RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: 11557381 \ CV EXPL 25-577
Vonnis van 22 oktober 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap [werkgever] B.V.,
gevestigd te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [werkgever] ,
gemachtigde: mr. E.P.E. Fluit,
tegen
[werknemer] ,
wonende te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [werknemer] ,
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 4 februari 2025 met producties 1 tot en met 6,
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 5,
- de akte uitlaten griffierechtbetaling met twee bijlagen,- de conclusie van repliek met producties 7 en 8,- de conclusie van dupliek met één productie.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
[werknemer] heeft een arbeids- en studieovereenkomst met [werkgever] gesloten voor de periode van 1 februari 2024 tot en met 31 januari 2025. [werknemer] heeft daarnaast de opleiding Rijinstructeur categorie BE gevolgd in de periode december 2023 tot en met januari 2024. Deze opleiding is door [werkgever] betaald.
[werknemer] heeft op 16 juli 2024 ontslag genomen en is per 1 september 2024 uit dienst getreden. Partijen zijn hierbij overeengekomen dat [werknemer] een bedrag van € 9.212,13 aan [werkgever] moet terugbetalen, bestaande uit opleidingskosten rijbewijs BE en gemaakte kosten voor tussentijdse toetsen en praktijkexamens overname leerlingen van [bedrijf]. [werknemer] heeft deze afspraken op 25 juli 2024 ondertekend.
[werkgever] heeft [werknemer] op 15 november 2024 een aanmaning gestuurd, met een termijn van 14 dagen na ontvangst van de brief, om het verschuldigde bedrag van € 9.212,13 te voldoen. [werknemer] heeft dit bedrag onbetaald gelaten.
3. Het geschil
[werkgever] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [werknemer] tot betaling van € 10.148,04 (bestaande uit € 9.212,13 aan hoofdsom, € 835,61 aan buitengerechtelijke incassokosten en € 100,30 aan rente tot 30 januari 2025), vermeerderd met de wettelijke handelsrente over € 9.212,13, vanaf 23 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, en vermeerderd met de wettelijke rente over € 835,61, vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [werknemer] in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
[werkgever] legt aan haar vordering ten grondslag dat [werknemer] haar terugbetalingsverplichting, zoals partijen zijn overeengekomen op 25 juli 2024, niet nakomt. Partijen zijn geen termijn voor nakoming overeengekomen, waardoor de vordering terstond opeisbaar is, in elk geval meteen na het eindigen van het dienstverband op 31 augustus 2024. [werkgever] heeft [werknemer] de mogelijkheid geboden om de volledige vordering te voldoen. Er is dan ook geen sprake van misbruik van het procesrecht. Nu [werkgever] deze procedure is gestart, is [werknemer] ook de overige gevorderde kosten verschuldigd.
[werknemer] erkent de gevorderde hoofdsom en voert verweer tegen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten, rente en proceskosten. Deze kosten moeten worden afgewezen omdat er geen sprake is van betalingsonwil, maar [werknemer] was niet in staat om de volledige vordering in één keer te betalen wegens persoonlijke omstandigheden. [werkgever] had om deze reden een betalingsregeling moeten treffen met [werknemer] . [werkgever] is nu onnodig gaan procederen, waardoor de kosten voor deze procedure en de wettelijke rente voor rekening van [werkgever] moeten blijven.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Nu [werknemer] de hoogte van de hoofdsom heeft erkend, zal zij worden veroordeeld tot betaling ervan, zijnde een bedrag van € 9.212,13.
De kantonrechter begrijpt dat [werknemer] graag een betalingsregeling wil, maar daar kan de kantonrechter niet over beslissen. [werkgever] en [werknemer] kunnen alleen samen een betalingsregeling afspreken.
[werkgever] vordert betaling van de hoofdsom vermeerderd met wettelijke rente over de periode van 30 november 2024 tot 30 januari 2025, zijnde een bedrag van € 100,30 en betaling van de hoofdsom vermeerderd met wettelijke handelsrente vanaf 23 januari 2025. Tegen de verschuldigdheid van de wettelijke (handels)rente is door [werknemer] verweer gevoerd, inhoudende dat de kosten voor onderhavige procedure onnodig zijn gemaakt, waardoor de gevorderde wettelijke (handels)rente moet worden afgewezen. Dit verweer slaagt niet. [werknemer] heeft de gevorderde hoofdsom erkend, waardoor zij tevens wettelijke rente verschuldigd is over het openstaande bedrag. De persoonlijke omstandigheden van [werknemer] , hoe betreurenswaardig deze ook mogen zijn, ontslaan haar niet van haar verplichtingen tegenover [werkgever] . Daarbij maakt het niet uit dat [werknemer] stelt dat zij wel wil betalen, maar dat op dit moment niet kan en in afwachting is van een geldbedrag uit de overwaarde van haar woning. Zij is een verplichting tot betaling aangegaan en moet die dan nakomen. Doet zij dat niet, dan is zij op grond van de wet (als aan de voorwaarden is voldaan) rente verschuldigd. [werkgever] maakt dus terecht aanspraak op betaling hiervan. Niet is gesteld of gebleken dat sprake is van een handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119a BW, zodat de gevorderde handelsrente niet toewijsbaar is. In plaats daarvan zal de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW worden toegewezen.
[werkgever] vordert tevens vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. [werknemer] heeft verweer gevoerd tegen deze kosten en tegen de gevorderde wettelijke rente over deze kosten. [werknemer] voert aan dat ook deze kosten onnodig zijn gemaakt, omdat zij steeds bereid is geweest een betalingsregeling te treffen.
De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [werknemer] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. [werkgever] heeft aan [werknemer] een aanmaning verstuurd die niet voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. In de aanmaning is namelijk geen betalingstermijn van veertien dagen gegeven die ingaat op de dag na ontvangst van de aanmaning door [werknemer] . Dit is wel vereist op grond van artikel 6:96 lid 6 BW. De gevorderde vergoeding zal daarom worden afgewezen.
[werknemer] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. [werknemer] voert verweer tegen deze proceskosten en de wettelijke rente over deze kosten. De kantonrechter gaat aan dit verweer voorbij. Ook hier geldt dat de persoonlijke omstandigheden van [werknemer] , waardoor zij de vordering niet in één keer kan betalen, geen reden kunnen vormen om de vordering op dit punt niet toe te wijzen. De proceskosten van [werkgever] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
120,78
- griffierecht
€
543,00
- salaris gemachtigde
€
678,00
(2 punten × € 339,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.476,78
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [werknemer] om aan [werkgever] te betalen een bedrag van € 9.212,13, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 30 november 2024, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [werknemer] in de proceskosten van € 1.476,78, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werknemer] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [werknemer] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Dam en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2025.