[belanghebbende] , uit [plaats] ( [land] ), belanghebbende
tegen de uitspraak van de rechtbank van 17 januari 2025 in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 17 januari 2025 waarin de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van 18 april 2024 ongegrond heeft verklaard. De beroepen zien op de aanslagen schenkbelasting met aanslagnummers [aanslagnummer 1] en [aanslagnummer 2] .
De rechtbank heeft het verzet op 6 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 17 januari 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat de beroepen ongegrond zijn. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
Belanghebbende voert in verzet aan dat in de uitspraak van de rechtbank alleen wordt ingegaan op het feit dat het bezwaar niet binnen de termijn is ingediend en niet op de aangevoerde gewetensbezwaren. Deze gewetensbezwaren tegen het betalen van belasting die (direct of indirect) oorlogen financiert, zijn actueel geworden door de oorlogen in Gaza en Oekraïne. Belanghebbende stelt dat haar grondrechten (vrijheid van meningsuiting, godsdienst, levensovertuiging en geweten) belangrijker zijn dan termijnen uit de (belasting)wet. Daarnaast stelt zij tijdig in bezwaar te zijn gegaan, omdat zij voor de betalingstermijn in bezwaar is gegaan. Belanghebbende stelt verder dat de Belastingdienst zich ook niet aan de wettelijk gestelde termijnen houdt.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De inspecteur dient – voordat een bezwaarschrift inhoudelijk kan worden behandeld – eerst te beoordelen of het bezwaarschrift voldoet aan de ontvankelijkheidsvereisten uit de Awb. Eén van die ontvankelijkheidsvereisten is dat een bezwaarschrift moet worden ingediend binnen een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van het aanslagbiljet. De rechtbank verwerpt het standpunt van belanghebbende dat zij tijdig bezwaar heeft ingediend, omdat zij voor de betalingstermijn in bezwaar is gegaan. Dat volgt namelijk niet uit de wet. Daarbij acht de rechtbank geen aanleiding om de wettelijke termijn anders te interpreteren in verband met de door belanghebbende gestelde inbreuk op haar grondrechten. De door de wetgever gestelde termijn valt binnen de ruime beoordelingsmarge die zij heeft bij de vaststelling daarvan. De rechtbank heeft in de uitspraak van 17 januari 2025 terecht geoordeeld dat het bezwaarschrift te laat is ingediend.
Er is dus sprake van een termijnoverschrijding waardoor de inspecteur het bezwaar niet-ontvankelijk kan verklaren. Dat is alleen anders indien “redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het beroepschrift in verzuim is geweest”, of te wel indien de termijnoverschrijding “verschoonbaar” is. De rechtbank is van oordeel dat in de verzet bestreden uitspraak terecht is overwogen dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.
Een verontschuldigbare termijnoverschrijding ziet enkel op gevallen waarin de belanghebbende redelijkerwijs niet in staat was tegen een besluit tijdig een rechtsmiddel aan te wenden. Daarvan is in dit geval geen sprake. Belanghebbende was wel in staat om binnen de wettelijke bezwaartermijnen tegen de aanslagen bezwaar te maken, maar heeft dit niet gedaan. Na het verlopen van de bezwaartermijn zijn de gemoedsbezwaren van belanghebbende versterkt, maar dergelijke latere omstandigheden maken de eerdere termijnoverschrijding niet verschoonbaar. Ook de omstandigheid dat de Belastingdienst zich niet aan de termijnen heeft gehouden, heeft geen invloed op het nalaten van tijdig handelen door belanghebbende zelf. Belanghebbende heeft in verzet ook geen andere gronden aangevoerd op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat de termijnoverschrijding wel verschoonbaar is.
Nu de rechtbank terecht van oordeel is dat de bezwaren te laat zijn ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is, komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling van de vraag of de aanslagen in verband met de gewetensbezwaren van belanghebbende moeten worden aangepast. Desalniettemin wijst de rechtbank belanghebbende nog wel op de uitspraak van de Hoge Raad van 26 april 2000 (te vinden onder het kenmerk ECLI:NL:HR:2000:AA5618)
Conclusie en gevolgen
3. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 17 januari 2025. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 20 juni 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.