RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Bergen op Zoom
Zaaknummer: 11358756 \ CV EXPL 24-3497
Vonnis van 1 oktober 2025
in de zaak van
DE BUITENLANDSE RECHTSPERSOON UNIVERSITAIR ZIEKENHUIS ANTWERPEN,
gevestigd te Edegem (België),
eisende partij,
hierna te noemen: UZA,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding 13 september 2024 met producties 1 tot en met 3,- de aantekeningen van de griffier van de rolzitting van 23 oktober 2024 met daarin het mondelinge antwoord,
- de aantekeningen van de griffier van de rolzitting van 20 november 2024 met daarin het aanvullende mondelinge antwoord met producties,- de conclusie van repliek,- de aantekeningen van de griffier van de rolzitting van 29 januari 2025 met daarin de conclusie van dupliek met producties.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
[gedaagde] heeft (meerdere) behandelingen in het ziekenhuis van UZA ondergaan.
3. Het geschil
UZA vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen € 2.325,96, te vermeerderen met de Belgische wettelijke consumentenrente, gerekend over € 2.751,28 vanaf de dag na 10 september 2024 tot en met de dag van volledige betaling, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
Aan haar vordering heeft UZA ten grondslag gelegd dat zij diverse medische prestaties heeft geleverd aan [gedaagde] . Deze worden niet vergoed door de Nederlandse zorgverzekering van [gedaagde] . UZA heeft de kosten daarom bij [gedaagde] in rekening gebracht. Zij heeft op 13 mei 2020, 17 juli 2020 en tweemaal op 14 oktober 2020 facturen aan [gedaagde] gezonden voor een totaalbedrag van € 2.556,28. [gedaagde] heeft op 21 augustus 2023 een betaling van € 487,00 gedaan, maar ondanks diverse herinneringen en aanmaningen heeft [gedaagde] het overige niet voldaan.
[gedaagde] voert verweer. Hij voert aan dat hij al sinds 2010 onder behandeling is bij het UZA. De facturen worden normaal gesproken rechtstreeks naar zijn zorgverzekeraar CZ toegestuurd. Op enig moment is er kennelijk een administratieve wijziging geweest waardoor UZA steeds een akkoordverklaring van CZ moest verkrijgen. Daarbij is volgens de administratieve afdeling van UZA iets misgegaan en dit zou worden opgelost. [gedaagde] heeft vervolgens niets meer van het UZA gehoord. [gedaagde] voert aan dat hij de facturen, brieven en aanmaningen nooit heeft ontvangen, behoudens de brief van 20 juli 2022. Na deze brief heeft UZA ruim 2,5 jaar gewacht met dagvaarden. Daarnaast ontbreken de specificaties bij de facturen van het UZA, komen de factuurnummers niet overeen en is de factuur met [factuurnummer 1] volledig door CZ betaald.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
bevoegdheid en toepasselijk recht
De kantonrechter zal eerst onderzoeken of zij bevoegd is om dit geschil te beoordelen, en zo ja, welk recht daarbij van toepassing is. Het betreft namelijk een geschil met een internationaal karakter, omdat het UZA in België gevestigd is en [gedaagde] in Nederland woont.
Voor de beoordeling van de vraag welke rechter in de zaak bevoegd is, is de Brussel I bis-verordening bepalend, aangezien het gaat om een burgerlijke of handelszaak, zoals bedoeld in artikel 1 lid 1 van die verordening. Uit de hoofdregel van artikel 4 lid 1 Brussel I bis-verordening volgt dat de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van dit geschil, aangezien [gedaagde] in Nederland woonachtig is. Meer specifiek is de kantonrechter in [plaats] bevoegd, op grond van artikelen 93 sub a en 99 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
Voor de beoordeling van de vraag welk recht dient te worden toegepast, is de Rome I-verordening bepalend. Gesteld noch gebleken is dat partijen een rechtskeuze zijn overeengekomen, zoals bedoeld in artikel 3 van die verordening. Op grond van artikel 4 lid 1 sub b Rome I-verordening is daarom op deze zaak Belgisch recht van toepassing, omdat het UZA, als dienstverlener, in België gevestigd is. Bij gebrek aan andersluidende informatie gaat de kantonrechter er vanuit dat de gestelde medische prestaties uitsluitend zijn uitgevoerd in België, zodat het feit dat [gedaagde] een consument is niet tot een ander oordeel leidt (artikel 6 lid 4 sub a Rome I-verordening). De conclusie is dat deze vordering naar Belgisch recht moet worden beoordeeld.
inhoudelijk
UZA vordert betaling van de volgende facturen:
Factuurnummer/omschrijving Factuurdatum Bedrag
[factuurnummer 2] 13-5-2020 € 18,87
[factuurnummer 3] 15-7-2020 € 46,81
[factuurnummer 4] 14-10-2020 € 884,39
[factuurnummer 1] 14-10-2020 € 1.606,21
UZA heeft deze facturen in het geding gebracht, maar daaruit volgt niet op welke medische prestaties deze facturen zien. In de omschrijving van de facturen wordt namelijk verwezen naar “zie bijlage”, maar de bijlagen zijn door UZA niet overgelegd.
Hoewel [gedaagde] op zichzelf niet heeft betwist dat hij medische behandelingen bij UZA heeft ondergaan, heeft hij wel aangevoerd dat onduidelijkheid bestaat omtrent de facturen. Zo wijst hij erop dat de factuurnummers niet kloppen en dat in elk geval de factuur met nummer [factuurnummer 1] wel degelijk door CZ is voldaan. [gedaagde] betwist dan ook dat hij op grond van de geleverde medische prestaties de door UZA gestelde kosten verschuldigd is. Bij die stand van zaken lag het op de weg van UZA om haar vordering meer handen en voeten te geven, hetgeen zij niet, althans onvoldoende heeft gedaan. De vordering wordt daarom afgewezen.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, behoeven de overige verweren van [gedaagde] geen nadere bespreking.
De kantonrechter merkt nog op dat [gedaagde] bij conclusie van dupliek heeft aangevoerd dat hij een schadeclaim wenst in te dienen tegen UZA. Voor zover [gedaagde] daarmee heeft beoogd een reconventionele vordering (tegeneis) in te stellen, is dat te laat. In artikel 137 Rv is immers bepaald dat een tegeneis bij conclusie van antwoord moet worden ingediend. De kantonrechter gaat hier dan ook aan voorbij.
UZA is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. [gedaagde] heeft geen gemachtigde, maar is wel tweemaal ter zitting verschenen. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten van [gedaagde] vastgesteld op een forfaitair bedrag van € 100,00 aan reis-, verblijf- en verletkosten.
5. De beslissing
De kantonrechter
wijst de vorderingen van UZA af,
veroordeelt UZA in de proceskosten van € 100,00, te betalen aan [gedaagde] binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als UZA niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van der Burgt en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2025.