ECLI:NL:RBZWB:2025:6689

ECLI:NL:RBZWB:2025:6689, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 30-01-2025, 24/4715

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 30-01-2025
Datum publicatie 15-10-2025
Zaaknummer 24/4715
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Breda
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 3 zaken
Aangehaald door 2 zaken
5 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005416 BWBR0005537 BWBR0024779 BWBR0037885 BWBR0043660

Samenvatting

Weigeren omgevingsvergunning voor het renoveren van een gebouw op de bestemming Natuur. Eiser vond dat het gebouw onder het overgangsrecht valt. De rechtbank oordeelt dat dat niet zo is.

Uitspraak

[eiseres] B.V., uit [plaats 1] , eiseres

(gemachtigden: [gemachtigde 1] en mr. G.J.M. de Jager),

en

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Altena, het college

(gemachtigden: [gemachtigde 2] , [gemachtigde 3] en [gemachtigde 4] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het weigeren van een omgevingsvergunning voor het renoveren van een gebouw op het [perceel] ongenummerd ( [kadastrale gegevens] ) (het bouwplan).

Het college heeft op 5 februari 2024 een ontwerpbesluit bekendgemaakt, waarmee de gevraagde omgevingsvergunning is geweigerd. Met het definitieve besluit van 18 april 2024 is het college bij de weigering gebleven.

Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 22 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres vertegenwoordigd door [naam] , bijgestaan door haar gemachtigden. Voor verweerder verschijnen gemachtigden.

De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak met zes weken verlengd.

Beoordeling door de rechtbank

2. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo). De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 20 september 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

3. De rechtbank beoordeelt of het college de omgevingsvergunning voor het bouwen en het handelen in strijd met het bestemmingsplan ten behoeve van het bouwplan heeft kunnen weigeren. Zij doet dat onder meer aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.

4. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.Is voor het gebouw een bouwvergunning verleend?

5. Eiseres heeft ter zitting aangevoerd dat zij tijdens het voorbereiden van de zaak is gestuit op uitspraken van de rechtbank en van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), waaruit zou kunnen blijken dat voor het in geding zijnde gebouw een bouwvergunning is verleend. Zij maakt dat op uit de feiten en omstandigheden in die zaak, die heel erg lijken op de zaak die nu aan de orde is. Zij verzoekt de rechtbank om de niet geanonimiseerde versie van deze uitspraken ambtshalve te bekijken en deze te betrekken in haar uitspraak.

Het college stelt dat deze beroepsgrond erg laat in de procedure wordt aangevoerd en dat hem niets bekend is van een bouwvergunning die zou zijn verleend voor dit gebouw.

De rechtbank heeft de uitspraken bestudeerd en maakt daaruit op dat de zaak zoals die in de uitspraken aan de orde was, gaat over een perceel aan [adres] te [plaats 2] en niet over de onderhavige locatie. Eiseres heeft dus niet aannemelijk gemaakt dat voor het gebouw een bouwvergunning is verleend.

Heeft het college terecht gesteld dat het bouwovergangsrecht niet op het gebouw van toepassing is?

6. Eiseres stelt dat de omgevingsvergunning voor het bouwen en het handelen in strijd met het bestemmingsplan had moeten worden verleend, omdat het overgangsrecht het bestaande gebouw legaliseert, waardoor dat bestaande gebouw volgens datzelfde overgangsrecht ook gedeeltelijk mag worden vernieuwd en veranderd en ook met 10% mag worden vergroot. Hij voert hij dat het overgangsrecht in het thans geldende bestemmingsplan voor bouwwerken bepaalt dat bouwwerken die bestaan op het moment van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan mogen blijven staan, tenzij daarvoor geen vergunning is verleend en de bouwwerken ook in strijd waren met het vorige bestemmingsplan. Voordat het in 2007 in werking getreden bestemmingsplan “Buitengebied Werkendam” van de voormalige gemeente Werkendam gold, gold op de locatie [perceel] het bestemmingsplan “Buitengebied” uit 1982. Volgens het overgangsrecht in dat bestemmingsplan mogen bouwwerken die bestaan op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp van dat bestemmingsplan, dan wel op dat moment in uitvoering waren en die afwijken van dat plan, blijven staan. Hieruit blijkt niet dat voor de bebouwing ook een vergunning moet zijn verleend. Het plan is vastgesteld op 1 juli 1982 en naar de inschatting van eiseres betekent dit dat het ontwerp rond eind 1981/begin 1982 ter inzage heeft gelegen. Het gebouw dat eiseres met de gevraagde vergunning wenst te renoveren, dateert van medio 1970. Dit betekent dat het gebouw eind 1981/begin 1982 aanwezig was en dus onder het overgangsrecht van dat bestemmingsplan valt en daarmee ook onder het overgangsrecht van het thans geldende plan.

Het college stelt dat het gebouw niet onder het overgangsrecht valt, omdat het overgangsrecht alleen ziet op gebouwen die met een vergunning zijn opgericht. Het overgangsrecht voor bouwen werkt niet bouwtitelvervangend. Dit volgt ook uit de jurisprudentie van de Afdeling. Voor het in geding zijnde gebouw is nooit een vergunning verleend. Er kan geen aanspraak worden gemaakt op het overgangsrecht in het oude bestemmingsplan en ook als dat wel het geval zou zijn, dan vervalt die bescherming bij de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan. Het bouwplan is in strijd met de ten tijde van de aanvraag geldende planregels van onder meer de bestemming ‘Natuur’.

De rechtbank overweegt het volgende. Het bestemmingsplan “Buitengebied Werkendam” en het daarvoor geldende bestemmingsplan “Buitengebied” bevatten, anders dan eiseres stelt, geen bepaling waarin staat dat bestaande bebouwing mag blijven staan. Het overgangsrecht in beide bestemmingsplannen bevat alleen de bepaling dat bouwwerken die bestaan op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp-plan gedeeltelijk mogen worden vernieuwd of veranderd, en met maximaal 10% mogen worden uitgebreid (alleen in het bestemmingplan “Buitengebied”) of geheel mogen worden vernieuwd als ze door een calamiteit teniet zijn gegaan (zie artikel 35.1 in “Buitengebied Werkendam” en artikel V.1 van “Buitengebied”). Het overgangsrecht maakt het zonder vergunning gebouwde bouwwerk dus niet legaal. Omdat op het gebouw het overgangsrecht niet van toepassing is, moet niet alleen de uitbreiding, maar het gebouw in zijn geheel in de aanvraag worden betrokken en moet die aanvraag worden getoetst aan artikel 2.10 van de Wabo. Tussen partijen staat vast dat de aanvraag in strijd is met het bestemmingsplan. In beroep is niet bestreden dat het college van oordeel is dat afwijking van het bestemmingsplan ongewenst is. De rechtbank zal hier dan ook vanuit gaan. Gelet op het voorgaande dient de aanvraag geweigerd te worden. 7. Het college heeft in het bestreden besluit aangegeven dat de aanvraag niet alleen in strijd is met de bouwregels van het bestemmingsplan, maar dat het beoogd gebruik van het gebouw ook in strijd is met de planregels. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het beoogde gebruik van het gebouw wel past binnen de geldende bestemming. De rechtbank zal deze beroepsgrond niet bespreken, nu die niet kan afdoen aan de conclusie dat het bouwplan geweigerd moet worden omdat het in strijd is met de bouwregels van het bestemmingsplan.

Conclusie en gevolgen

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit tot het weigeren van de omgevingsvergunning voor het bouwplan in stand blijft. Ook hoeft het college het door eiseres betaalde griffierecht en de door haar gemaakte kosten voor door derden beroepsmatig verleende rechtsbijstand niet te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Jonkers, griffier en op 30 januari 2025 en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is buiten staat deze uitspraak te ondertekenen.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. T. Peters

Griffier

  • mr. M.A. Jonkers

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?