RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 11188378 \ CV EXPL 24-2328
Vonnis van 1 oktober 2025
in de zaak van
[werknemer] ,
te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [werknemer],
gemachtigde: mr. D.A. IJpelaar,
tegen
[werkgever] ,
te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [werkgever],
gemachtigde: Janssen & Janssen c.s. Gerechtsdeurwaarders.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 16 april 2025 met de daarin genoemde stukken;
- de akte van [werkgever] van 14 mei 2025 met producties;
- de antwoordakte van [werknemer], tevens houdende akte wijziging van eis, van 25 juni 2025 met producties;
- het extract audiëntieblad van 6 augustus 2025.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
Wijziging van eis
[werknemer] heeft bij akte van 25 juni 2025 zijn vordering als volgt gewijzigd.
[werknemer] vordert [werkgever] te veroordelen tot teruggave van het ten onrechte ingehouden bedrag van € 1.578,15 gerekend vanaf 1 januari 2024, althans een in goede justitie te bepalen datum en bedrag, vermeerderd met rente en kosten.
Beslagvrije voet per 1 november 2021
De kantonrechter heeft in het tussenvonnis van 16 april 2025 overwogen dat in de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet is bepaald dat bij een inkomen lager of gelijk aan de toepasselijke bijstandsnorm de beslagvrije voet gelijk is aan 95% van het netto inkomen inclusief vakantietoeslag.
[werkgever] stelt in haar akte dat de door [werknemer] in zijn conclusie van repliek genoemde regeling, waarbij of maandelijks 5% van het inkomen wordt ingehouden of het vakantiegeld één keer per jaar wordt ingehouden, alleen geldt voor uitkeringen uit hoofde van de participatiewet en voor [werknemer] nog de oude jurisprudentie van de Hoge Raad van toepassing is. [werkgever] stelt dat de deurwaarder in mei 2024 de beslagvrije voet juist heeft berekend en hierop ook aan het UWV is verzocht de beslagvrije voet aan te passen. [werkgever] heeft bij akte een overzicht van door het UWV ingehouden bedragen over de periode van 1 november 2021 tot en met 17 april 2025 overgelegd. [werkgever] stelt dat zij vooralsnog uitgaat van de juistheid van de door het UWV aangeleverde gegevens en inhoudingen.
[werknemer] heeft bij antwoordakte de betaalspecificaties van het UWV over de periode van januari 2024 tot en met mei 2025 overgelegd. [werknemer] stelt dat uit deze stukken blijkt dat sinds januari 2024 de beslagvrije voet is vastgesteld op € 1.141,88 per maand (de netto maandelijkse uitkering vermeerderd met de inhouding CAK.) [werknemer] heeft bij antwoordakte ook een berekening overgelegd, waaruit volgens hem volgt dat
[werkgever] over de periode van januari 2024 tot en met mei 2025 een bedrag van € 1.578,15 teveel heeft ingehouden. [werknemer] vordert terugbetaling van dit bedrag.
[werkgever] is vervolgens bij rolbericht van 25 juni 2025 in de gesteld om hierop bij akte van 9 juli 2025 te reageren. Aan [werkgever] is desgevraagd uitstel verleend tot de zitting van 6 augustus 2025. [werkgever] heeft geen schriftelijke reactie overgelegd, zodat de kantonrechter de zaak voor vonnis heeft verwezen.
De kantonrechter overweegt dat de (gewijzigde) vordering van [werknemer] is gebaseerd op het door hem als productie 3 bij antwoordakte overgelegde overzicht. [werknemer] is in dit overzicht uitgegaan van de bedragen, zoals genoemd in de door hem als productie 2 bij antwoordakte overgelegde betaalspecificaties van het UWV. [werkgever] heeft, hoewel zij daartoe wel in de gelegenheid is gesteld, niet bij antwoordakte op dit overzicht gereageerd.
Nu [werkgever] de juistheid van de in het overzicht genoemde bedragen niet heeft weersproken en de bedragen de kantonrechter -mede gelet op de overgelegde betaalspecificaties van het UWV- ook niet onjuist voorkomen gaat de kantonrechter uit van de in het overzicht genoemde netto-inkomsten (inclusief vakantietoeslag) en de door [werkgever] gehanteerde beslagvrije voet (van € 1.217,53 respectievelijk € 1.275,95 per maand).
[werknemer] heeft de beslagvrije voet ook juist berekend door uit te gaan van 95% van het netto inkomen inclusief vakantietoeslag. [werkgever] heeft immers niet weersproken dat het inkomen van [werknemer] in de periode van januari 2024 tot en met mei 2025 lager was dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm en de 95% regel in dit geval van toepassing was.
Uitgaande van de in het overzicht genoemde bedragen heeft [werkgever] over de periode van januari 2024 tot en met mei 2025 in totaal een bedrag van € 1.578,15 teveel op het netto inkomen van [werknemer] ingehouden. Dit bedrag is in zoverre dan ook toewijsbaar. De medegevorderde wettelijke rente over dit bedrag is als op de wet gegrond en onvoldoende weersproken eveneens toewijsbaar.
Proceskosten
[werkgever] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [werknemer] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
135,96
- griffierecht
€
87,00
- salaris gemachtigde
€
510,00
(2,5 punt × € 204,00)
- nakosten
€
102,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
834,96
3. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [werkgever] om binnen tien dagen na betekening van dit vonnis aan [werknemer] te betalen een bedrag van € 1.578,15 (gerekend vanaf 1 januari 2024), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag, vanaf de respectievelijke data van de door [werkgever] gelegde derdenbeslagen, tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 834,96, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werkgever] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Dijkman en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2025.