RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 11529812 \ CV EXPL 25-495
Vonnis van 8 oktober 2025
in de zaak van
STICHTING ACHMEA RECHTSBIJSTAND,
te Tilburg,
eisende partij,
hierna te noemen: SAR,
gemachtigde: mr. M. Stroosnijder,
tegen
[gedaagde] ,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
De zaak in het kort
[gedaagde] heeft een op maat gemaakt paardenzadel van [verkoper] gekocht. Zij heeft haar betalingsverplichting opgeschort, omdat het zadel niet past en ze wil het zadel eigenlijk teruggeven. [verkoper] heeft het zadel laten herstellen in de fabriek. Dat het zadel daarna nog steeds niet passend was en dat [gedaagde] hierover geklaagd heeft is niet gebleken. [gedaagde] mocht haar betaling dus niet opschorten. [verkoper] heeft haar vordering tot betaling inmiddels aan SAR overgedragen. [gedaagde] moet het nog openstaande bedrag dus aan SAR betalen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenvonnis van 23 april 2025 met de daarin genoemde stukken,
de mondelinge behandeling van 9 september 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
[gedaagde] heeft in 2023 met [verkoper] een koopovereenkomst gesloten voor een op maat gemaakt paardenzadel.
Op 4 mei 2023 heef [gedaagde] een bedrag van € 1.000,00 betaald op rekeningnummer [rekeningnummer] op naam van [persoon] ( [verkoper] ) onder de omschrijving:
“1e aanbetaling zadel klantnummer: [nummer] ”.
Op 9 februari 2024 heeft [verkoper] een aanmaning gestuurd voor het nog openstaande bedrag van € 2.175,95.
Op 10 april 2024 heeft [gedaagde] een WhatsAppbericht gestuurd met het bericht:
“Zou jij het zadel terug kunnen nemen? Ik heb er 2 zadelmakers nu bij gehad die bevestigen dat het zadel niet past op mijn paard”.
Op 30 september 2024 heeft SAR per brief aan [gedaagde] laten weten dat zij de vordering van [verkoper] heeft overgenomen en verzoekt zij [gedaagde] om het openstaande bedrag ter betalen. Op 14 oktober 2024 heeft SAR nog een aanmaning gestuurd aan [gedaagde] .
3. Het geschil
SAR vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 2.502,34 (€ 2.175,95 hoofdsom en € 326,39 buitengerechtelijke incassokosten), vermeerderd met rente en proceskosten. SAR legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde] is haar betalingsverplichting uit de koopovereenkomst tegenover [verkoper] niet nagekomen. Deze vordering tot betaling is aan SAR gecedeerd. SAR vordert in deze procedure de betaling van [gedaagde] .
[gedaagde] voert verweer. Zij voert aan dat zij al € 1.519,00 heeft betaald, maar dat zij op enig moment heeft gezegd dat ze de rest pas betaalt als zij een passend zadel krijgt. Inmiddels stelt zij zich op het standpunt dat zij helemaal niets meer moet betalen en dat [verkoper] het zadel moet terugnemen.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
[gedaagde] is niet verschenen op zitting
In het vonnis van 23 april 2025 is een mondelinge behandeling bepaald op 9 september 2025. Aan de kant van [gedaagde] is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niemand verschenen op 9 september 2025. Er is ook geen brief ontvangen waarin is verzocht om uitstel of waarin een reden voor verhindering is vermeld. Daardoor heeft [gedaagde] zichzelf de mogelijkheid ontnomen om haar stellingen nader toe te lichten, om op de stellingen en producties van SAR in te gaan en om vragen van de kantonrechter te beantwoorden. Dit terwijl er in het tussenvonnis van 23 april 2025 uitdrukkelijk op is gewezen dat aan een eventuele niet-verschijning de gevolgen kunnen worden verbonden die de kantonrechter passend acht.
SAR heeft de vordering van [verkoper] overgenomen
SAR vordert in deze procedure betaling van [gedaagde] op grond van de koopovereenkomst tussen [verkoper] en [gedaagde] . De kantonrechter is van oordeel dat voldoende is gebleken dat [verkoper] haar vordering op [gedaagde] rechtsgeldig heeft overgedragen aan SAR door de akte van cessie en de mededeling daarvan aan [gedaagde] in de brief van 30 september 2024 van SAR.
Koopovereenkomst
Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] met [verkoper] een koopovereenkomst heeft gesloten voor een op maat gemaakt paardenzadel. Ter zitting heeft SAR toegelicht dat [gedaagde] de koopsom van € 3.175,95 in zes termijnen mocht betalen. Een aanbetaling van € 1.000,00 heeft zij al betaald. Daarnaast gaat het om nog vier termijnen van € 519,00 en een bedrag van € 99,95 voor de speciale lakrand. Hiervoor zijn verschillende facturen aan [gedaagde] gestuurd.
Nu [gedaagde] niet is verschenen op de mondelinge behandeling en de stellingen van SAR niet meer heeft weersproken, moet van de juistheid daarvan worden gegaan. [gedaagde] is eerder wel verschenen op de rolzitting van 12 februari 2025 en heeft toen aangevoerd dat zij in totaal € 1.519,00 heeft betaald, maar van een betaling van € 519,00 (naast de aanbetaling van € 1.000,00) is niet gebleken en dit heeft zij bovendien ook niet onderbouwd. Het voorgaande betekent dat vast komt te staan dat [gedaagde] nog een bedrag van € 2.175,95 moet betalen voor het paardenzadel.
Geen rechtsgeldige opschorting
[gedaagde] heeft aangevoerd dat zij op enig moment niet meer wilde betalen, totdat zij een passend paardenzadel krijgt. De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde] hiermee stelt dat zij haar betalingsverplichting heeft opgeschort, omdat [verkoper] niet heeft geleverd wat partijen zijn overeengekomen. Voor een geslaagd beroep op opschorting moet vast komen te staan dat [verkoper] haar verplichtingen uit de koopovereenkomst niet is nagekomen.
SAR betwist dat sprake is van een niet passend zadel waarover [gedaagde] bij [verkoper] heeft geklaagd. Ter zitting heeft SAR hierover toegelicht dat [verkoper] het zadel op verzoek van [gedaagde] heeft laten aanpassen in de fabriek en dat het daarna in juni 2024 terug is gegaan naar [gedaagde] . Dat het zadel op dat moment (nog steeds) niet goed was is [verkoper] niet bekend. Niet gebleken is dat [gedaagde] na juni 2024 nog heeft geklaagd. [gedaagde] heeft haar stelling dat het zadel nog steeds niet passend is verder ook niet onderbouwd. Zij stelt weliswaar dat twee zadelmakers hebben aangegeven dat het zadel niet past, maar zij onderbouwt dit verder niet met bijvoorbeeld het overleggen van deze verklaringen. Bovendien lijkt uit een WhatsAppbericht van 10 april 2024 van [gedaagde] te volgen dat deze beoordeling heeft plaatsgevonden voordat het zadel is aangepast in de fabriek. De kantonrechter is van oordeel dat niet komt vast te staan dat het zadel (nog steeds) niet past en dat [verkoper] dit gebrek niet wilde herstellen.
Conclusie
Van het niet nakomen van verplichtingen uit de koopovereenkomst door [verkoper] is geen sprake. Het beroep van [gedaagde] op opschorting slaagt daarom niet. Voor zover [gedaagde] nog bedoeld heeft een beroep te doen op ontbinding van de koopovereenkomst overweegt de kantonrechter dat ook dit beroep niet kan slagen, omdat van een tekortkoming van [verkoper] geen sprake is.Het voorgaande betekent dat [gedaagde] wordt veroordeeld om € 2.175,95 aan SAR te betalen.
Wettelijke rente
Ter zitting heeft SAR haar eis verminderd ten aanzien van de gevorderde wettelijke handelsrente. Zij vordert in plaats daarvan de wettelijke rente over het openstaande bedrag vanaf 22 februari 2024. Nu [gedaagde] te laat is met betalen - gelet op de facturen in ieder geval op 22 februari 2024 - kan deze vordering worden toegewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
SAR vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. Daarom zal een bedrag van € 326,39 worden toegewezen.
Proceskosten
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van SAR worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
146,14
- griffierecht
€
514,00
- salaris gemachtigde
€
476,00
(2 punten × € 238,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.271,14
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan SAR te betalen een bedrag van € 2.175,95, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 22 januari 2024, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] om aan SAR te betalen een bedrag van € 326,39 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.271,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Badal en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2025.