RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: 11371778 \ CV EXPL 24-3639
Vonnis van 15 oktober 2025
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. A.J.K. Fluit,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. V.L. Bosch.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 12 februari 2025 en de daarin genoemde stukken,
- de akte van [eiser] met aanvullende producties 12 tot en met 16,
- de mondelinge behandeling van 28 augustus 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Ter zitting is vonnis bepaald.
2. De feiten
[eiser] is verhuurder geweest van de panden gelegen aan [adres 1] , [adres 2] en [adres 3] te [plaats 2] (hierna: ‘het gehuurde’). Zij verhuurde deze panden aan [gedaagde] . Tussen partijen is een geschil ontstaan, waarna zij de huurrelatie hebben beëindigd door middel van een vaststellingsovereenkomst. Deze overeenkomst is door beide partijen ondertekend op 12 en 13 juni 2024.
In de vaststellingsovereenkomst zijn, voor zover van belang, de volgende punten opgenomen:
‘3. Oplevering van de gebouwen en terrein geschied conform de huurovereenkomst (m.u.v. de hierna te noemen veranderingen (zie punt 5)) en in de staat zoals beschreven is bij aanvang huur. (…)’
‘3. Partijen zijn overeengekomen dat de nutsvoorzieningen (gas/water/licht) feitelijk nog (moeten) worden afgerekend over de periode 1 maart 2024 tot het moment van oplevering over het werkelijk gebruik. Voor het overige doen Partijen over en weer afstand van hun vorderingen. Ter voorkoming van enige twijfel: Verhuurder zal geen aanspraak maken op huurpenningen, boetes en/of andere met de Huurovereenkomsten samenhangende vorderingen – anders dan de feitelijke afrekening van de nutsvoorzieningen en gebreken aan het gehuurde bij oplevering – hoegenaamd ook. (…)’
‘5. Huurder heeft een doorgang tussen de panden gemaakt en daarbij bepaalde onderdelen van het gehuurde verwijderd. Voorts is het systeemplafond (gedeeltelijk) verwijderd. Verhuurder heeft haar geleden schade begroot en wenst ter compensatie daarvan twee nieuwe elektrische scooters van Huurder te ontvangen. Huurder stemt daarmee in en verplicht zich om binnen zes weken na Oplevering kosteloos twee nieuwe elektrische scooters, kleur zwart, inclusief afleverkosten, registratie op kenteken, snelladers en andere benodigde toebehoren, te leveren aan Verhuurder, ter compensatie voor voormelde schade.’
Het gehuurde is op 17 juni 2024 opgeleverd.
3. Het geschil
[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 13.801,67 (bestaande uit € 3.168,40 voor eindafrekening nutsvoorzieningen, € 9.715,09 voor gebreken bij oplevering, € 14,35 aan reeds verschenen wettelijke handelsrente tot en met 9 september 2024 en € 903,83 aan buitengerechtelijke incassokosten), vermeerderd met de wettelijke handelsrente over een bedrag van € 12.883,49 vanaf 10 september 2024 tot de dag der voldoening. Daarnaast vordert [eiser] [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke handelsrente.
[eiser] legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] de gevorderde eindafrekening van de nutsvoorzieningen en de kosten voor herstel van de gebreken is verschuldigd op grond van de vaststellingsovereenkomst. Zij stelt dat partijen niets meer van elkaar hebben te vorderen, behalve de feitelijke afrekening van de nutsvoorzieningen en gebreken aan het gehuurde bij oplevering. De oplevering van het gehuurde diende te geschieden conform de huurovereenkomsten. [gedaagde] heeft het gehuurde echter niet in de staat opgeleverd zoals het was bij aanvang van de huurovereenkomsten. Daarnaast ziet de bepaling onder randnummer vijf van de vaststellingsovereenkomst specifiek op de schade die is ontstaan door de door [gedaagde] gemaakte doorgang tussen de panden, waarbij bepaalde onderdelen van het gehuurde en van het systeemplafond zijn verwijderd. De herstelkosten voor de gebreken bij oplevering dienen dan ook door [gedaagde] te worden vergoed.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid dan wel ongegrondverklaring van de vorderingen van [eiser] , althans [eiser] de vorderingen te ontzeggen. [gedaagde] stelt dat sprake is van schending van de waarheidsplicht ex artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, omdat [eiser] niet heeft vermeld dat het gehuurde inmiddels is verkocht. Op het moment van dagvaarden (27 september 2024) was het gehuurde al verkocht. Er is daarom sprake van een gebrek aan belang ex artikel 3:303 Burgerlijk Wetboek (hierna: ‘BW’), nu [eiser] niet langer eigenaar is van het gehuurde en de offerte voor herstel slechts een vrijblijvende offerte betreft. De schade aan het gehuurde wordt niet betwist; partijen hebben in de vaststellingsovereenkomst immers precies benoemd welke schade is ontstaan. [eiser] heeft haar totale schade tijdens de onderhandelingen begroot, waarbij voor alle schade samen compensatie is overeengekomen in de vorm van twee elektrische scooters. [gedaagde] betwist echter de interpretatie van de vaststellingsovereenkomst zoals voorgesteld door [eiser] .
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Afrekening nutsvoorzieningen
[eiser] vordert een bedrag van € 3.168,40 voor de eindafrekening van de nutsvoorzieningen. De hoogte van dit bedrag is niet door [gedaagde] betwist en er zijn geen verweren gevoerd tegen de grondslag van de vordering. De kantonrechter is van oordeel dat de vordering niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt en zal deze daarom toewijzen.
Gebreken bij oplevering
[eiser] vordert tevens een bedrag van € 9.715,09 aan herstelkosten voor gebreken aan het gehuurde bij oplevering. Ten aanzien van deze gebreken overweegt de kantonrechter als volgt.
Na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst heeft de oplevering van het gehuurde plaatsgevonden op 17 juni 2024. [eiser] heeft gesteld dat [gedaagde] bij de oplevering aanwezig was, wat niet is betwist. De kantonrechter gaat hier dan ook van uit. Tijdens de oplevering zijn gebreken geconstateerd die niet onder randnummer vijf van de vaststellingsovereenkomst vallen. [eiser] vordert daarom vergoeding van deze herstelkosten. [gedaagde] betwist de aanwezigheid van deze gebreken niet. Voor het herstel zijn twee offertes opgevraagd, waaruit blijkt dat de totale kosten zijn begroot op € 9.715,09 inclusief btw. Het doel van deze herstelkosten was om het gehuurde terug te brengen in de staat waarin het verkeerde bij aanvang van de huur.
[gedaagde] voert verweer en stelt dat het gehuurde inmiddels is verkocht, hetgeen niet door [eiser] is medegedeeld, en dat de uitleg van de vaststellingsovereenkomst met zich meebrengt dat [eiser] geen aanspraak kan maken op vergoeding van eventuele gebreken bij oplevering. Naar het oordeel van de kantonrechter slaagt dit verweer niet.
Uit de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst blijkt expliciet dat partijen alleen een regeling hebben getroffen voor de vergoeding van de door [gedaagde] gemaakte doorgang tussen de panden, waarbij bepaalde onderdelen van het gehuurde en het systeemplafond zijn verwijderd. Partijen zijn uitdrukkelijk overeengekomen dat de oplevering van het gehuurde conform de huurovereenkomst zal plaatsvinden en dat de finale kwijting geen betrekking heeft op eventuele gebreken die voortvloeien uit de oplevering. [gedaagde] had het gehuurde dan ook moeten opleveren in de staat zoals bij aanvang van de huurovereenkomsten, met uitzondering van de aanpassingen zoals genoemd onder randnummer vijf van de vaststellingsovereenkomst.
Tijdens de procedure is gebleken dat het gehuurde op 31 december 2024 is verkocht. De verkoop heeft pas plaatsgevonden na het uitbrengen van de dagvaarding. De kantonrechter is van oordeel dat er geen sprake is van schending van de waarheidsplicht en dat er geen gebrek aan belang bestaat, aangezien de vergoedingsverplichting voortvloeit uit de vaststellingsovereenkomst en het hier niet gaat om een schadevergoeding. De verkoop van het gehuurde ontslaat [gedaagde] niet van zijn verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst en de daaraan verbonden kosten om het gehuurde terug te brengen in de staat waarin het verkeerde bij aanvang van de huur. Het feit dat [eiser] het gehuurde niet heeft hersteld voorafgaand aan de verkoop doet hieraan niet af. Daarbij weegt mee dat [eiser] heeft gesteld dat de geconstateerde gebreken invloed hebben gehad op de verkoopprijs van het gehuurde.
Nu de hoogte van het gevorderde bedrag aan vergoeding voor herstel van de gebreken niet gemotiveerd is betwist en de uitleg van de overeenkomst meebrengt dat [gedaagde] gehouden is tot vergoeding van de kosten die noodzakelijk zijn om [eiser] in staat te stellen het gehuurde in dezelfde staat terug te brengen als bij aanvang van de huur, wordt dit deel van de vordering toegewezen.
Conclusie
De conclusie van al het voorgaande is dat de kantonrechter de gevorderde hoofdsom van € 12.883,49 zal toewijzen.
[eiser] vordert daarnaast wettelijke handelsrente over de hoofdsom als bedoeld in artikel 6:119a BW. Tegen de verschuldigdheid van de wettelijke handelsrente is door [gedaagde] geen verweer gevoerd. De gevorderde wettelijke handelsrente van € 14,35 tot en met 9 september 2024 en de gevorderde wettelijke handelsrente over een bedrag van € 12.883,49 vanaf 10 september 2024 tot de dag van volledige betaling, wordt toegewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 903,83 worden toegewezen.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
139,42
- griffierecht
€
706,00
- salaris gemachtigde
€
812,00
(2 punten × € 406,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.792,42
De gevorderde wettelijke handelsrente over de proceskosten wordt afgewezen, nu het niet mogelijk is om wettelijke handelsrente toe te wijzen over de proceskosten. In plaats daarvan zal de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over de proceskosten worden toegewezen.
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 12.897,84, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 12.883,49, met ingang van 10 september 2024, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 903,83 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.792,42, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Bosters en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2025.