RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Bergen op Zoom
Zaaknummer: 11560159 \ CV EXPL 25-689
Vonnis van 15 oktober 2025
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
procederend in persoon,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. S. Kocak.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit het tussenvonnis van 30 april 2025 en de daarin genoemde processtukken.
Op 14 juli 2025 is er een mondelinge behandeling gehouden, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Aan het einde van de zitting heeft de kantonrechter bepaald dat er een vonnis zal worden uitgesproken.
2. De kern van de zaak
[eiser] en [gedaagde] hadden een relatie en zij woonden samen. Tijdens de relatie, in mei 2023, hebben zij besloten om een hond te kopen. Ieder heeft de helft van het aankoopbedrag van € 1.500,- betaald. Op 5 december 2024 is [gedaagde] met de hond uit de woning vertrokken en is de relatie geëindigd. Partijen zijn het niet eens geworden over een omgangsregeling voor de hond.
[eiser] vindt dat zij beiden eigenaar zijn van de hond, omdat zij de hond samen hebben gekocht. [eiser] wil daarom dat de kantonrechter voor recht verklaart dat zij beiden eigenaar zijn van de hond, dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door de hond van [eiser] weg te houden, dat [gedaagde] niet eenzijdig een regeling mag opleggen, dat [gedaagde] verantwoordelijk is voor het halen en brengen van de hond bij verhuizing buiten een straal van 15 kilometer buiten haar woonplaats en dat de door [eiser] voorgestelde regeling redelijk is en dat [gedaagde] daaraan moet meewerken op straffe van een dwangsom. Daarnaast wil [eiser] dat [gedaagde] de kosten van deze procedure betaalt.
[gedaagde] vindt dat alleen zij de eigenaar is van de hond. Zij was de hoofdverzorger, is steeds met de hond naar puppycursus geweest, heeft alle kosten van de dierenarts betaald en staat als enige in het inentingspaspoort. [gedaagde] wil daarom geen omgangsregeling voor de hond.
De kantonrechter zal voor recht verklaren dat beide partijen eigenaar zijn van de hond en een regeling vaststellen waaraan beide partijen zich moeten houden. Hierna wordt uitgelegd waarom.
3. De beoordeling
De kantonrechter is bevoegd
De kantonrechter heeft tijdens de mondelinge behandeling vastgesteld dat het in deze zaak eigenlijk gaat om het treffen van een gebruiksregeling als sprake is van gezamenlijk eigendom. Een partij kan de kantonrechter verzoeken om een regeling te treffen. Daarvoor had [eiser] eigenlijk een verzoekschrift moeten indienen. Tijdens de mondelinge behandeling hebben beide partijen ingestemd om het geschil toch aan de kantonrechter voor te leggen.
Om vertraging van de procedure te voorkomen, heeft de kantonrechter ter zitting bepaald dat de dagvaardingsprocedure wordt voortgezet.
[eiser] en [gedaagde] zijn allebei eigenaar van de hond
Het was de wens van [gedaagde] om een hond te kopen. [eiser] en [gedaagde] hebben ieder de helft van het aankoopbedrag van de hond betaald. Tijdens de mondelinge behandeling van de zaak heeft [gedaagde] erkend dat partijen samen hun beide namen in het paspoort van de hond hebben gezet. Pas na het verbreken van de relatie heeft [gedaagde] de naam van [eiser] in het paspoort doorgekrast. [gedaagde] heeft tijdens de zitting ook verklaard dat het de bedoeling was dat beiden de helft van alle kosten zouden dragen, zoals die van de dierenarts, kapper en de puppycursus. Dat [gedaagde] uiteindelijk (het merendeel van) de kosten heeft betaald, maakt de oorspronkelijke afspraak niet anders. Ook heeft [eiser] tijdens de zitting verklaard andere kosten te hebben betaald. Hoewel [eiser] heeft erkend dat [gedaagde] graag zelf de puppycursus wilde doen voor het opbouwen van een band met de hond, heeft hij onweersproken verklaard dat hij ook naar die cursus is geweest. Bovendien blijkt uit de verklaringen ter zitting dat ook [eiser] voor de hond zorgde en bijvoorbeeld af en toe meenam naar zijn werk.
Rekening houdende met de hiervoor genoemde omstandigheden, zijn [eiser] en [gedaagde] gezamenlijk eigenaar van de hond. De omstandigheid dat de chip op naam van [gedaagde] staat en niet op naam van [eiser] , doet daaraan niet af. De gevorderde verklaring voor recht is dan ook toewijsbaar.
De kantonrechter treft een regeling
Vaststaat dat partijen niet samen tot een regeling voor de hond zijn gekomen. [gedaagde] heeft op 10 december 2024 een regeling voorgesteld, waar [eiser] het niet mee eens was. [gedaagde] ging op haar beurt niet akkoord met de regeling die [eiser] op 13 december 2024 heeft voorgesteld.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter aan [gedaagde] gevraagd waarom zij niet akkoord is gegaan met de door [eiser] voorgestelde regeling. Zij gaf daarop aan dat een regeling niet meer mogelijk was gelet op het incident van 12 januari 2025.
Omdat op dit moment geen regeling bestaat voor de hond kan de kantonrechter op grond van de wet een regeling treffen. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de belangen van partijen als het algemeen belang.
Hoewel de kantonrechter kan indenken dat het incident van 12 januari 2025 impact heeft gehad op [gedaagde] , is onduidelijk gebleven wat de toedracht is van het incident. Partijen zijn het daarover niet eens. Daar staat tegenover dat eigendom het meest omvattende recht is dat een persoon op een zaak kan hebben. Dat is in dit geval de hond, waarvan partijen beiden eigenaar zijn. Beide partijen hebben gedurende de relatie een band met de hond opgebouwd. [eiser] heeft dus een zwaarwegend belang bij het treffen van een regeling, wat in dit geval zwaarder weegt dan de belangen van [gedaagde] om géén regeling te treffen. De kantonrechter zal daarom een regeling voor de hond treffen.
De door [eiser] voorgestelde regeling is redelijk
[eiser] heeft als regeling voorgesteld dat hij iedere twee weken van vrijdagavond om 18.00u tot zondagavond om 20.00u en één week per jaar van maandagochtend 10.00u tot zondagavond 20.00u over de hond kan beschikken. [gedaagde] heeft niet gezegd dat deze regeling onredelijk is. Partijen hebben, zoals ter zitting verklaard, zelfs voorafgaand aan het incident gesproken over een tweewekelijkse regeling. De voorgestelde regeling komt de kantonrechter ook niet onredelijk voor. De kantonrechter zal de voorgestelde regeling dan ook treffen met ingang van 1 november 2025.
Partijen moeten in overleg (eventueel via een derde) invulling geven aan de regeling, zoals bijvoorbeeld het ophalen dan wel brengen van de hond en welk(e) week(end) het beste voor hen uitkomt. Beide partijen moeten hun medewerking verlenen aan die invulling. Het was immers hun gezamenlijke keuze om een hond te kopen en moeten daar dan ook allebei hun verantwoordelijkheid voor nemen, mede in het belang van de hond.
[gedaagde] moet een dwangsom betalen als zij zich niet aan de regeling houdt
[eiser] heeft gevorderd dat [gedaagde] een dwangsom moet betalen, als zij zich niet aan de regeling houdt. Omdat [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling van de zaak stellig aangaf dat er volgens haar geen regeling zou moeten komen, ziet de kantonrechter aanleiding om haar een dwangsom op te leggen.
De gevorderde dwangsom wordt wel beperkt, in die zin dat [gedaagde] aan [eiser] € 100,- per dag moet betalen als zij zich niet aan de regeling houdt, met een maximum van € 5.000,-. Overigens geldt voor [eiser] dat hij zich ook aan de vastgestelde regeling dient te houden.
De overige verklaringen voor recht worden afgewezen
De kantonrechter wijst de overige gevorderde verklaringen voor recht af. [eiser] heeft onvoldoende aangevoerd en onderbouwd dat sprake is van onrechtmatig handelen van [gedaagde] door de hond bij hem weg te houden. Omdat de kantonrechter een regeling heeft vastgesteld, heeft [eiser] geen belang meer bij zijn gevorderde verklaring voor recht over de door [gedaagde] voorgestelde regeling. De verklaring voor recht dat [gedaagde] de hond moet halen en brengen bij een eventuele verhuizing, acht de kantonrechter onredelijk.
Iedere partij betaalt de eigen proceskosten
Omdat partijen een relatie met elkaar hebben gehad en deze procedure betrekking heeft op de afwikkeling daarvan, zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
4. De beslissing
De kantonrechter
verklaart voor recht dat de hond gezamenlijk eigendom is van [eiser] en [gedaagde] ,
treft een regeling ten aanzien van de hond, waarbij [eiser] met ingang van 1 november 2025 iedere twee weken van vrijdagavond om 18.00u tot zondagavond om 20.00u en één week per jaar van maandagochtend 10.00u tot zondagavond 20.00u over de hond kan beschikken,
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 100,00 voor iedere dag dat zij de in 4.2 genoemde regeling voor de hond niet nakomt, tot een maximum van € 5.000,00 is bereikt,
verklaart dit vonnis voor het onder 4.2. en 4.3. genoemde uitvoerbaar bij voorraad,
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Dam en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2025.