RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 11606128 \ CV EXPL 25-1350
Vonnis van 8 oktober 2025
in de zaak van
LM ZORG B.V.,
te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: LM,
gemachtigde: [gemachtigde],
tegen
[gedaagde] ,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1. De zaak in het kort
LM vordert betaling van twee facturen uit hoofde van een geneeskundige behandelingsovereenkomst. [gedaagde] betwist dat hij deze facturen moet betalen, omdat hij deze al heeft betaald. De kantonrechter zal de vordering toewijzen en zal dat hierna verder toelichten.
2. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 9 juli 2025
- de akte van LM- de rolbeslissing van 27 augustus 2025.
- de akte van [gedaagde] .
Daarna is vonnis bepaald.
3. De verdere beoordeling
In het tussenvonnis van 9 juli 2025 is [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de tijdens de mondelinge behandeling van 12 juni 2025 door LM overgelegde producties. Omdat de producties abusievelijk niet naar [gedaagde] waren verzonden, heeft de kantonrechter deze bij voormelde rolbeslissing alsnog nagestuurd naar [gedaagde] en hem nogmaals in de gelegenheid gesteld om op de producties te reageren alleen ten aanzien van zijn verweer dat de door hem op 25 april 2024 en 2 mei 2024 gedane betalingen betrekking zouden hebben op de vordering.
Vaststaat dat [gedaagde] een geneeskundige behandelingsovereenkomst met LM heeft gesloten betreffende psychologische hulp. Op de overeenkomst zijn van toepassing de Algemeen Leveringsvoorwaarden GGZ. Verder staat vast dat LM geen contract heeft met de zorgverzekeraar van [gedaagde] , zodat [gedaagde] de kosten voor van de behandeling zelf moet betalen, waarna hij de kosten bij zijn zorgverzekeraar kan declareren.
Op 6 april 2024 heeft LM aan [gedaagde] een bedrag van € 540,06 gefactureerd en op
20 april 2024 een bedrag van € 573,19. Omdat betaling is uitgebleven, heeft LM [gedaagde] op 22 mei 2024 tot betaling gemaand.
[gedaagde] heeft als verweer gevoerd dat hij de facturen waarvan betaling wordt gevorderd, al heeft betaald. LM heeft naar aanleiding van dat verweer toegelicht dat de door [gedaagde] verrichte betalingen van € 258,00 en € 374,00 op 25 april 2024 en € 200,00 op
2 mei 2024 zijn afgeboekt op de facturen van 30 maart en 13 april 2024, Dit blijkt uit het overzicht vermeld in het e-mailbericht van 2 juli 2025 van LM aan de gemachtigde dat tijdens de mondelinge behandeling is overgelegd. LM heeft in haar akte toegelicht dat zij het resterende nog openstaande bedrag van deze facturen op basis van de coulance regeling als betaald heeft afgeboekt. De facturen van 6 april en 20 april 2024 staan volgens LM nog steeds open.
Bij akte van 10 september 2025 handhaaft [gedaagde] zijn stelling dat hij de facturen waarvan betaling wordt gevorderd heeft betaald en stelt hij dat deze misschien zijn afgeboekt met een verkeerd kenmerk.
Het verweer dat [gedaagde] heeft gevoerd, is een bevrijdend verweer. Dit betekent dat [gedaagde] de bewijslast draagt van zijn stelling dat hij de facturen al heeft betaald. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagde] zijn verweer dat hij deze al heeft betaald, niet dan wel onvoldoende onderbouwd. LM heeft tijdens de mondelinge behandeling gemotiveerd weersproken dat de door [gedaagde] gestelde betalingen reeds zijn verwerkt op de andere facturen van 30 maart en 13 april 2024. De stelling van [gedaagde] dat deze betalingen zijn afgeboekt op een verkeerd kenmerk, is niet onderbouwd en zal worden gepasseerd. Tot slot blijkt ook uit de producties bij het e-mailbericht van [gedaagde] van 7 juli 2025 niet van (extra) betalingen aan LM. De betalingsbewijzen aan LM betreffende dezelfde betalingen als vermeld op het overzicht en de andere betalingsbewijzen zien op bedragen die [gedaagde] van zijn zorgverzekeraar heeft ontvangen. Uit het overzicht van de zorgverzekeraar, de laatste productie bij het e-mailbericht van 7 juli 2024, blijkt dat slechts delen van de facturen zijn vergoed aan LM, zodat niet dan wel onvoldoende inzichtelijk is gemaakt dat de gevorderde bedragen zijn betaald aan LM. Nu [gedaagde] de vordering voor het overige niet (voldoende) heeft betwist en hij heeft nagelaten nadere stukken zoals betalingsbewijzen in het geding te brengen, zal het gevorderde worden toegewezen.
LM vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten.
LM heeft aan [gedaagde] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Daarom zal een bedrag van € 202,06 worden toegewezen.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van LM worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
145,45
- griffierecht
€
340,00
- salaris gemachtigde
€
408,00
(2 punten × € 204,00)
- nakosten
€
102,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
995,45
4. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan LM te betalen een bedrag van € 1.113,23, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, vanaf de respectieve vervaldata van de onderliggende facturen, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] om aan LM te betalen een bedrag van € 202,06 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 995,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Zander en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2025.