgemeester van de gemeente Bergen op Zoom, verweerder.
Inleiding
1. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de burgemeester van
2 april 2025 (bestreden besluit) inzake de intrekking van de alcoholwetvergunning en weigering van de aangevraagde exploitatievergunning.
Verzoeker heeft op 1 mei 2025 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Feiten
2. Op 6 mei 2004 is aan verzoeker een vergunning verleend op grond van de Drank- en Horecawet voor de uitoefening van de horeca-inrichting ‘ [onderneming] ’ (alcoholwetvergunning). Op 5 december 2023 is deze horeca-inrichting op grond van artikel 13b van de Opiumwet gesloten voor de duur van zes maanden.
3. De burgemeester heeft verzoeker op 21 december 2023 gewezen op het feit dat hij niet beschikt over de vereiste exploitatievergunning. Verzoeker heeft vervolgens op 11 juni 2024 een aanvraag voor een exploitatievergunning ingediend.
4. De burgemeester heeft het voornemen kenbaar gemaakt de aan verzoeker verleende alcoholwetvergunning in te trekken en de gevraagde exploitatievergunning te weigeren. Verzoeker heeft zijn zienswijze kenbaar gemaakt.
5. Bij twee afzonderlijke besluiten van 21 november 2024 heeft de burgemeester de alcoholwetvergunning ingetrokken en geweigerd een exploitatievergunning te verlenen voor horeca-inrichting [onderneming] . Met het bestreden beluit heeft de burgemeester de bezwaren tegen deze besluiten ongegrond verklaard.
Het verzoek
6. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat verzoeker voor de duur van deze procedure geacht moet worden te beschikken over een alcoholwet- en exploitatievergunning.
Beoordeling
7. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Dit betekent dat de voorzieningenrechter dient te beoordelen of verzoeker in zodanige omstandigheden verkeert dat niet van hem kan worden gevergd dat hij de uitkomst van de beroepsprocedure afwacht.
De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker met zijn verzoek wil bereiken dat hij zijn café weer kan openen. Hiervoor heeft hij zowel een alcoholwetvergunning als een exploitatievergunning op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) nodig. Het verzoek ziet er op te bepalen dat verzoeker over beide vergunningen wordt geacht te beschikken. Het inwilligen van een dergelijk verzoek is zeer vergaand in het kader van een voorlopige voorziening. Dat geldt temeer voor de exploitatievergunning, nu nog niet eerder een exploitatievergunning is verleend. Aan een exploitatievergunning worden normaliter diverse voorwaarden verbonden, onder andere ten aanzien van openings- en sluitingstijden, waarover nu geen enkele duidelijkheid is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het verzoek naar zijn aard dan ook te verstrekkend om bij wijze van voorlopige voorziening te worden toegewezen.
8. Het inwilligen van een verzoek dat naar zijn aard te verstrekkend is voor een voorlopige voorziening, zou wellicht toch aangewezen kunnen zijn indien sprake is van zeer bijzondere omstandigheden, zoals bijvoorbeeld een zeer dringende financiële noodzaak. Zo’n uitzonderingsgeval doet zich hier niet voor. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is onvoldoende onderbouwd dat verzoeker over onvoldoende financiële middelen beschikt of zal kunnen beschikken om de uitspraak van de rechtbank in de beroepsprocedure af te wachten. Verzoeker beschikt over een bijstandsuitkering en moet daarmee geacht worden te kunnen voorzien in zijn levensonderhoud.
9. De voorzieningenrechter zal het verzoek om voorlopige voorziening als kennelijk ongegrond afwijzen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
10. Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter nog op dat een verzoek om versnelde behandeling als bedoeld in artikel 8:52 van de Algemene wet bestuursrecht – los van de vraag of er sprake is van voldoende spoedeisendheid daarvoor – een meer geëigende weg is voor verzoeker om snel duidelijkheid te verkrijgen.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Vermunt, griffier op 22 mei 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: