RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 11653674 \ CV EXPL 25-1838
Vonnis van 8 oktober 2025
in de zaak van
[de huurder] ,
te [plaats] ,
eisende partij in verzet,
hierna te noemen: [de huurder] ,
in deze zaak procederende met toevoeging onder nummer [nummer] ,
gemachtigde: mr. F. Günes,
tegen
STICHTING ACHMEA DUTCH RESIDENTIAL FUND,
te Amsterdam-Duivendrecht,
gedaagde partij in verzet,
hierna te noemen: Stichting Achmea ,
gemachtigde: mr. E.A.J.M. van de Wijngaard.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verstekvonnis van de kantonrechter te Breda van 24 december 2024 met zaaknummer 11441907 CV EXPL 24-6122, met de daarin genoemde stukken;
- de verzetdagvaarding van 4 april 2025, met producties;
- het tussenvonnis van 7 mei 2025;
- de mondelinge behandeling van 15 juli 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- het op de mondelinge behandeling door Stichting Achmea overgelegde overzicht van de huurachterstand;
- het e-mailbericht van 8 september 2025 van Stichting Achmea;
- het e-mailbericht van 9 september 2025 van [de huurder] .
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De zaal om het kort
[de huurder] is het niet eens met het verstekvonnis en komt daartegen in verzet. Zij vordert vernietiging van het verstekvonnis van 3 december 2024 en afwijzing van de vorderingen van Stichting Achmea. Ook wil zij veroordeling van Stichting Achmea in de proceskosten. In het verstekvonnis is de huurovereenkomst ontbonden en is beslist dat [de huurder] en haar ex-partner [persoon] de woning moeten verlaten. Ook zijn [de huurder] en haar ex-partner veroordeeld tot betaling van een huurachterstand en een gebruikersvergoeding. Haar ex-partner is al enige tijd niet meer woonachtig bij haar. Volgens [de huurder] heeft hij zich inmiddels ook uitgeschreven bij de gemeente op het adres van het gehuurde. [de huurder] erkent dat er een huurachterstand is ontstaan, maar omdat er sprake is van bijzondere omstandigheden wil zij dat de huurovereenkomst niet wordt ontbonden.
[de huurder] heeft tijdens de mondelinge behandeling (nader) toegelicht dat zij een verzoekschrift moratorium heeft ingediend, maar dat het verzoek is afgewezen. De kantonrechter heeft de zaak aangehouden om [de huurder] in de gelegenheid te stellen de mogelijkheden van WSNP te onderzoeken, te informeren hoe hoog de huidige schuld is bij een schuldeiser waardoor er beslag is gelegd op haar rekening en om een herberekening van de beslagvrije voet te laten maken. Op de daartoe bepaalde rolzitting hebben partijen medegedeeld dat [de huurder] tegen de afwijzing van het verzoekschrift moratorium een voorlopige voorziening voor de duur van zes maanden en een verzoek tot opschorting van het loonbeslag heeft ingediend. Beide verzoeken zijn afgewezen. [de huurder] heeft ook nog medegedeeld dat haar beslagvrije voet is aangepast, waardoor er sprake is van een hogere beslagvrije voet.
De kantonrechter zal het vonnis van 24 december 2024 grotendeels bekrachtigen, behalve de ontruimingstermijn. Die zal worden vernietigd en er zal een langere ontruimingstermijn worden toegewezen. Hieronder zal worden toegelicht waarom dat zo is.
3. De beoordeling
Het verzet is tijdig gedaan
Niet gebleken is dat [de huurder] te laat in verzet is gekomen, zodat de kantonrechter haar ontvankelijk acht in het verzet. Dit betekent dat de procedure wordt heropend en de vorderingen van Stichting Achmea tot – kort samengevat – ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming van de woning, betaling van de huur- en gebruiksvergoeding en kosten hierna verder inhoudelijk zullen worden beoordeeld.
Huurachterstand
Vaststaat dat er sprake is van een huurachterstand. In het verstekvonnis is een achterstand toegewezen die toen € 4.452,69 bedroeg, over de periode augustus 2024 tot en met oktober 2024. Hoe groot deze achterstand inmiddels is, is niet helemaal duidelijk. [de huurder] heeft gesteld dat zij de huur van € 1.213,29 over de maand september 2025 heeft betaald, maar door Stichting Achmea wordt gesteld dat de huur nog steeds niet wordt betaald. Tijdens de mondelinge behandeling op 15 juli 2025 heeft [de huurder] erkend dat de achterstand op dat moment € 14.033,79 bedroeg. Dit betekent dat [de huurder] in ieder geval twaalf maanden niet haar verplichting is nagekomen om de huur (op tijd) te betalen.
Ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning
Met betrekking tot de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde overweegt de kantonrechter als volgt. De huurder is verplicht om de huur op tijd en volledig te betalen. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. De kantonrechter wijst een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst alleen toe als de huurachterstand ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen. Vaak zal een achterstand van meer dan drie maanden genoeg zijn, maar de kantonrechter moet alle omstandigheden afwegen. Van belang is bijvoorbeeld ook of de huur weer wordt betaald en of de achterstand (deels) is ingelopen.
[de huurder] stelt zich op het standpunt dat haar financiële problemen zijn ontstaan nadat er beslag is gelegd op haar inkomen. Dit beslag is niet juist berekend, omdat er te weinig rekening is gehouden met de beslagvrije boet. Haar ex-partner heeft zich bovendien pas in april 2025 uitgeschreven bij de gemeente op het adres van het gehuurde en dit heeft een rol gespeeld bij de kindertoeslag die zij ontvangt.
Omdat de huurachterstand zodanig is opgelopen en er na de mondelinge behandeling geen concreet uitzicht is op een oplossing voor de financiële situatie van [de huurder] maakt het voorgaande niet dat de (oorspronkelijke) vordering van Stichting Achmea niet kan worden toegewezen. Betalingsonmacht kan [de huurder] namelijk niet ontslaan van haar betalingsverplichtingen.
De kantonrechter overweegt dat op grond van artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind de belangen van kinderen een eerste overweging moeten vormen. Dat betekent niet dat een huurovereenkomst met een huurder met een minderjarig kind niet mag worden ontbonden. De ouders van een minderjarig kind zijn in principe verantwoordelijk voor tekortkomingen die tot een ontbinding en daaropvolgende ontruiming kunnen leiden. Het ligt dan ook in de eerste plaats op de weg van de ouders zelf om de nadelige effecten van de ontbinding en ontruiming voor hun kind zoveel mogelijk te beperken. Er bestaat de mogelijkheid om, indien daarbij hulp nodig is, hulpverlenende instanties in te schakelen. Als er toch een noodsituatie dreigt, bijvoorbeeld omdat het kind letterlijk op straat komt te staan, dan kan dat – mede afhankelijk van de overige omstandigheden – een belemmering voor ontruiming zijn. Hoewel [de huurder] stelt dat zij niet bij familie terecht kan, neemt dat niet weg dat zij hulpverlenende instanties kan inschakelen. Vanwege de aanwezigheid van de kinderen stelt de kantonrechter wel een ruimere ontruimingstermijn vast van twee maanden na betekening van dit vonnis. Dit geeft [de huurder] de gelegenheid om met behulp van hulpverlenende instanties datgene te doen wat nodig is om een ander onderkomen te zoeken.
Conclusie
Gelet op het bovenstaande zal de kantonrechter het verstekvonnis ten aanzien van de ontbinding van de huurovereenkomst, de huurachterstand, de gebruikersvergoeding, de buitengerechtelijke incassokosten, de afwijzing van de gevorderde machtiging van Stichting Achmea om de ontruiming zelf te (doen) uitvoeren en de proceskostenveroordeling uit het verstekvonnis bekrachtigen. De kantonrechter zal voor wat betreft de ontruimingstermijn het vonnis vernietigen en hierover opnieuw een oordeel geven. Dit oordeel houdt in dat de ontruimingstermijn wordt vastgesteld op twee maanden na betekening van het vonnis.
[de huurder] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Stichting Achmea worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
339,00
(1 punt × € 339,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
474,00
4. De beslissing
De kantonrechter:
bekrachtigt het verstekvonnis van de kantonrechter van 24 december 2024 met zaaknummer 11441907 CV EXPL 24-6122 ten aanzien van de daar uitgesproken ontbinding van de huurovereenkomst, de huurachterstand, de gebruikersvergoeding, de buitengerechtelijke incassokosten, de afwijzing van de gevorderde machtiging van Stichting Achmea om de ontruiming zelf te (doen) uitvoeren en de proceskostenveroordeling uit het verstekvonnis;
vernietigt het verstekvonnis van de kantonrechter van 24 december 2024 met zaaknummer 11441907 CV EXPL 24-6122 ten aanzien van het overige en oordeelt voor dit deel opnieuw:
veroordeelt [de huurder] om binnen twee maanden na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Stichting Achmea zijn, en de sleutels af te geven aan Stichting Achema,
veroordeelt [de huurder] in de proceskosten van Stichting Achmea in de verzetprocedure van € 474,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [de huurder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart de hierboven genoemde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Badal en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2025.