RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 11647269 \ CV EXPL 25-1778
Vonnis van 15 oktober 2025
in de zaak van
PERSPECTIVE OPLEIDINGEN EN PROJECTEN SERVICES B.V.,
te Ridderkerk,
eisende partij,
hierna ook te noemen: POPS,
gemachtigde: mr. G. Bloem,
tegen
1. [gedaagde 1] B.V.,
te [plaats] ,2. [gedaagde 2] B.V.,
te [plaats] ,3. [gedaagde 3] B.V.,
te [plaats] ,
gedaagde partijen,
hierna ook te noemen (respectievelijk): [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] ,
procederend in de persoon van [persoon] , (in)direct bestuurder van gedaagde partijen.
1. De zaak in het kort
POPS vordert in deze procedure betaling van een factuur met betrekking tot gegeven opleidingen en afgenomen examens. Deze vordering is toewijsbaar ten aanzien van de opdrachtgever [gedaagde 3] . [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn geen contractspartij, zodat de vordering ten aanzien van hen wordt afgewezen.
2. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de conclusie van repliek- de conclusie van dupliek- de akte van POPS.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3. De feiten
POPS heeft als opleidingscentrum opleidingen gegeven en examens afgenomen ten behoeve van personeel van [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en/of [gedaagde 3] .
Op 13 januari 2025 heeft POPS een factuur (ten bedrage van € 4.658,50 met factuurnummer: [factuurnummer] ) opgesteld ten name van [gedaagde 1] met als referentie: “Examens steigerbouw 12-1-2015”. Op de factuur staan onder het kopje omschrijving de namen [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] en [naam 7] .
4. Het geschil
POPS vordert – samengevat – (hoofdelijke) veroordeling van [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] tot betaling van € 4.658,50, vermeerderd met rente en kosten.
Gedaagde partijen voeren verweer. Zij concluderen tot afwijzing van de vorderingen van POPS.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5. De beoordeling
POPS heeft gesteld en onderbouwd dat zij in opdracht van [gedaagde 3] opleidingen heeft gegeven en examens heeft afgenomen ten behoeve van personeel van [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en/of [gedaagde 3] . Gedaagde partijen hebben deze stelling erkend, althans niet (voldoende) betwist.
Bij dupliek voeren gedaagde partijen wel de volgende drie verweren:
geen van de deelnemers die geslaagd is heeft een pas of diploma ontvangen;
het is een grote puinhoop met de facturen;
er is afgesproken dat er een bedrag van € 1.633,50 gecrediteerd zou worden op factuur 2025-067 en/of 2025-015, maar dat is niet gebeurd.
De kantonrechter is van oordeel dat voormelde verweren niet aan toewijzing van de vordering in de weg staan.
POPS voert aan dat zij de certificaten van de geslaagde kandidaten overeenkomstig de gemaakte afspraken heeft verzonden nadat betaling had plaatsgevonden. Het certificaat van één geslaagde kandidaat is nog niet verzonden wegens het uitblijven van betaling van de in deze procedure gevorderde factuur. In het licht van deze gemotiveerde betwisting is de kantonrechter van oordeel dat gedaagde partijen dit bevrijdende verweer onvoldoende hebben onderbouwd.
Deze stelling is naar het oordeel van de kantonrechter te algemeen om als voldoende specifiek(e) betwisting van of verweer op de in deze procedure gevorderde factuur ( [factuurnummer] ) te kunnen gelden. Bovendien heeft POPS de betreffende stelling gemotiveerd betwist en in dat licht hebben gedaagde partijen deze stelling onvoldoende onderbouwd.
Dat er op een andere factuur van POPS nog een creditering plaats moet vinden, heeft naar het oordeel van de kantonrechter zonder nadere toelichting, die ontbreekt, geen invloed op de verschuldigdheid van de in deze procedure gevorderde factuur. Daarom slaagt ook dit verweer niet.
Aangezien de vorderingen van POPS de kantonrechter ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen, zullen deze op de in de beslissing weergegeven wijze worden toegewezen, met dien verstande dat dit alleen geldt ten aanzien van [gedaagde 3] . Tussen partijen staat immers in rechte vast dat [gedaagde 3] de opdrachtgever was. Dat de factuur – al dan niet op verzoek van [gedaagde 3] – op naam van [gedaagde 1] is gezet, maakt (zonder nadere toelichting, die ontbreekt,) niet dat [gedaagde 3] contractspartij is geworden. En dat POPS eerder afgenomen examens destijds heeft gefactureerd aan [gedaagde 2] maakt ook laatstgenoemde geen contractspartij. Daarom zullen de vorderingen ten aanzien van hen ( [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ) worden afgewezen.
POPS vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). POPS heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. POPS heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. POPS heeft het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met btw. De gevorderde btw zal worden afgewezen, omdat POPS niet heeft gesteld geen ondernemer te zijn op grond van de Wet op de omzetbelasting 1968 of als ondernemer een vrijgestelde prestatie te hebben verricht. Daarom zal een bedrag van € 590,85 worden toegewezen.
Uit het voorgaande volgt dat in totaal het volgende bedrag wordt toegewezen:
- hoofdsom - rente tot en met 8 april 2025
€€
4.658,5066,88
+
totaal
€
4.725,38
- betalingen
€
0,00
-/-
Totaal
€
4.725,38
[gedaagde 3] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van POPS betalen. Deze kosten worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
128,25
- griffierecht
€
543,00
- salaris gemachtigde
€
847,50
(2,5 punten × € 339,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.653,75
Daarnaast is POPS ten aanzien van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in het ongelijk gesteld. Daarom moet POPS de proceskosten van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betalen. Echter, aangezien gedaagde partijen in persoon procederen en alle drie vertegenwoordigd worden door [persoon] , die voor alle drie de gedaagde partijen hetzelfde verweer heeft gevoerd, worden deze kosten begroot op nihil.
6. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde 3] om aan POPS te betalen een bedrag van € 4.725,38, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 4.658,50, met ingang van 9 april 2025, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde 3] om aan POPS te betalen een bedrag van € 590,85 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt [gedaagde 3] in de proceskosten van POPS van € 1.653,75, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt POPS in de proceskosten van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot op heden begroot op nihil,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Zander en in het openbaar uitgesproken op15 oktober 2025.