RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 11632749 \ CV EXPL 25-1583
Vonnis van 15 oktober 2025
in de zaak van
1. [eiser 1] , 2. [eiser 2] ,
beiden wonende te [plaats 1] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen (in mannelijk enkelvoud) [eisers] ,
gemachtigde: mr. B.F. Eblé,
tegen
1. [gedaagde 1] ,
wonende te [plaats 2] ,2. de besloten vennootschap [gedaagde 2] B.V.,
statutair gevestigd te [plaats 3] en kantoorhoudende te [plaats 2] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen (in mannelijk enkelvoud) [gedaagden] ,
gemachtigde: mr. T.M. ten Velde.
1. De zaak in het kort
Het gaat in deze zaak om een vordering van [eisers] tot terugbetaling van een bedrag van € 5.000,00 aan dwangsommen na gelegd executoriaal beslag op zijn woning op grond van het vonnis van de voorzieningenrechter van 6 maart 2024. [gedaagden] voert als verweer primair aan dat [eisers] niet ontvankelijk dient te worden verklaard omdat sprake is van een executiegeschil. Subsidiair voert [gedaagden] (onder meer) aan dat het grootste deel van het beslag zag op andere kosten dan de dwangsom. De kantonrechter acht [eisers] ontvankelijk in zijn vordering, maar heeft nog vragen over de vordering.
2. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 27 maart 2025 met producties;- de conclusie van antwoord met producties;- de conclusie van repliek met producties;- de conclusie van dupliek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3. De feiten
[eisers] heeft [gedaagden] eerder in kort geding gedagvaard bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank en daarin onder meer een voorschot op schadevergoeding van € 100.000,00 gevorderd. [gedaagden] heeft in die procedure reconventionele vorderingen ingesteld.
Bij vonnis in kort geding van 6 maart 2024 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen in conventie van [eisers] afgewezen, met veroordeling van [eisers] in de proceskosten van € 3.562,00. De voorzieningenrechter heeft [eisers] in reconventie:
verboden zich richting leden en relaties van CNGO, Tao Centrum Tilburg en/of BOCAM bedreigend, beledigend, misleidend, diffamerend of benadelend uit te laten over [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , CNGO, Tao Centrum Tilburg en/of BOCAM, op verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per overtreding en/of elke dag dat niet aan dit verbod wordt voldaan, met een maximum van € 5.000,00;
verboden gebruik te maken van immateriële eigendomsrechten van [gedaagde 2] zoals die zijn overgedragen door de curator aan [gedaagde 2] , op verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per overtreding en/of elke dag dat niet aan dit verbod wordt voldaan, met een maximum van € 5.000,00;
veroordeeld in de kosten van de procedure van € 731,50.
Bij herstelvonnis van 27 november 2024 is het in conventie begrote griffierecht verhoogd en vastgesteld op € 6.617,00 waarmee de totale proceskosten die [eisers] in conventie verschuldigd is aan [gedaagden] neerkomen op € 7.902,00.
Na gelegd executoriaal beslag op de woning van [eisers] heeft [eisers] € 5.300,00 betaald aan [gedaagden] Van dit bedrag is volgens [eisers] € 5.000,00 onterecht betaald aan [gedaagden]
4. Het geschil
[eisers] vordert dat [gedaagden] wordt veroordeeld om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 5.000,00 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van betaling door [eisers] en met veroordeling van [gedaagden] in de kosten van de procedure.
[eisers] legt aan zijn vordering ten grondslag dat de inning van dwangsommen voor het bedrag van € 5.000,00 onrechtmatig is omdat hij geen onrechtmatige uitlatingen heeft gedaan in media-publicaties. Daarnaast stelt [eisers] dat [gedaagden] met de executie voor het bedrag van € 5.000,00 misbruik van recht of misbruik van bevoegdheid maakt.
[gedaagden] voert verweer.
[gedaagden] voert primair aan dat [eisers] niet-ontvankelijk is in zijn vordering omdat het geschil aan de executierechter dient te worden voorgelegd. Subsidiair voert [gedaagden] aan dat de executie van het vonnis geen onrechtmatige daad oplevert en [eisers] de onrechtmatige gedraging onvoldoende onderbouwd heeft. [gedaagden] voert aan dat het grootste deel van het beslag zag op andere kosten dan de dwangsom.
5. De beoordeling
Ontvankelijk?
Partijen verschillen van mening over de vraag of de kamer voor kantonzaken bevoegd is om van de vordering van [eisers] kennis te nemen. [gedaagden] stelt dat sprake is van een executiegeschil en het geschil daarom niet aan de kantonrechter kan worden voorgelegd. Volgens [eisers] is de kantonrechter als bodemrechter wel bevoegd over het geschil te oordelen.
Voor een geschil in verband met de executie in de zin van artikel 438 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is een verband met een dreigende of in uitvoering zijnde executie vereist. Na beëindiging van de executie kan artikel 438 Rv geen toepassing meer vinden.
De kantonrechter is van oordeel dat geen sprake is van een executiegeschil tussen partijen omdat geen sprake is van een nog lopende executie. [gedaagden] beroept zich namelijk niet op nog te verbeuren dwangsommen. Gelet daarop is artikel 438 Rv niet van toepassing. Dit betekent dat [eisers] ontvankelijk is in zijn vordering.
Dwangsommen
[eisers] stelt dat [gedaagden] een bedrag van € 5.000,00 onterecht aan dwangsommen heeft geïncasseerd. [gedaagden] betwist dit en voert aan dat er niet alleen beslag is gelegd vanwege de dwangsom, maar ook voor het niet betalen van de proceskosten en nakosten. De kantonrechter stelt vast dat [gedaagden] daarmee erkent dat het gelegde beslag voor een deel zag op verbeurde dwangsommen. Onduidelijk is welke dwangsommen [gedaagden] heeft geïncasseerd en waarop deze zien. [eisers] zal daarom in de gelegenheid worden gesteld om bij akte de volgende vragen te beantwoorden:
Wanneer is er beslag gelegd op de woning van [eisers] ?
Voor welke vordering is er precies beslag gelegd? Welk deel ziet op proceskosten en welk deel ziet op dwangsommen?
Indien het beslag (deels) ziet op verbeurde dwangsommen op welke overtreding(en) ziet/zien de dwangsommen precies en hoe zijn de dwangsommen berekend?
Wanneer heeft [eisers] het bedrag van € 5000,00 (waarvan nu terugbetaling wordt gevorderd) betaald aan [gedaagden] ?
De beantwoording van de voornoemde vragen dient onderbouwd te worden met alle stukken die verband houden met het beslag, waaronder de beslagstukken. Daarnaast wordt [eisers] verzocht om een leesbaar exemplaar van het als productie 3 bij dagvaarding overgelegde krantenartikel over te leggen omdat het nu overgelegde krantenartikel niet leesbaar is.
[gedaagden] zal na de akte van [eisers] in de gelegenheid worden gesteld om bij antwoordakte te reageren. Daarbij dient [gedaagden] ook duidelijk te maken welk deel van het beslag ziet op de dwangsommen, op welke overtredingen de dwangsommen zien en hoe de dwangsommen zijn berekend.
In afwachting van de aktes van partijen houdt de kantonrechter iedere verdere beslissing aan.
6. De beslissing
De kantonrechter
verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 29 oktober 2025 voor het nemen van een akte door [eisers] zoals bedoeld in rechtsoverwegingen 5.4 en 5.5,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. Tilman-Knoester en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2025.