ECLI:NL:RBZWB:2025:6891

ECLI:NL:RBZWB:2025:6891, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 01-10-2025, BRE 24/3267

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 01-10-2025
Datum publicatie 24-10-2025
Zaaknummer BRE 24/3267
Rechtsgebied Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Middelburg
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537

Samenvatting

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om een aan hem opgelegde last onder dwangsom op te heffen. Eiser heeft het college op 29 november 2023 verzocht om de eerder aan hem opgelegde last onder dwangsom – ter zake het perceel X te Hulst (perceel) – op te heffen, omdat de last onuitvoerbaar is door funderingsproblemen. Het college heeft deze aanvraag bij besluit van 30 januari 2024 afgewezen. Eiser heeft in bezwaar verzocht om in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter, wat het college ook heeft gedaan. Tijdens de mondelinge behandeling was tussen partijen in discussie in hoeverre nieuwe bevindingen over – onder meer – de fundering van het achterhuis van het pand en de (on-)mogelijkheid om gelet daarop met name de achtergevel te behouden en de in de last opgelegde herstelmaatregelen nog uit te voeren, een rol kunnen spelen bij de beoordeling van het bestreden besluit. De rechtbank heeft partijen voorgehouden dat zij ook bij een rechtstreeks beroep is gebonden het besluit de beoordelen met inachtneming van de ten tijde van dat besluit bekende feiten en omstandigheden. Nu er tussen partijen nog discussie is over de nieuwe bevindingen, acht de rechtbank de zaak om niet geschikt voor rechtstreeks beroep. Terugverwijzing naar de bezwaarprocedure.

Uitspraak

[eiser] , uit [plaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. T.N. Sanders),

en

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hulst, college,

(gemachtigde: mr. A. Schreijenberg).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed uit Amersfoort (RCE).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om een aan hem opgelegde last onder dwangsom op te heffen.

Eiser heeft het college op 29 november 2023 verzocht om de eerder aan hem opgelegde last onder dwangsom – ter zake het perceel aan [adres] (perceel) – op te heffen, omdat de last onuitvoerbaar is door funderingsproblemen. Het college heeft deze aanvraag bij besluit van 30 januari 2024 afgewezen. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 30 januari 2024 en het college tevens verzocht om in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter. Het college heeft ingestemd met het verzoek het bezwaarschrift direct in beroep te behandelen en heeft het bezwaarschrift naar de rechtbank doorgestuurd. Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het besluit van 30 januari 2024 op 1 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. G.C. Vergouwen en vergezeld door ing. [naam 1] . Het college heeft zich laten vertegenwoordigen zijn gemachtigde en door [naam 2] , vergezeld door ing. [naam 3] . De RCE is vertegenwoordigd door [naam 4] .

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank mondeling uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

2. Op grond van artikel 7:1a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

kan de indiener – in afwijking van het bepaalde in artikel 7:1 van de Awb – in het bezwaarschrift het bestuursorgaan verzoeken in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter. Het bestuursorgaan kan op grond van artikel 7:1, derde lid, van de Awb instemmen met het verzoek als het de zaak daarvoor geschikt acht.

2. Eiser heeft het college verzocht om in te stemmen met het instellen van rechtstreeks beroep teneinde het beroep gelijktijdig te doen behandelen met het destijds bij de rechtbank al aanhangige beroep in de procedure BRE 23/3115. Deze beroepsprocedure zag op de door het college aan eiser opgelegde last onder dwangsom ter zake het treffen van noodzakelijke herstelmaatregelen met het oog op onder meer de instandhouding van het Rijksmonument op het perceel. De rechtbank heeft bij de behandeling van dat beroep het beroep tegen het besluit van 30 januari 2024 niet meegenomen. Naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank over de last onder dwangsom van 18 juli 2024 heeft eiser hoger beroep ingesteld. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) heeft op 17 september 2025 uitspraak gedaan in de hoger beroepsprocedure. Ook de AbRS heeft de opgelegde last onder dwangsom in stand gelaten, met dien verstande dat de begunstigingstermijn is verlengd.

3. Tijdens de mondelinge behandeling was tussen partijen in discussie in hoeverre nieuwe bevindingen over – onder meer – de fundering van het achterhuis van het pand en de (on-)mogelijkheid om gelet daarop met name de achtergevel te behouden en de in de last opgelegde herstelmaatregelen nog uit te voeren, een rol kunnen spelen bij de beoordeling van het bestreden besluit. De rechtbank heeft partijen voorgehouden dat zij ook bij een rechtstreeks beroep is gebonden het besluit de beoordelen met inachtneming van de ten tijde van dat besluit bekende feiten en omstandigheden. Nu er tussen partijen nog discussie is over de nieuwe bevindingen, acht de rechtbank de zaak om niet geschikt voor rechtstreeks beroep. Daarbij komt nog dat de rechtbank het ook dienstig acht dat partijen over die stukken en bevindingen in gesprek gaan om te voorkomen dat eiser een nieuw opheffingsverzoek doet en daarover weer een procedure wordt gevoerd.

Conclusie en gevolgen

4. Het college heeft ten onrechte ingestemd met het instellen van rechtstreeks beroep. De rechtbank zal bepalen dat het college het beroepschrift als bezwaarschrift behandelt. Het beroepschrift zal ook worden teruggezonden naar het college.

Beslissing

De rechtbank bepaalt dat het college het beroepschrift als bezwaarschrift behandelt.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2025 door mr. R.P. Broeders, voorzitter, en mr. A.G.J.M. de Weert en mr. S. Hindriks, leden, in aanwezigheid van mr. S.J.E. Loontjens, griffier.

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. R.P. Broeders
  • mr. A.G.J.M. de Weert
  • mr. S. Hindriks

Griffier

  • mr. S.J.E. Loontjens

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand