RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 11599439 \ CV EXPL 25-1280
Vonnis van 15 oktober 2025
in de zaak van
[eiser] ,
wonend in [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. M. Leung, Incassocenter B.V.
tegen
[gedaagde] ,
wonend in [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. S.M.P.T. Ruijs-Kreté, advocaat bij Claassen Advocaten.
1. De zaak in het kort
Centraal in deze zaak staat de vraag of sprake is van een geldlening die terugbetaald moet worden. Daarbij is van belang dat de eisende partij moet stellen en zo nodig bewijzen dat sprake is van een lening, waardoor zij recht heeft op terugbetaling. De kantonrechter is van oordeel dat sprake is van een lening en wijst de vordering tot terugbetaling toe.
2. De feiten
De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten:
- Op 8 oktober 2020 heeft [gedaagde] vanaf zijn zakelijke rekening op naam van [bedrijf 1] een bedrag van € 45.500,00 overgemaakt aan [bedrijf 2] voor de aanschaf van een nieuwe auto (Mercedes GLC), met inruil van zijn oude auto (Mercedes GLA).
- Op 18 oktober 2020 heeft [eiser] een bedrag van € 23.000,00 overgemaakt op de zakelijke rekening van [bedrijf 1] onder vermelding van ‘T.a.v. de auto’.
- Op 4 november 2020 zijn partijen een samenlevingsovereenkomst aangegaan. Daarin is onder andere in artikel 3 opgenomen dat partijen zich verplichten om voor gelijke delen bij te dragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. Daarvan zijn uitgezonderd alle kosten die verbonden zijn aan de eigendom van de woning aan [adres] in [plaats 2] waar partijen wonen. De eigendom van deze woning is van [gedaagde] . In artikel 5 is opgenomen dat ook de inboedel van deze woning eigendom is van [gedaagde] . Inboedelgoederen die aangeschaft worden voor de gemeenschappelijke huishouding zullen door [gedaagde] uit eigen middelen worden betaald en zijn eigendom zijn.
- Per juni 2021 is de affectieve relatie tussen [eiser] en [gedaagde] geëindigd, waarmee ook een einde is gekomen aan de samenlevingsovereenkomst.
- Op 17 juli 2021 heeft [gedaagde] vanaf zijn zakelijke rekening op naam van [bedrijf 1] een bedrag van € 7.950,00 overgemaakt aan ‘Autohuys dongen’ voor de aanschaf van een Opel Corsa voor [eiser] .
- [eiser] heeft in de periode 2021 tot en met 2023 per Whatsapp diverse berichten gestuurd aan [gedaagde] , waarop hij heeft geantwoord. Voor zover relevant zijn dat in ieder geval de volgende berichten [waarbij de cursieve tekst van [gedaagde] is en de andere tekst van [eiser] ]:
15 september 2021:
“Wanneer wil je mij geld overmaken
Vanavond ben ik thuis…
Oke is goed
Oké”
17 augustus 2022:
“Heb je alvast wat geld voor mij. Al is het 1000 euro
Hoi nee dat heb ik niet”
30 mei 2023:
“Hoi [naam 1] . Kan je al een keer iets geld over maken
Hoop volgende maand ben er mee bezig
Oke is goed
Doe mun best pffff”
26 juni 2023:
“Hoi [naam 1] . Ga je me deze nog geld overmaken.
Als ik t heb wel maar heb t nog nie
Je kan toch wel alvast wat overmaken
Ga ff kijken wat ik kan doen…”
30 juni 2023:
“Ga je dit weekend nog iets overmaken voor mij
Ik ga eerst vakantie houden en dan zal ik t is alemaal bekijken
Toen jij zonder zat heb ik je geholpen. Nu zit ik zonder. En je laat me zitten
Ik zou willen dat ik t kon
[…]
Snap er nix meer van
Wat snap je niet
Dat je in een keer zonder
Zit t komt heus wel
[…]
Ja maar heb ook veel kosten gemaakt en de 23000 is ook van mijn spaargeld afgegaan […]
Ik kan t niet”
[…]
We zijn 2 jaar uit elkaar. En me nog helemaal niks terug betaald
3 augustus 2023:
“Hoi [naam 1] . Heb je al wat geld voor mij
Ben er mee bezig
Zeg je elke keer. Maar krijg nog niks
Er komt buitenlandse btw aan”
17 oktober 2023:
“Hoi [naam 1] . Een vraagje. Heb je al gebeurd. Dat je mij al wat kan terug betalen
Helaas nog nix [naam 2] ..pfff…sorry
Oke niks aan te doen”
- Op 26 januari 2024 heeft de gemachtigde van [eiser] per brief een ingebrekestelling aan [gedaagde] gestuurd. Daarin sommeert zij hem om de hoofdsom van € 12.000,00 te betalen en een bedrag van € 918,71 aan rente.
- Op 31 januari 2024 heeft de gemachtigde van [gedaagde] de vordering betwist en verzocht om deze te onderbouwen en de rechtsgrond aan te geven.
- Op 13, 20 en 26 februari en 12 maart 2024 heeft de gemachtigde van [eiser] per e-mail sommaties gestuurd aan [gedaagde] waarin de hoofdsom, wettelijke rente en uiteindelijk ook incassokosten worden gevorderd.
- Op 19 februari, 1 maart en 28 mei 2024 heeft de gemachtigde van [gedaagde] de vordering betwist en verzocht om deze te onderbouwen en de rechtsgrond aan te geven.
- Op 27 mei 2024 heeft [eiser] per exploot een sommatie gestuurd aan [gedaagde] , waarin zij hem verzoekt om betaling van een bedrag van € 13.157,15 inclusief rente, exclusief incassokosten, binnen zes weken na ontvangst van het exploot.
- [gedaagde] heeft naar aanleiding van de sommaties niet betaald, waarna [eiser] op 17 februari 2025 de dagvaarding heeft laten uitbrengen en de procedure aanhangig heeft gemaakt.
3. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de conclusie van repliek- de conclusie van dupliek.
Ten slotte heeft de kantonrechter bepaald dat vonnis wordt gewezen.
4. Het geschil
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 12.000,00, vermeerderd met rente en kosten.
[eiser] voert daarvoor aan dat zij aan [gedaagde] een bedrag van € 23.000,00 heeft geleend. Zij wil dat [gedaagde] de lening terugbetaalt. Op het bedrag van € 23.000,00 heeft zij een bedrag van € 8.000,00 in mindering gebracht in verband met de Opel Corsa die [gedaagde] voor haar had gekocht en een bedrag van € 3.000,00 dat hij haar had gegeven voor spullen voor haar nieuwe woning. Het restant van € 12.000,00 heeft [gedaagde] ondanks aanmaning niet terugbetaald. Daarom is hij in verzuim en moet hij ook rente en incassokosten betalen. Haar vordering is als volgt opgebouwd:
Hoofdsom
Rente over voornoemde hoofdsom
Incassokosten
BTW over incassokosten
Totaal te vorderen
€
€
€
€
€
12.000,00
1.754,63+PM
895,00
187,95
14.837,58+PM
[gedaagde] voert verweer. Hij betwist dat sprake is van een lening en dat hij het geld moet terugbetalen. Hij is van mening dat [eiser] het bedrag heeft betaald als bijdrage in (het gebruik van) zijn auto. Daarom concludeert hij tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van haar vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5. De beoordeling
[eiser] baseert haar vordering op het bestaan van een lening van haar aan [gedaagde] . Omdat [gedaagde] dit betwist, moet de kantonrechter allereerst beoordelen of sprake is van een lening.
Artikel 7:129 en verder BW geeft het wettelijke kader voor een lening
Op grond van artikel 7:129 lid 1 BW (Burgerlijk Wetboek) is de overeenkomst van geldlening de kredietovereenkomst waarbij de ene partij, de uitlener, zich verbindt aan de andere partij, de lener, een som geld te verstrekken en de lener zich verbindt aan de uitlener een overeenkomstige som geld terug te betalen. Daarnaast bepaalt artikel 7:129b BW dat als de uitlener een natuurlijke persoon is die niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf handelt, de overeenkomst hem niet bindt voordat het geld daadwerkelijk aan de lener is verstrekt of de uitlener zich schriftelijk tot de verstrekking verbonden heeft.
De kantonrechter is van oordeel dat komt vast te staan dat sprake is van een lening
[eiser] beroept zich op het rechtsgevolg van de lening, namelijk dat [gedaagde] het door haar overgemaakte bedrag moet terugbetalen. Daarom moet [eiser] op grond van artikel 150 Rv (Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) voldoende stellen en zo nodig bewijzen dat sprake is van een lening.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat [eiser] in 2020 na overleg met [gedaagde] een bedrag van € 23.000,00 naar de (zakelijke) rekening van [gedaagde] heeft overgemaakt met de omschrijving ‘t.a.v. de auto’. Dat betekent dat nog beoordeeld moet worden of komt vast te staan dat [gedaagde] zich ook verbonden heeft om het bedrag aan [eiser] terug te betalen. De kantonrechter is van oordeel dit komt vast te staan en baseert dit oordeel op de volgende overwegingen.
Ten eerste heeft [eiser] diverse Whatsappberichten overgelegd, waarin zij herhaaldelijk aan [gedaagde] om betaling heeft gevraagd. Daarnaast heeft zij de reacties van [gedaagde] op deze berichten overgelegd, waarin hij meerdere keren betaling heeft toegezegd. [gedaagde] heeft daartegen aangevoerd dat zijn toezeggingen geen betrekking hadden op een geldlening van € 23.000,00 of op terugbetaling, omdat daaraan in de Whatsappberichten niet wordt gerefereerd.
Hoewel in de vroegste berichten van [eiser] niet wordt aangegeven dat het gaat om terugbetalen van een bedrag, heeft zij dat in haar berichten van 30 juni en 17 oktober 2023 wel aangegeven. Op 30 juni heeft zij geschreven: “We zijn 2 jaar uit elkaar. En me nog helemaal niks terug betaald” en op 17 oktober: “Heb je al gebeurd. Dat je mij al wat kan terug betalen”. Ook noemde [eiser] het bedrag ‘de € 23.000,00’ in haar bericht van 30 juni 2023 waar zij heeft geschreven “Ja maar heb ook veel kosten gemaakt en de 23000 is ook van mijn spaargeld afgegaan”. Daarnaast heeft [gedaagde] in zijn Whatsappberichten geen enkele keer betwist dat hij iets moest betalen aan [eiser] . Zo reageerde [gedaagde] op de opmerking van [eiser] op 30 juni 2023 “Toen jij zonder zat heb ik je geholpen. Nu zit ik zonder. En je laat me zitten” met de opmerking “Ik zou willen dat ik t kon”. In reactie op het bericht van [eiser] van 17 oktober 2023 waarin ze heeft gevraagd om terugbetaling, schrijft [gedaagde] “Helaas nog nix [naam 2] ..pfff…sorry”. Ook uit diverse andere berichten van [gedaagde] blijkt dat hij van plan was te gaan betalen. Zo schreef hij op 30 mei 2023 in reactie op de vraag van [eiser] of hij al wat kon overmaken “Hoop volgende maand ben er mee bezig […] Doe mun best pffff” en in zijn reacties op 26 juni 2023 op het verzoek van [eiser] om geld over te maken “Als ik t heb wel maar heb t nog nie […] Ga ff kijken wat ik kan doen…” Daaruit volgt naar het oordeel van de kantonrechter voldoende duidelijk dat [gedaagde] zich ervan bewust was dat hij nog een terugbetaalverplichting had aan [eiser] en ook wilde betalen, maar liet weten dat hij dat (nog) niet kon. [gedaagde] weerspreekt in zijn reacties op de berichten van [eiser] bovendien niet dat hij moet terugbetalen in verband met de verstrekte € 23.000,00. Daarbij komt dat [gedaagde] niet uitlegt op welke bedragen zijn toezeggingen dan wel betrekking hadden. Om deze redenen is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde] de stelling van [eiser] dat de toezeggingen gingen over terugbetaling van ‘de 23000’, onvoldoende gemotiveerd heeft betwist.
De stellingen van [gedaagde] ter motivatie van zijn betwisting dat [eiser] wilde meebetalen aan de nieuwe Mercedes, zodat de auto meer gezamenlijk eigendom zou worden van partijen, maken dit oordeel niet anders. [gedaagde] heeft die stellingen namelijk niet onderbouwd. Hij stelt ook niet dat de Mercedes daadwerkelijk mede eigendom van [eiser] is geworden of dat dit na het eindigen van de relatie is afgewikkeld. En [eiser] betwist deze stellingen van [gedaagde] . Bovendien geven deze stellingen geen verklaring voor de toezeggingen van [gedaagde] over terugbetaling.
Dat het bedrag van € 23.000,00 in de later gesloten samenlevingsovereenkomst niet als lening is opgenomen, doet hieraan naar het oordeel van de kantonrechter niet af. Partijen hebben daarin immers over de eigendom, de kosten en het gebruik van de Mercedes helemaal niets opgenomen, terwijl ze wel een gedetailleerde regeling hebben opgenomen in verband met de eigendom van de woning en de inboedel van de woning, beide eigendom van [gedaagde] .
Op grond van deze overwegingen is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde] de stellingen van [eiser] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, zodat komt vast te staan dat sprake is van een geldlening en dat [gedaagde] zich heeft verbonden om het bedrag terug te betalen. Dat betekent dat [eiser] recht heeft op terugbetaling van (het restant van) de lening. [eiser] heeft daarop twee bedragen in mindering gebracht, die niet door [gedaagde] zijn betwist. De kantonrechter wijst daarom het door [eiser] gevorderde bedrag van € 12.000,00 aan hoofdsom toe.
[gedaagde] moet minder rente betalen dan gevorderd
[eiser] wil ook een bedrag aan wettelijke rente vergoed krijgen, tot aan het moment van dagvaarding door haar berekend op een bedrag van € 1.754,63.
Op grond van artikel 6:119 BW is een partij wettelijke rente verschuldigd vanaf de dag van verzuim. Dat is de dag waarop de schuldenaar had moeten betalen, maar dat niet heeft gedaan.
Partijen hebben geen afspraken gemaakt over het moment waarop het bedrag van € 23.000,00 aan [eiser] moest worden terugbetaald. Voor die situatie bepaalt artikel 7:129e BW dat de lener het geleende bedrag moet terugbetalen binnen zes weken nadat de uitlener daarom heeft verzocht.
[eiser] heeft in haar dagvaarding aangevoerd dat zij primair aanspraak maakt op wettelijke rente vanaf zes weken na betekening van het sommatie-exploot. In haar conclusie van repliek heeft zij daaraan toegevoegd dat zij primair van mening is dat de rente moet worden berekend vanaf zes weken na 18 oktober 2020, maar dat zij in het voordeel van [gedaagde] is uitgegaan van een rekendatum van 31 december 2021.
[gedaagde] heeft gemotiveerd betwist dat de door [eiser] gehanteerde verzuimdatum en het door haar berekende bedrag van € 1.754,63 juist zijn. Daarbij heeft hij een berekening overgelegd waarbij de rente is berekend over de periode 2 juli 2024 tot en met 12 mei 2025. Uit deze berekening volgt een bedrag van € 680,38.
De door [eiser] genoemde vroegste datum is 18 oktober 2020. Dit is de datum waarop zij het bedrag aan [gedaagde] heeft overgemaakt. Niet is gesteld en niet is gebleken dat [eiser] op dat moment ook direct terugbetaling van dat bedrag aan [gedaagde] heeft verzocht. Dat betekent dat [gedaagde] niet zes weken na 18 oktober 2020 in verzuim is gekomen. [eiser] heeft niet, althans onvoldoende gemotiveerd op grond waarvan [gedaagde] vanaf 31 december 2021 wel in verzuim was, zodat ook niet van die datum uitgegaan kan worden. Vast staat dat [eiser] in haar sommatie-exploot wel uitdrukkelijk om betaling heeft verzocht. Daarom gaat de kantonrechter voor het moment van verzuim uit van de datum waarop [gedaagde] na ontvangst van het sommatie-exploot van [eiser] had moeten betalen. [eiser] heeft het sommatie-exploot voor betaling van het restantbedrag van € 12.000,00 uit laten brengen op 27 mei 2024. Dat betekent dat [gedaagde] uiterlijk vóór 8 juli 2024 dit bedrag had moeten terugbetalen. Dat heeft hij niet gedaan, zodat hij vanaf 8 juli 2024 in verzuim is en vanaf die datum wettelijke rente verschuldigd is. De rente zal worden toegewezen vanaf die datum.
[gedaagde] moet wel het volledige bedrag aan incassokosten vergoeden
[eiser] maakt ook aanspraak op vergoeding van door haar gemaakte incassokosten voor een bedrag van (€ 895,00 + € 187,95 btw=) € 1.082,95. [gedaagde] betwist dat hij deze kosten moet betalen. Daarvoor voert hij aan dat volgens hem na de eerste sommatiebrief drie volstrekt onnodige sommaties zijn verstuurd, waardoor meer buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt dan nodig was. Bovendien heeft [eiser] haar vordering niet nader onderbouwd, terwijl [gedaagde] haar daar wel herhaaldelijk om had verzocht. Naast deze sommaties is volgens [gedaagde] verder geen enkel contact opgenomen met [gedaagde] , zodat er ook geen sprake is van een poging om buitengerechtelijk tot een overleg, laat staan een oplossing te komen.
De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Omdat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf), moet de kantonrechter ook controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen zoals opgenomen in lid 6 van artikel 6:96 BW. Uit de overgelegde stukken blijkt dat [eiser] aan [gedaagde] een of meer aanmaningen heeft gestuurd die aan de eisen van dit artikel voldoen. Dat [gedaagde] in reactie op de aanmaningen heeft verzocht om een rechtsgrond aan te geven en een onderbouwing doet daaraan niet af, met name niet omdat in de aanmaningen de rechtsgrond ‘lening’ al is opgenomen. Het gevorderde bedrag aan incassokosten komt bovendien overeen met het bedrag waarop [eiser] volgens het Besluit recht heeft. Het gaat daarbij om een forfaitair bedrag dat niet is gebaseerd op het aantal incassohandelingen, maar op de hoogte van de vordering. Het is dan ook voor de berekening van de incassokosten op basis van het Besluit in beginsel niet relevant of naast de vereiste aanmaning en het sommatie-exploot nog extra aanmaningen zijn verstuurd die mogelijk niet nodig waren. Tot slot mag [eiser] de vergoeding verhogen met btw, omdat zij geen ondernemer is. Dat betekent dat de kantonrechter een bedrag van € 1.082,95 aan buitengerechtelijke incassokosten zal toewijzen.
[gedaagde] moet ook de proceskosten betalen
[gedaagde] is voor het grootste gedeelte in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
146,14
- griffierecht
€
732,00
- salaris gemachtigde
€
812,00
(2 punten × € 406,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.825,14
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen:
- een bedrag van € 12.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, met ingang van 8 juli 2024, tot de dag van volledige betaling,
- een bedrag van € 1.082,95 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.825,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van 't Nedereind en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2025.