RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Cluster II Handelszaken
Breda
Zaaknummer: C/02/433085 / HA ZA 25-153
Vonnis van 15 oktober 2025
in de zaak van
1. [naam 1] ,
wonende te [plaats] ,
2. [naam 2],
wonende te [plaats] ,
eisers in conventie,
verweerders in reconventie,
advocaat mr. R.H.U. Keizer te Roosendaal,
tegen
[naam 3] ,
wonende te [plaats] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat mr. J.M. Remijn te 's-Hertogenbosch.
Partijen zullen hierna [partij 1] c.s. en [partij 2] worden genoemd.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 28 mei 2025
- het proces-verbaal van decente van 29 augustus 2025
- de mondelinge behandeling van 29 augustus 2025, waarvan door de griffier zittingsaantekeningen zijn gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
[partij 1] c.s. en [partij 2] zijn buren van elkaar. [partij 1] c.s. hebben hun percelen (thans [kadastrale gegevens 1] , [nummer 1] en [nummer 2] ) op 31 oktober 1997 geleverd gekregen. [partij 2] heeft zijn naastgelegen perceel (thans [kadastrale gegevens 2] , [nummer 3] ) in 1997 gekocht en geleverd gekregen van zijn ouders die er sinds 1985 woonden.
De percelen van partijen worden al sinds 1967 feitelijk afgescheiden door een betonnen schutting die destijds door een van de rechtsvoorgangers van [partij 1] c.s. geplaatst is. Onbekend is wat de reden voor het plaatsen van de schutting is geweest en of daarover destijds door de rechtsvoorgangers van partijen afspraken zijn gemaakt.
De ouders van [partij 2] hebben in 1985 een houtopslag gebouwd vanaf de gevel van hun woning tot tegen de betonnen schutting aan. In 1986 hebben de ouders van [partij 2] riolering in de strook grond aangebracht. Aan de voorzijde van de percelen heeft aan beide zijden van de betonnen schutting altijd beplanting gestaan (een beukenhaag en coniferenhaag). Aan de voorzijde van de percelen is dat aan de zijde van [partij 2] nog steeds het geval.
In de leveringsakte van [partij 1] c.s. is expliciet als feit opgenomen dat de kadastrale grenzen van het verkochte afwijken van de feitelijke grenzen, wat bij benadering door de notaris is aangegeven op een aan de leveringsakte gehechte kadastrale schets.
In 2022, toen [partij 1] c.s. een nieuwe woning op hun perceel zijn gaan bouwen, is tussen partijen discussie ontstaan over de erfgrens en tot wiens erf de achter de betonnen schutting gelegen strook grond behoort. Door de bouwwerkzaamheden is in het midden een gedeelte van de oude betonnen schutting weg. Op die plaats staat nu onder andere de muur van de garage van de nieuwbouwwoning van [partij 1] c.s. Voor het overige worden de percelen nog steeds afgescheiden door de betonnen schutting.
In opdracht van [partij 1] c.s. heeft het Kadaster op 21 juli 2023 een grensreconstructie uitgevoerd. De bevindingen daarvan hebben [partij 1] c.s. als productie 19 overgelegd. Op basis van deze grensreconstructie stellen [partij 1] c.s. dat de betonnen schutting en een daarachter gelegen strook grond tot hun perceel behoren. [partij 2] is het daarmee niet eens. Partijen hebben de discussie over de strook grond niet kunnen beslechten waarna [partij 1] c.s. deze procedure begonnen zijn.
De driehoekige arcering op onderstaande kaart geeft weer over welke strook grond (hierna: de strook grond) partijen in geschil zijn:
3. Het geschil
in conventie
[partij 1] c.s. vorderen – kort samengevat en naar de rechtbank begrijpt – dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat de strook grond hun eigendom is en tot hun perceel behoort,
II. [partij 2] veroordeelt om onder last van een dwangsom binnen 7 dagen de strook grond te ontruimen en blijvend te verlaten,
III. [partij 2] veroordeelt in de proceskosten.
Volgens [partij 1] c.s. behoort de achter de betonnen schutting gelegen strook grond blijkens het Kadaster tot hun perceel en wordt deze strook zonder recht of titel door [partij 2] onder zich gehouden. [partij 1] c.s. vorderen daarom een verklaring voor recht en ontruiming, zodat zij de strook grond feitelijk weer bij hun eigen perceel kunnen voegen.
[partij 2] betwist dat de strook grond kadastraal gezien tot het perceel van [partij 1] c.s. behoort en stelt dat - voor zover dat wel het geval is - hij, dan wel zijn rechtsvoorgangers, door verjaring eigenaar zijn geworden van de strook grond. [partij 2] stelt daarom in reconventie de volgende vordering in.
in reconventie
[partij 2] vordert in reconventie – kort samengevat – dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat [partij 2] (door verjaring) eigenaar is geworden van de strook grond,
II. [partij 1] c.s. veroordeelt om binnen één maand na betekening van het vonnis op straffe van een dwangsom medewerking te verlenen aan het opmaken van een notariële akte van verjaring, dan wel aan eigendomsoverdracht van de strook grond en vervolgens medewerking te verlenen aan de aanpassing van de kadastrale gegevens,
III. bepaalt dat bij gebreke van medewerking van [partij 1] c.s. aan het bepaalde onder II, dit vonnis in de plaats treedt van de voor het opmaken van een notariële akte van verjaring dan wel een akte van eigendomsoverdracht en wijziging van de kadastrale gegevens vereiste medewerking van [partij 1] c.s.,
IV. [partij 1] c.s. veroordeelt in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met wettelijke rente.
in conventie en in reconventie
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
in conventie en in reconventie
De over en weer door partijen ingestelde vorderingen zullen vanwege hun samenhang hierna gezamenlijk worden behandeld.
Tot welk perceel behoort de strook grond op basis van het kadaster?
[partij 1] c.s. stellen onder verwijzing naar de door het Kadaster in 2023 uitgevoerde grensreconstructie dat de betonnen schutting en de daarachter gelegen strook grond tot hun perceel behoren. [partij 2] is het niet eens met deze grensreconstructie. Onder verwijzing naar een veldwerk uit 1976 stelt [partij 2] zich op het standpunt dat de betonnen schutting in 1967 op de kadastrale erfgrens gebouwd is. De rechtbank volgt hem niet in dit standpunt. [partij 1] c.s. hebben gemotiveerd betwist dat het veldwerk uit 1976 bedoeld was om de erfgrenzen vast te stellen en overtuigend uiteengezet dat het juist [partij 2] is die de daarin vermelde maten onjuist uitlegt. [partij 2] heeft dat niet, althans niet gemotiveerd weersproken. Daarbij komt dat de door het Kadaster in 2023 vastgestelde grensreconstructie overeenstemt met een door [partij 1] c.s. overgelegde meting uit 1977. Uit die meting volgt eveneens dat de betonnen schutting, met de daarachter gelegen strook grond, kadastraal bezien tot het perceel van [partij 1] c.s. behoort. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat deze strook grond blijkens de kadastrale gegevens tot het perceel van [partij 1] c.s. behoort en dat de betonnen schutting dus niet op de erfgrens staat. Om die reden dienen [partij 1] c.s. in beginsel als eigenaren van de strook grond tussen de kadastrale erfgrens en de feitelijke erfgrens (de betonnen schutting) te worden aangemerkt. Dat brengt echter nog niet mee dat [partij 1] c.s. ook daadwerkelijk aanspraak kunnen maken op de strook grond. [partij 2] of zijn rechtsvoorgangers kunnen immers als bezitter van de strook grond door verjaring hiervan eigenaar zijn geworden waardoor [partij 1] c.s. die eigendom niet meer hebben. De rechtbank beoordeelt dat verweer van [partij 2] hierna.
Het juridisch kader voor verjaring
De vraag of er sprake is van rechtsverkrijging van de strook grond door verjaring dient naar oud BW (hierna: OBW) zoals dat gold tot 1 januari 1992 te worden beoordeeld, nu [partij 2] zich op het standpunt stelt dat het bezit van de strook grond door zijn rechtsvoorgangers al in 1967 (met het plaatsen van de schutting), althans in 1985 (met het plaatsen van de houtopslag) is aangevangen. Om vast te kunnen stellen wie rechthebbende is, dient het verjaringsverweer vanaf dat moment beoordeeld te worden.
Onder het OBW verkregen bezitters te goeder trouw die zich op een wettige titel konden beroepen de eigendom van een onroerende zaak na een onafgebroken verjaringstermijn van twintig jaar (artikel 2000 lid 1 OBW). Van verkrijging van een onroerende zaak krachtens een wettige titel kon onder het regime van het OBW slechts sprake zijn indien was voldaan aan het door artikel 671/671a OBW voor een rechtsgeldige levering van dat goed gestelde eis van overschrijving van een notariële akte in de daartoe bestemde openbare registers. Voor bezitters te goeder trouw zonder wettige titel gold onder het OBW een dertigjarige termijn (artikel 2000 lid 2 OBW).
Het oude recht onthield verkrijgende verjaring aan bezitters te kwader trouw. Wel kende het oude recht een regeling van bevrijdende verjaring waarvoor de eis van goede trouw niet gold (artikel 2004 OBW), inhoudende dat rechtsvorderingen strekkende tot beëindiging van bezit - en daarmee ook de revindicatie - door verloop van dertig jaar verjaarden. Volgens het oude recht had deze bevrijdende verjaring geen eigendomsverkrijging tot gevolg. Anders gezegd: door de verjaring van de revindicatie verloor de eigenaar weliswaar zijn rechtsvordering en kon de bezitter zijn bezit voortzetten, maar daarmee werd de bezitter van het stuk grond nog geen eigenaar hiervan.
Artikel 93 Overgangswet nieuw BW (geldend vanaf 1 januari 1992) bepaalt echter dat artikel 3:105 BW één jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van de wet, derhalve per 1 januari 1993, van toepassing is met betrekking tot degene die alsdan een goed bezit, indien de verjaring van de rechtsvordering tot beëindiging van het bezit is voltooid. In een dergelijk geval heeft de bevrijdende verjaring ook verkrijgende verjaring tot gevolg.
De vraag of sprake is van bezit kan ook naar OBW worden beantwoord aan de hand van dezelfde maatstaven die voor het huidige recht zijn neergelegd in de artikelen 3:107 e.v. BW. Voor de beantwoording van de vraag of iemand een goed in bezit heeft genomen, is onder meer bepalend of hij de feitelijke macht over dat goed is gaan uitoefenen en of hij dit voor zichzelf doet (artikel 3:113 lid 1, jo. artikel 3:107 lid 1 BW). De machtsuitoefening moet zodanig zijn dat deze naar verkeersopvatting het bezit van de oorspronkelijke bezitter teniet doet (HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2743). Enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen zijn onvoldoende voor een inbezitneming (artikel 3:113 lid 2 BW). Of iemand een goed bezit, wordt krachtens artikel 3:107 lid 1 jo. 3:108 BW naar verkeersopvatting objectief beoordeeld, met inachtneming van de regels die in de daaropvolgende wetsartikelen worden gegeven en overigens op grond van uiterlijke feiten. De rol van de verkeersopvatting brengt mee dat bij de aan de orde zijnde vraag de aard en bestemming van het betrokken goed in aanmerking dienen te worden genomen. Alle omstandigheden van het geval dienen tegen elkaar te worden afgewogen, waarbij het primair aankomt op uiterlijke omstandigheden waaruit naar verkeersopvatting een wilsuiting kan worden afgeleid om als rechthebbende op te treden.
Deze maatstaven wijken in de kern niet af van hetgeen gold onder het oude recht, waar ingevolge artikel 1992 OBW sprake moest zijn van een voortdurend en onafgebroken, ongestoord, openbaar en niet dubbelzinnig bezit om door verjaring eigenaar te worden. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om partijen nog de gelegenheid te geven zich bij akte nader uit te laten over het van toepassing zijnde OBW.
Bezit van de strook grond?
De rechtbank zal met inachtneming van het hiervoor uiteengezette juridisch kader beoordelen of en wanneer voor het eerst sprake is geweest van bezit van de betwiste strook door een rechtsvoorganger van [partij 2] .
De rechtbank stelt allereerst vast dat het enkele plaatsen van de betonnen schutting in 1967 onvoldoende is om bezit door de rechtsvoorgangers van [partij 2] aan te nemen. De schutting is immers niet door hen, maar door een rechtsvoorganger van [partij 1] c.s. geplaatst. Onbekend is bovendien met welk doel dat destijds is gebeurd en of er afspraken aan ten grondslag lagen. In het plaatsen van de schutting kan daarom niet worden gezien dat de rechtsvoorgangers van [partij 1] c.s. hun bezit op de strook grond hebben prijsgegeven. Wel heeft de schutting vanaf dat moment tot gevolg gehad dat de strook grond werd afgescheiden van het perceel van [partij 1] c.s. en optisch één geheel is gaan vormen met het perceel van [partij 2] .
Wat wél als een bezitsdaad kan worden aangemerkt is de bouw van een houtopslag in 1985 door de ouders van [partij 2] . Vast staat dat er daarbij is gebouwd tegen de betonnen schutting aan en dus op de strook grond. Ook is niet, althans onvoldoende gemotiveerd weersproken dat de houtopslag aan de voorzijde altijd afgesloten is geweest. Daarmee werd de strook grond feitelijk aan het gebruik door de rechtsvoorgangers van [partij 1] c.s. onttrokken. In het licht van de door [partij 2] overgelegde schriftelijke verklaringen en hetgeen de rechtbank bij de descente heeft waargenomen, hebben [partij 1] c.s. bovendien onvoldoende weersproken dat de strook grond sinds 1967 – en in ieder geval sinds de bouw van de houtopslag – visueel één geheel vormde met de tuin van [partij 2] én dat de strook sindsdien voor [partij 1] c.s. en al hun rechtsvoorgangers niet meer toegankelijk was. Dat het groen aan de voorzijde van het perceel en daarmee de strook grond wellicht op enig moment nog wel toegankelijk is geweest, maakt dit niet anders. Doorslaggevend is dat de strook grond door de schutting en de daarop volgende inrichting feitelijk en visueel deel uitmaakte van het perceel van [partij 2] .
De ontoegankelijkheid van de strook grond is op zichzelf niet beslissend, maar draagt wel bij aan de optische eenheid die is ontstaan. Voor de beoordeling of sprake is van bezit, is juist die optische eenheid doorslaggevend. In het kader van artikel 3:113 lid 2 BW komt het namelijk niet zozeer aan op de vraag of het bezit van de oorspronkelijke bezitter in fysieke zin teniet is gedaan, maar op de vraag of dit naar verkeersopvatting het geval is. Naar verkeersopvatting geldt dat wanneer een strook grond visueel één geheel vormt met het perceel van degene die zich als bezitter gedraagt – bijvoorbeeld doordat de strook op dezelfde wijze is ingericht als de rest van de tuin door een uniforme betegeling en/of een tuin die als één geheel is aangelegd met inbegrip van de strook grond – het bezit van de oorspronkelijke eigenaar tenietgaat. De indruk die door de aanwezigheid van een optische eenheid naar buiten toe wordt gewekt is dan dat de strook deel uitmaakt van het perceel van de inbezitnemer. In deze zaak is die situatie in ieder geval sinds 1985 aan de orde.
Uit alle omstandigheden samen leidt de rechtbank af dat de rechtsvoorgangers van [partij 2] in ieder geval vanaf 1985 de feitelijke macht over de strook grond zijn gaan uitoefenen en zich als rechthebbenden hebben gedragen. Zij hebben immers een bouwwerk op de strook grond geplaatst en de rest van de grond als tuin ingericht en gebruikt, met uitsluiting van de rechtsvoorgangers van [partij 1] c.s. Deze machtsuitoefening was ook voor derden zichtbaar, zodat daaruit de pretentie van eigendom bleek. De aanleg van riolering in de strook grond in 1986 bevestigt dit beeld. [partij 1] c.s. en hun rechtsvoorgangers hadden op grond van al deze waarneembare feiten moeten begrijpen dat hun eigendomsrecht op de strook in gevaar kwam.
Anders dan in de door [partij 1] c.s. aangehaalde uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, is hier wél sprake van machtsuitoefeningen die passen bij eigenaarschap, zoals het bouwen van de houtopslag op de strook grond. Er zijn geen aanwijzingen dat dit gebruik als houder is geschied. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat in ieder geval sinds de bouw van de houtopslag in 1985 sprake is van bezit van de strook grond door de rechtsvoorgangers van [partij 2] . Dat bezit is sindsdien voortdurend, onafgebroken, ongestoord, openbaar en ondubbelzinnig geweest, zoals bedoeld in artikel 1992 OBW.
Gesteld noch gebleken is dat de strook grond bij notariële akte aan (een rechtsvoorganger van) [partij 2] is geleverd, zodat destijds geen sprake was van een wettige titel voor de overdracht van de strook grond. Dit brengt mee dat onder het OBW geen plaats was voor verkrijgende verjaring na een bezit te goeder trouw van twintig jaar (artikel 2000 lid 1 OBW) en alleen sprake kan zijn van verkrijgende verjaring door bezit te goeder trouw, doch zonder wettige titel, gedurende een termijn van dertig jaren (artikel 2000 lid 2 OWB) danwel door bevrijdende verjaring op grond van artikel 2004 OBW waarbij de vordering tot revindicatie eveneens na dertig jaren verjaarde, ongeacht de goede trouw van de bezitter.
Is de strook grond te goeder trouw in bezit genomen?
De volgende vraag, of de strook grond te goeder trouw in bezit is genomen, kan worden beantwoord aan de hand van de maatstaven zoals neergelegd in artikel 3:118 BW en artikel 3:23 BW. Deze bepalingen geven weer hetgeen vóór de inwerkingtreding van het huidige recht reeds gold. Ingevolge artikel 3:118 lid 1 BW is een bezitter te goeder trouw wanneer hij zich als rechthebbende beschouwt en zich ook redelijkerwijze als zodanig mocht beschouwen. Voor het aannemen van goede trouw is het noodzakelijk dat de nodige zorgvuldigheid is betracht om een verkeerde voorstelling van zaken te vorkomen. Hierbij mag, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, enig onderzoek worden gevergd. Goede trouw wordt echter vermoed aanwezig te zijn. Het ontbreken van goede trouw moet worden bewezen door de partij die zich hierop beroept (artikel 3:118 lid 3 BW).
De rechtbank is van oordeel dat de rechtsvoorgangers van [partij 2] te goeder trouw het bezit van de strook grond hebben gehad. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Zoals hiervoor is overwogen, wordt goede trouw vermoed aanwezig te zijn bij inbezitneming. Daartegenover hebben [partij 1] c.s. op hun beurt onvoldoende omstandigheden aangevoerd, waaruit de rechtbank zou kunnen afleiden dat het bezit van de rechtsvoorgangers van [partij 2] desalniettemin niet te goeder trouw was. Het betoog van [partij 1] c.s. dat zij er door kennisname van de kadastrale gegevens van op de hoogte hadden kunnen zijn dat de strook grond niet tot hun perceel behoorde, kan [partij 1] c.s. niet baten. Op grond van artikel 3:23 BW wordt het beroep van een verkrijger van een registergoed op goede trouw niet aanvaard, wanneer dit beroep insluit op onbekendheid met feiten die door raadpleging van de registers zouden zijn gekend. Op grond van artikel 3:16 lid 1 BW worden openbare registers gehouden, waarin feiten die voor de rechtstoestand van registergoederen van belang zijn worden ingeschreven. Kadastrale gegevens (zoals kadastrale kaarten/uitmetingen) maken echter in beginsel geen deel uit van de in dit artikel bedoelde openbare registers.
De verwijzing naar de leveringsakte tussen [partij 1] c.s. en de vorige eigenaar van het perceel van [partij 1] c.s. waarin is vermeld dat de kadastrale grenzen van het verkochte afwijken van de feitelijke grenzen, kan evenmin leiden tot het aannemen van kwade trouw nu deze bepaling geen goederenrechtelijke werking heeft.
Ter zitting hebben [partij 1] c.s. nog aangevoerd dat [partij 2] niet te goeder trouw was omdat ook hij bij verkrijging van zijn perceel door de notaris op afwijkende grenzen is gewezen. Ook daar zal de rechtbank aan voorbijgaan, nu [partij 2] ter zitting heeft verklaard dat de notaris hem op eigen initiatief wel gezegd heeft dat de erfgrenzen onduidelijk zijn, maar dat de notaris hem ook heeft medegedeeld dat er al lang sprake zou zijn van verjaring. Onder die omstandigheden kan geen kwade trouw worden aangenomen. Bovendien wordt een bezitter die te goeder trouw is, geacht te goede trouw te blijven.
De rechtbank komt tot de conclusie dat zowel [partij 2] als zijn rechtsvoorgangers (zijn ouders) er bij de verkrijging van de eigendom van hun perceel op goede gronden van mochten uitgaan dat de strook grond daarvan óók deel uitmaakte, nu deze door de betonnen schutting werd afgescheiden van het naastgelegen perceel en geen feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken op grond waarvan zij er destijds aan hadden moeten twijfelen of de strook grond wel tot hun perceel behoorde.
Is de verjaringstermijn voltooid?
Daarmee komt de rechtbank toe aan de slotvraag, namelijk of de verjaringstermijn is voltooid. Het antwoord op die vraag luidt bevestigend. Vast staat dat het bezit van de strook grond in 1985 is aangevangen, derhalve onder het regime van het OBW. Krachtens artikel 2000 lid 2 OBW kon een bezitter te goeder trouw, doch zonder wettige titel, na verloop van dertig jaren door verkrijgende verjaring eigenaar worden. Met ingang van 1 januari 1992 is het Nieuw BW in werking getreden. Artikel 3:99 BW voorziet in verkrijgende verjaring na tien jaren voor de bezitter te goeder trouw. Op grond van artikel 73 Overgangswet NBW geldt dat, indien de onder het OBW aangevangen termijn langer is dan de onder het Nieuw BW geldende termijn, de kortere termijn beslissend is. Vanaf 1 januari 1992 geldt daarom de kortere verjaringstermijn van 10 jaar. De vóór 1 januari 1992 verstreken bezitstijd telt mee voor de berekening van de kortere verjaringstermijn onder het nieuwe BW, met dien verstande dat de verjaring niet eerder kan intreden dan per 1 januari 1993. Dit brengt mee dat de in 1985 aangevangen verjaringstermijn niet eerst in 2015, na dertig jaar, is voltooid, maar dat de rechtsvoorgangers van [partij 2] reeds in 1995 eigenaar van de strook grond zijn geworden.
Ten overvloede. Zelfs indien zou worden aangenomen dat sprake is geweest van bezit te kwader trouw, leidt dit niet tot een ander resultaat. Artikel 2004 OBW bepaalde dat de rechtsvordering van de eigenaar tot revindicatie na dertig jaren verjaarde, ongeacht de goede trouw van de bezitter (bevrijdende verjaring). Door de werking van het Overgangswet wordt deze termijn bekort tot twintig jaren. Ook in het geval van kwade trouw zou [partij 2] ingevolge artikel 3:105 jo. 3:306 BW door bevrijdende verjaring eigenaar van de strook grond zijn geworden.
Conclusie en proceskosten in conventie
De rechtbank komt tot de conclusie dat het eigendom van de strook grond door verjaring in 1995 is overgegaan op (de rechtsvoorgangers van) [partij 2] en [partij 1] c.s. daarop geen aanspraak meer kunnen doen gelden. De vorderingen in conventie zijn daarom niet toewijsbaar.
Voor zover [partij 1] c.s. subsidiair nog een beroep hebben willen doen op schadevergoeding uit onrechtmatige daad, is ook een dergelijke vordering niet toewijsbaar omdat geen sprake is geweest van kwade trouw.
[partij 1] c.s. zijn in conventie in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [partij 2] in conventie worden begroot op:
- griffierecht
€
331,00
- salaris advocaat
€
1.842,00
(3 punten × € 614,00)
Totaal
€
2.173,00
Tevens zal de rechtbank [partij 1] c.s. veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten, alsmede in de nakosten en de wettelijke rente over de nakosten, een en ander zoals hierna bij de beslissing te melden.
Conclusie en proceskosten in reconventie
Hiervoor is geoordeeld dat [partij 2] door verjaring eigenaar van de strook grond is geworden. Dit brengt mee dat de in verband daarmee door [partij 2] in reconventie onder I gevorderde verklaring voor recht toewijsbaar is.
Verder vordert [partij 2] (onder II) medewerking van [partij 1] c.s. aan de inschrijving van de verjaring, dan wel eigendomsoverdracht en aanpassing van de kadastrale gegevens op straffe van een dwangsom dat [partij 1] c.s. daarmee in gebreke blijven. Daarnaast vordert [partij 2] te bepalen dat het vonnis in de plaats treedt bij gebreke van de vereiste medewerking van [partij 1] c.s.
De regeling van verjaring strekt ertoe dat het recht zich op den duur aansluit bij de feitelijke situatie. Om dit in bij de notaris en bij het Kadaster vast te leggen, is medewerking van [partij 1] c.s. vereist. De rechtbank zal [partij 1] c.s. hiertoe veroordelen. Gezien de langdurige discussie en procedures over de erfgrens heeft [partij 2] er daarnaast belang bij dat dit vonnis in de plaats zal treden van de vereiste medewerking van [partij 1] c.s., mochten zij die medewerking niet verlenen. Omdat de gevorderde toepassing van artikel 3:300 lid 2 BW zal worden toegewezen, heeft [partij 2] geen belang meer bij de vordering tot het opleggen van de dwangsom. De rechtbank zal daarom de onder II gevorderde dwangsom afwijzen.
[partij 1] c.s. zijn ook in reconventie in het ongelijk gesteld en moeten daarom ook de proceskosten in reconventie betalen. De proceskosten aan de zijde [partij 2] worden, nu de tegenvordering voortvloeit uit het verweer in conventie, als volgt begroot:
- salaris advocaat
€
921,00
(3 punten × factor 0,5 × € 614,00)
Totaal
€
921,00
Tevens zal de rechtbank [partij 1] c.s. veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten, alsmede in de nakosten, een en ander zoals hierna bij de beslissing te melden. Omdat [partij 1] c.s. zowel in conventie als in reconventie worden veroordeeld in de proceskosten, worden de nakosten slechts één keer toegewezen.
5. De beslissing
De rechtbank
in conventie
wijst de vorderingen van [partij 1] c.s. af,
veroordeelt [partij 1] c.s. in de proceskosten van totaal € 2.173,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
in reconventie
verklaart voor recht dat [partij 2] door verjaring eigenaar is geworden van de strook grond zoals gearceerd op het kaartje onder rechtsoverweging 2.7.,
veroordeelt [partij 1] c.s. binnen één maand na betekening van dit vonnis tot medewerking aan de inschrijving van de verjaring zoals bedoeld in rechtsoverweging 5.3. middels het opmaken van een notariële akte van verjaring dan wel middels eigendomsoverdracht van de strook grond én vervolgens medewerking te verlenen aan de aanpassing van de kadastrale gegevens zodat daaruit blijkt dat de strook grond in eigendom toebehoort aan [partij 2] ,
bepaalt dat als [partij 1] c.s. de onder rechtsoverweging 5.4. bedoelde medewerking niet verlenen, dit vonnis op de voet van artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats treedt van de voor de inschrijving van een notariële akte van verjaring dan wel een akte van eigendomsoverdracht en wijziging van de kadastrale gegevens vereiste medewerking van [partij 1] c.s.,
veroordeelt [partij 1] c.s. in de proceskosten van € 921,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
wijst het meer of anders gevorderde af,
in conventie en in reconventie
veroordeelt [partij 1] c.s. in de nakosten, vastgesteld op € 278,00 in conventie en in reconventie tezamen, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [partij 1] c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de beslissingen onder 5.2., 5.4. tot en met 5.6. en 5.8.
Dit vonnis is gewezen door mr. Goedegebuur en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2025.