ECLI:NL:RBZWB:2025:6889

ECLI:NL:RBZWB:2025:6889, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 10-10-2025, BRE 25/2093

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 10-10-2025
Datum publicatie 21-10-2025
Zaaknummer BRE 25/2093
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Breda
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005416

Samenvatting

NTB; 8:54; Belanghebbende heeft de heffingsambtenaar op 2 januari 2025 in gebreke gesteld. De heffingsambtenaar moet dan binnen twee weken, dus uiterlijk op 16 januari 2025 beslissen. De heffingsambtenaar is ten onrechte uitgegaan van 17 januari 2025. De rechtbank stelt de hoogte van de dwangsom vast op € 276,-. Voor zover de heffingsambtenaar al een deel heeft betaald, komt dat in mindering op het te betalen bedrag. Het beroep is gegrond.

Uitspraak

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat belanghebbende heeft ingesteld, wegens het uitblijven van een dwangsombeschikking in verband met het niet tijdig nemen van een uitspraak op bezwaar over de naheffingsaanslag parkeerbelasting met [aanslagnummer] .

Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Dit geldt ook voor het niet tijdig nemen van een dwangsombeschikking.

Is het beroep ontvankelijk en gegrond?

3. Belanghebbende heeft op 12 juli 2024 bezwaar gemaakt. Omdat de heffingsambtenaar niet binnen de wettelijke termijn op het bezwaar heeft beslist, heeft belanghebbende de heffingsambtenaar bij brief van 2 januari 2025 in gebreke gesteld en de heffingsambtenaar verzocht alsnog op korte termijn een beslissing te nemen. Belanghebbende verwijst in deze brief naar artikel 4:17 van de Awb (dwangsom bij niet tijdig beslissen). De heffingsambtenaar heeft op 28 januari 2025 uitspraak op bezwaar gedaan. Bij brief van 24 maart 2025 heeft belanghebbende de heffingsambtenaar in gebreke gesteld voor het niet (tijdig) nemen van een dwangsombesluit.

De rechtbank stelt vast dat de heffingsambtenaar na het instellen van het beroep op 30 mei 2025 alsnog een dwangsombesluit heeft genomen. De heffingsambtenaar heeft de dwangsom vastgesteld op € 253,-. Nu alsnog een dwangsombeschikking is genomen, ontvalt in de regel het belang aan het door belanghebbende ingestelde beroep tegen het niet tijdig nemen van een dwangsombeschikking. Het beroep wegens niet tijdig beslissen is daarom niet-ontvankelijk.

Belanghebbende is het niet eens met de hoogte van de dwangsom en voert aan dat de dwangsom moet worden vastgesteld op € 276,-. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit heeft mede betrekking op het alsnog genomen besluit. De rechtbank zal daarom beoordelen of de heffingsambtenaar de dwangsom juist heeft vastgesteld.

Heeft de heffingsambtenaar de dwangsom juist vastgesteld?

4. Belanghebbende heeft op 12 juli 2024 bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar moet op het bezwaarschrift beslissen in het kalenderjaar waarin het bezwaarschrift is ontvangen. De termijn waarbinnen de heffingsambtenaar moet beslissen eindigde op 31 december 2024. Belanghebbende heeft de heffingsambtenaar op 2 januari 2025 in gebreke gesteld. De heffingsambtenaar moet dan binnen twee weken, dus uiterlijk op 16 januari 2025, beslissen. In zijn verweer gaat de heffingsambtenaar ten onrechte uit van 17 januari 2025. De heffingsambtenaar heeft op 28 januari 2025 uitspraak op bezwaar gedaan.

Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. De heffingsambtenaar is over elke dag na 16 januari 2025 tot en met de beslissing op 28 januari 2025 een dwangsom verschuldigd. De rechtbank stelt de hoogte van de dwangsom op grond van artikel 8:55c van de Awb vast op € 276,- (12 x € 23). Voor zover de heffingsambtenaar al een deel heeft betaald, komt dat in mindering op het te betalen bedrag. Het beroep is gegrond.

Is de heffingsambtenaar wettelijke rente verschuldigd?

5. Belanghebbende vraagt om wettelijke rente. De rechtbank wijst dit toe. De heffingsambtenaar moest de dwangsom uiterlijk op 11 februari 2025 vaststellen en uiterlijk op 25 maart 2025 aan belanghebbende betalen. Omdat de heffingsambtenaar de dwangsom te laat en te laag heeft vastgesteld, is hij in verzuim en moet hij vanaf 25 maart 2025 tot de datum waarop de dwangsom is betaald wettelijke rente aan belanghebbende betalen. Indien het bedrag in gedeelten wordt betaald, omdat het bedrag van € 253 al is betaald, dan geldt voor de berekening van de wettelijke rente telkens de periode vanaf 25 maart 2025 tot de dag van betaling van het betreffende gedeelte.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang voor zover het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een dwangsombeschikking, omdat de heffingsambtenaar op 30 mei 2025 alsnog een dwangsombeschikking heeft genomen. Het beroep is gegrond voor zover het is gericht tegen de alsnog genomen dwangsombeschikking. De rechtbank kent aan belanghebbende een dwangsom toe van € 276,- en bepaalt dat over de betaling daarvan vanaf 25 maart 2025 wettelijke rente is verschuldigd.

Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 453,50 omdat de gemachtigde van belanghebbende een beroepschrift heeft ingediend en het beroep beperkt is tot de vraag of een dwangsom verschuldigd is. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van

mr. W. Dekkers, griffier, op 10 oktober 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. drs. S.J. Willems-Ruesink

Griffier

  • mr. W. Dekkers

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand