RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: 11738003 \ CV EXPL 25-1988
Vonnis van 22 oktober 2025
in de zaak van
FBTO ZORGVERZEKERINGEN N.V.,
te Leeuwarden,
eisende partij,
hierna te noemen: FBTO,
gemachtigde: Syncasso Gerechtsdeurwaarders B.V.,
tegen
[gedaagde] ,
te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 12 mei 2025 met producties,- het mondelinge antwoord,- de conclusie van repliek met producties,- de mondelinge toelichting (dupliek).
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten in het kort
Tussen partijen bestaat een zorgverzekeringsovereenkomst. [gedaagde] heeft in 2024 de zorgnota voor het eigen risico niet voldaan.
3. Het geschil
FBTO vordert - samengevat - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad om [gedaagde] te veroordelen € 485,06 aan FBTO te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 385,00 vanaf 9 mei 2025 tot de dag van betaling, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze rechtszaak.
[gedaagde] erkent de vorderingen tot betaling van de hoofdsom plus de wettelijke rente, maar betwist dat hij de buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten moet betalen.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
[gedaagde] heeft erkend dat hij de hoofdsom van € 385,00 plus de wettelijke rente aan FBTO moet betalen. De kantonrechter zal de vordering dan ook tot zover toewijzen. [gedaagde] heeft daarentegen op twee punten bezwaar gemaakt tegen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.
Betalingsregeling
[gedaagde] stelt allereerst dat hij in december 2024 telefonisch contact heeft opgenomen met FBTO met het voorstel een betalingsregeling te treffen. Volgens hem is toen meegedeeld dat een regeling niet mogelijk was en dat hij een tweede aanmaning moest afwachten. Dit was voor hem onbegrijpelijk. Met andere schuldeisers kon hij wel een regeling treffen.
FBTO bevestigt dat er telefonisch contact is geweest, maar geeft aan dat dit gesprek niet in december, maar op 11 november 2024 plaatsvond; de dag waarop de automatische incasso van het eigen risico was gepland. Tijdens dat gesprek heeft [gedaagde] verzocht om een betalingsregeling. Volgens FBTO was dit op dat moment niet mogelijk, omdat het systeem ervan uitging dat de betaling zou slagen via de reeds geplande automatische incasso. FBTO betwist dat zij tegen [gedaagde] heeft gezegd dat hij een tweede aanmaning moest afwachten. Zij stelt bovendien dat, nu betaling nadien is uitgebleven, het op de weg van [gedaagde] lag om opnieuw contact te zoeken om alsnog een regeling te treffen.
De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] telefonisch contact heeft gehad met FBTO. FBTO heeft voldoende toegelicht dat het op dat moment niet mogelijk was een betalingsregeling af te spreken, nu de automatische incasso op diezelfde dag zou worden uitgevoerd. Daarbij geldt dat FBTO juridisch niet verplicht is om een betalingsregeling aan te bieden. Dat partijen er niet in zijn geslaagd een regeling te treffen, kan FBTO daarom niet worden aangerekend. Voor zover [gedaagde] heeft gesteld dat hem tijdens het gesprek zou zijn meegedeeld dat hij een tweede aanmaning moest afwachten, gaat de kantonrechter daaraan voorbij. FBTO heeft dit gemotiveerd betwist en [gedaagde] heeft deze stelling niet nader onderbouwd. De kantonrechter is bovendien van oordeel dat het, nu betaling uitbleef, op de weg van [gedaagde] had gelegen om na ontvangst van een herinnering opnieuw contact op te nemen met FBTO om alsnog een regeling te treffen of duidelijkheid te verkrijgen over de betalingsmogelijkheden. Dat hij dat heeft nagelaten, komt voor zijn rekening en risico.
Ontvangst veertiendagenbrief
[gedaagde] voert verder aan dat hij geen aanmaning heeft ontvangen, ook niet de brief van 26 februari 2025 van Syncasso waarnaar wordt verwezen in de dagvaarding.
FBTO benadrukt dat zij een aanmaning heeft verzonden die voldoet aan de vereisten van artikel 6:96 lid 6 BW (de zogenoemde veertiendagenbrief) en dat zij daarom aanspraak kan maken op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De brief is op 26 februari 2025 bij PostNL aangeboden. FBTO is niet bekend met de exacte datum van levering bij [gedaagde], maar stelt dat zij mag aannemen dat deze uiterlijk op de vierde dag na verzending en aanbieding aan PostNL bij [gedaagde] is bezorgd (Hoge Raad 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2704). Verder is de brief ook per e-mail naar [gedaagde] verstuurd en is deze niet als onbestelbaar retour ontvangen.
De kantonrechter begrijpt het verweer van [gedaagde] als een betwisting van de ontvangst van de veertiendagenbrief. Op grond van artikel 3:37 lid 3 BW moet een dergelijke brief de schuldenaar daadwerkelijk hebben bereikt om werking te hebben. FBTO verwijst naar het hierboven genoemde arrest van de Hoge Raad en stelt dat zij ervan mag uitgaan dat de brief uiterlijk vier dagen na verzending door [gedaagde] is ontvangen. Daarmee gaat FBTO echter voorbij aan de strekking van het arrest. De Hoge Raad heeft namelijk geoordeeld dat de schuldeiser slechts hoeft te stellen en zo nodig te bewijzen op welke dag de brief (uiterlijk) door de schuldenaar is ontvangen, als uitsluitend de datum van ontvangst wordt betwist. Daarvan is hier geen sprake. [gedaagde] betwist immers niet de datum van ontvangst, maar stelt dat hij de brief in het geheel niet heeft ontvangen. In dat geval rust op FBTO de plicht om feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen dat de brief is verzonden naar een adres waarvan zij redelijkerwijs mocht aannemen dat [gedaagde] daar te bereiken was, én dat de brief daar is aangekomen. FBTO heeft slechts gesteld dat de brief aan PostNL is aangeboden. Uit haar stellingen en de overgelegde stukken blijkt niet dat, en op welke datum, de brief daadwerkelijk bij [gedaagde] is bezorgd. Daarom kan niet worden aangenomen dat [gedaagde] de brief heeft ontvangen. Het had op de weg van FBTO gelegen om bijvoorbeeld een track-and-trace of ander bewijs van bezorging te overleggen.
Dat de brief ook per e-mail is verzonden, leidt niet tot het oordeel dat daarmee is voldaan aan artikel 6:96 lid 6 BW. De kantonrechter volgt [gedaagde] in zijn stelling dat het door FBTO overgelegde afschrift onvoldoende duidelijkheid biedt. Op dit afschrift staat achter “verzenddatum” slechts de cijfercode “[code]”. Hieruit kan niet worden afgeleid op welke datum en tijd de e-mail daadwerkelijk aan [gedaagde] is verzonden. Het is aan FBTO om hierover duidelijkheid te verschaffen. Daarnaast blijkt uit het afschrift niet dat het daadwerkelijk de betreffende veertiendagenbrief betreft: de inhoud van de bijlage is niet weergegeven. Dit is opmerkelijk, nu FBTO van andere e-mailberichten wél de inhoud heeft overgelegd.
Omdat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] een veertiendagenbrief heeft ontvangen, kan niet worden vastgesteld dat FBTO heeft voldaan aan artikel 6:96 lid 6 BW. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen.
Proceskosten
Hoewel [gedaagde] de verschuldigdheid heeft betwist, zal hij worden veroordeeld in de proceskosten. Op basis van artikel 237 lid 1 Rv wordt namelijk de partij die (grotendeels) in het ongelijk is gesteld veroordeeld in de proceskosten. Dit kan anders zijn wanneer de proceskosten door de in het gelijk gesteld partij, in dit geval FBTO, nodeloos zouden zijn veroorzaakt. Dit is niet het geval. [gedaagde] moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van FBTO worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
146,14
- griffierecht
€
135,00
- salaris gemachtigde
€
164,00
(2 punten × € 82,00)
- nakosten
€
41,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
486,14
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 385,00 aan FBTO, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 mei 2025 tot de dag dat de vordering is voldaan,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 486,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van der Burgt en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2025.