RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 11835231 \ VV EXPL 25-67
Vonnis in kort geding van 22 oktober 2025
in de zaak van
DE VERENIGING MET VOLLEDIGE RECHTSBEVOEGDHEID LAURENTIUS,
te Breda,
eisende partij,
hierna te noemen: Laurentius,
gemachtigde: mr. J.B.L. van de Weteringe Buys-Kroon,
tegen
[huurder] ,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [huurder] ,
gemachtigde: mr. F. Ergec.
1. De zaak in het kort
Laurentius vordert ontruiming door [huurder] van de door hem van Laurentius gehuurde woning, omdat de huurovereenkomst door opzegging door [huurder] is geëindigd. [huurder] is van mening dat hij de huuropzegging buitengerechtelijk heeft vernietigd op grond van dwaling, althans misbruik van omstandigheden. De kantonrechter is van oordeel dat [huurder] de opzegging terecht heeft vernietigd. Wel is er voldoende grond om aan te nemen dat de huurovereenkomst in een bodemprocedure alsnog ontbonden zal worden, omdat [huurder] zijn woning zonder toestemming van Laurentius aan anderen in gebruik heeft gegeven, terwijl hij wist dat dat niet mocht en hij gewaarschuwd was. Daarom wijst de kantonrechter de ontruiming toe.
2. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 12
- de akte wijziging/vermeerdering van eis van 8 oktober 2025 met producties 13 en 14
- bericht van 7 oktober 2025 met producties 1 tot en met 9 van [huurder]- de mondelinge behandeling van 8 oktober 2025, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt- de pleitnota van [huurder] .
3. De feiten
De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten:
- Laurentius heeft met ingang van 30 mei 2018 de sociale huurwoning [verder: de woning] aan [adres] aan [huurder] verhuurd.
- Op de huurovereenkomst zijn de algemene voorwaarden ‘Huurvoorwaarden Laurentius’ [verder: de AHV] van toepassing. In artikel 8 van deze voorwaarden is onder andere opgenomen:
Huurder gebruikt en onderhoudt het gehuurde zoals het een goed huurder betaamt.
Het is huurder niet toegestaan om zonder de voorafgaande schriftelijke toestemming van verhuurder het gehuurde geheel of gedeeltelijk onder te verhuren of in gebruik te geven aan derden, dan wel het gehuurde op internet of anderszins aan derden te huur of in gebruik aan te bieden. […]
Bij vermoedens van het niet hebben van hoofdverblijf en/of het geheel of gedeeltelijk onder verhuren dan wel het geheel of gedeeltelijk in gebruik geven van het gehuurde aan derden, rust op huurder de bewijslast dat hij onafgebroken zijn hoofdverblijf heeft behouden in het gehuurde en hij het gehuurde niet geheel of gedeeltelijk heeft onderverhuurd of in gebruik heeft gegeven aan derden.
- In december 2024 heeft Laurentius geconstateerd dat er in de BRP (Basisregistratie Personen) naast [huurder] nog zeven personen en een kind op het adres staan ingeschreven.
- Tijdens een onaangekondigd huisbezoek op 27 januari 2025 heeft Laurentius [huurder] in de woning gesproken. Van dit bezoek heeft Laurentius op 28 januari 2025 een schriftelijke bevestiging gestuurd. Daarin heeft zij onder andere geschreven:
“ Er staan zeer veel personen bij u ingeschreven
In totaal zouden dit, naast u, 7 personen en een kind zijn. U geeft aan dat 2 personen
het adres gebruiken als postadres en 2 personen wonen bij u. En 1 persoon en het
kind staan niet meer ingeschreven.
Binnen 1 maand moet u de gegevens op orde brengen bij de gemeente en Laurentius […]
U mag niet zomaar personen bij u in laten wonen
Hiervoor moet u toestemming vragen bij Laurentius. Daarnaast vinden wij het niet goed dat u uw adres als postadres gebruikt.
Over een maand kom ik weer op huisbezoek
Dan wil ik ook alle andere vertrekken zien in de woning, Ook zal ik controleren of de gegevens bij de gemeente dan kloppen. […]”
- De gemeente heeft op 27 februari 2025 een e-mailbericht gestuurd aan Laurentius. Daarin heeft een medewerker adresonderzoek onder meer geschreven:
“Wij hebben gisteren een persoonlijk gesprek gehad met mevrouw [naam] . Zij verklaart woonachtig te zijn op het [adres] . Desgevraagd verklaarde zij dat zij huur betaald aan de heer [huurder] (jullie huurder). Zij wilde het bedrag niet met ons delen. Onze vermoedens kloppen, er is dus sprake van kamerverhuur. Vanochtend hebben wij een huisbezoek afgelegd en troffen mevrouw [naam] aan in de woning met haar kind. De kamer was nu volledig ingericht met haar spullen en van haar kind.”
- Op 13 maart 2025 heeft de gemeente met Laurentius de woning nog een keer bezocht. De inspecteur Toezicht en Handhaving heeft van dit bezoek op ambts-belofte een proces-verbaal opgemaakt:
“1. Hoofdbewoner gaf aan dat er 6 personen gebruikt maakten van de woning
2. Hoofdbewoner int geen huur voor de kamers maar voorziet personen alleen van onderdak
3. Diverse kosten werden wel gedeeld (100 tot 150 euro per bewoner) verklaarde de
hoofdbewoner zoals:
Boodschappen
Gas water en electra
4. Op de 1e verdieping waren 3 ruimtes in gebruik door andere personen als de hoofd bewoner alle ruimtes waren afgesloten
5. Op de zolder was nog een kamer ook deze was afgesloten
6. Op diverse plaatsen in de woning waren verschillende maten schoenen aanwezig
7. De keuken had geen indeling of gescheiden delen voor verschillende bewoners
8. Hoofdbewoner woont zelf in de woonkamer
9. Verschillende jassen en kleding aangetroffen in de woning
10. Geen verdere personen aangetroffen
11 Hoofd bewoner gaf aan bezig te zijn om diverse personen aan te melden op het adres zowel bij de gemeente als de woning coöperatie
12. Hoofdbewoner kon niet alle namen / gegevens verstrekken van personen die verblijven in de woning”
- Laurentius heeft in haar intern dossier over dit bezoek onder andere het volgende genoteerd:
“Hoofdhuurder deed de deur open in zijn werkkleding en maakte een zenuwachtige indruk. Meneer verklaarde dat er 5 mensen wonen. Meneer kende maar weinig namen van de huurders. Alle kamers op de eerste en tweede verdieping zaten op slot. Meneer versprak zich regelmatig. Na doorvragen bleek dat er 6 mensen zouden moeten wonen. We zagen ook veel schoenen staan in de woning. De BRP heeft ook een maal zijn vriendin aangetroffen. Meneer wist enkel de voornaam van zijn vriendin, wist haar leeftijd niet en wist niet waar zij woonde. We hebben gevraagd waar iedereen was, maar meneer verklaarde dat iedereen aan het werk was. Ook moest meneer zelf naar zijn werk. Hij vertelde dat hij 18.30 uur moest vertrekken. Rond dit tijdstip zijn wij ook vertrokken.”
- Op 27 maart 2025 heeft Laurentius aan [huurder] een brief gestuurd. Daarin heeft zij aangegeven:
“ Wij verwachten u op 3 april om 15.30 uur op ons kantoor
Wij willen met u in gesprek over de bewoning die niet klopt. U wordt verwacht op ons kantoor aan [locatie].
De bewoning klopt niet
U staat alleen op de huurovereenkomst. Er wonen andere personen bij u in en alle kamers zijn op slot. Dit duidt op het verhuren van kamers. Dit staat Laurentius niet toe. Wij willen met u hierover in gesprek.”
- Op 3 april 2025 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen twee medewerkers van Laurentius en [huurder] op het kantoor van Laurentius. Tijdens dat gesprek heeft [huurder] een huuropzeggingsformulier ondertekend. Daarop staat een opzegging van de huurovereenkomst van de woning per 1 augustus 2025.
- Op 30 april 2025 heeft Laurentius per e-mail de huuropzegging bevestigd aan [huurder] en hem gevraagd om een afspraak in te plannen voor een voor- en eindopname.
- Op 2 juni 2025 heeft Laurentius per brief nogmaals aan [huurder] bevestigd dat de huurovereenkomst per 1 augustus 2025 is beëindigd en gevraagd om contact op te nemen voor de vooropname.
- Op 9 juli 2025 heeft de gemachtigde van [huurder] aan Laurentius per brief laten weten dat [huurder] het niet eens is met het einde van de huurovereenkomst. Daarbij heeft hij geschreven:
“Cliënt geeft aan dat hij onder druk wel een formulier heeft ondertekend, maar dat hem niet helemaal duidelijk is wat hij precies heeft ondertekend. Heeft u hier meer duidelijkheid in? Heeft u hier bewijs van? Ik verzoek u dit aan mij te overleggen, zodat ik namens cliënt een nader standpunt kan innemen.”
- Laurentius heeft hierop via haar gemachtigde gereageerd op 17 juli 2025 en haar standpunt gehandhaafd. Daarbij heeft zij aangegeven dat [huurder] de woning op tijd moet opleveren en Laurentius anders een kort geding zal starten.
- Lopende de procedure heeft [huurder] op 6 oktober 2025 een brief gestuurd aan Laurentius, waarin hij onder andere heeft geschreven:
“Voor zover daaraan [het door [huurder] ondertekende huuropzeggingsformulier] enig rechtsgevolg ontleend zou mogen worden. heeft cliënt geen andere keus dan de buitengerechtelijke vernietiging van voornoemde verklaring in te roepen op grond van dwalingex artikel 6:228 lid sub a BW, subsidiair misbruik van omstandigheden ex artikel 3:44 lid 4 BW.”
4. Het geschil
Laurentius vordert uitvoerbaar bij voorraad samengevat - ontruiming van de woning aan [adres] binnen drie dagen na betekening van het vonnis en, na eisvermeerdering, betaling van een bedrag van € 1.622,34, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van de akte eisvermeerdering. Ook wil zij dat [huurder] de proceskosten moet betalen.
Laurentius voert als grondslag voor de vordering tot ontruiming aan dat [huurder] de huur heeft opgezegd per 1 augustus 2025, maar de woning nog niet heeft opgeleverd. Daarom houdt hij de woning sinds 1 augustus 2025 zonder recht of titel onder zich. Daarbij beroept Laurentius zich op artikel 7:224 lid 1 en artikel 5:2 BW (Burgerlijk Wetboek). Voor het geval de huurovereenkomst niet rechtsgeldig zou zijn beëindigd, beroept Laurentius zich erop dat [huurder] tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen als huurder. Volgens Laurentius heeft [huurder] gehandeld in strijd met artikel 8.4 van de AHV door meerdere kamers van zijn woning onder te verhuren of in gebruik te geven aan derden zonder haar toestemming. Het spoedeisend belang van Laurentius ligt erin dat zij de woning op grond van haar wettelijke plicht van artikel 19 Woningwet zo spoedig mogelijk wil verhuren aan iemand die de woning hard nodig heeft. Bovendien wil zij haar eigendomsrecht handhaven, wat volgens Laurentius naar haar aard spoedeisend is. Het gevorderde bedrag ziet op een gebruiksvergoeding dan wel - als er toch nog een huurovereenkomst zou zijn - de huur van de maanden augustus en september 2025.
[huurder] voert verweer. [huurder] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Laurentius, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Laurentius, met veroordeling van Laurentius in de kosten van deze procedure.
[huurder] voert daarbij aan dat hij de huuropzegging buitengerechtelijk heeft vernietigd op grond van dwaling (artikel 6:228 sub b BW) of misbruik van omstandigheden (artikel 3:44 lid 4 BW). Daarnaast betwist hij dat sprake is van een tekortkoming. Er wonen geen andere mensen in de woning. De mensen die in de BRP op dat adres staan ingeschreven, staan daar alleen ingeschreven, omdat zij zijn adres gebruiken als postadres. Het klopt wel dat hij de huur niet helemaal heeft betaald, maar dat is volgens hem beperkt tot een bedrag van € 846,68, net iets meer dan één maand huur.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
5. De beoordeling
Toetsingskader
De kantonrechter stelt voorop dat toewijzing in kort geding van een vordering tot ontruiming van een woning een ingrijpende maatregel is, die diep ingrijpt in het woonrecht van de huurder en die in de praktijk vaak tot praktisch onomkeerbare gevolgen zal leiden. Een vordering tot ontruiming van een woning in kort geding kan daarom in beginsel alleen worden uitgesproken als voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter, als het geschil in een bodemprocedure wordt voorgelegd, de huurovereenkomst zal ontbinden en de huurder tot ontruiming zal veroordelen. Bovendien moet de verhuurder een spoedeisend belang hebben bij de ontruiming, waardoor het voor de verhuurder bezwaarlijk is om de uitkomst van een bodemprocedure af te wachten.
Spoedeisend belang
De kantonrechter is van oordeel dat het vereiste spoedeisend belang aanwezig is, gelet op de stelling van Laurentius dat [huurder] de woning zonder recht of titel onder zich houdt. Daardoor kan Laurentius de woning niet aan anderen verhuren, terwijl het haar wettelijke verplichting is om te zorgen voor een goede verdeling van haar de sociale huurwoningen, waarvoor een grote wachtlijst bestaat.
Hierna beoordeelt de kantonrechter of de vordering van Laurentius in dit kort geding ook echt toewijsbaar is.
Beoordeling of toewijzing in een bodemprocedure voldoende aannemelijk is
De eerste vraag die moet worden beantwoord, is of de opzegging van de huurovereenkomst door [huurder] buitengerechtelijke vernietigd is. In dat geval kan de vordering tot ontruiming niet worden gebaseerd op de grond dat [huurder] de woning zonder recht of titel onder zich houdt. De kantonrechter is van oordeel dat de overeenkomst buitengerechtelijk is vernietigd op grond van de volgende overwegingen.
Dwaling dan wel van misbruik van omstandigheden?
[huurder] stelt dat Laurentius in het gesprek op 3 april 2025 op kantoor bij Laurentius heeft gezegd dat hij binnen een week de woning zou moeten verlaten als hij niet zelf de huurovereenkomst zou opzeggen. Op grond van deze inlichting heeft [huurder] volgens hem het opzeggingsformulier getekend en is een termijn van vier maanden afgesproken. Als hij had geweten dat hij niet binnen een week de woning kon worden uitgezet, had hij het formulier niet ondertekend. Laurentius heeft echter betwist dat zij dit heeft gezegd. Volgens haar heeft ze alleen aangegeven dat als [huurder] de huur niet zelf zou opzeggen, Laurentius een procedure zou starten. Gelet op de betwisting door Laurentius kan de kantonrechter niet vaststellen dat Laurentius verkeerde informatie heeft gegeven aan [huurder] op grond waarvan hij de huurovereenkomst heeft opgezegd. Voor nader onderzoek op dit punt is in kort geding geen plaats.
[huurder] heeft subsidiair aangevoerd dat hij onder druk heeft getekend. Volgen hem heeft Laurentius misbruik gemaakt van de omstandigheid dat hij op gesprek kwam zonder dat hij precies wist waarvoor. Toen hij het huuropzegformulier kreeg, wilde [huurder] daarover graag nog juridisch advies krijgen, bijvoorbeeld van een jurist of via internet. Die gelegenheid heeft Laurentius hem volgens [huurder] niet gegeven. Hoewel de kantonrechter van oordeel is dat Laurentius in haar brief voldoende duidelijk heeft aangegeven dat het gesprek over de verboden inwoning ging, staat in de brief niet dat in het gesprek ook mogelijk de beëindiging van de huurovereenkomst aan de orde zou komen. Laurentius heeft bovendien niet betwist dat [huurder] had aangegeven nog juridisch advies te willen, maar dat zij die gelegenheid niet aan [huurder] heeft gegeven. Zeker omdat Laurentius een professionele verhuurder is, mocht van haar verwacht worden dat zij [huurder] die gelegenheid wel zou geven. Daarom is de kantonrechter van oordeel dat sprake is van misbruik van omstandigheden door Laurentius. Dat betekent dat [huurder] de huuropzegging met zijn brief van 6 oktober 2025 op juiste grond heeft vernietigd, zodat de huurovereenkomst is blijven bestaan.
Is sprake van een tekortkoming?
Vervolgens moet de kantonrechter beoordelen of het voldoende aannemelijk is dat ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning in een bodemprocedure zullen worden toegewezen. Daarbij is uitgangspunt dat als [huurder] een verplichting uit de huurovereenkomst niet is nagekomen (een tekortkoming), dit reden kan zijn om de huurovereenkomst te ontbinden, tenzij de tekortkoming, door haar bijzondere aard of doordat die van weinig betekenis is, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.
Laurentius is van mening dat [huurder] tekort is geschoten in zijn verplichting om zich als goed huurder te gedragen, omdat hij zijn woning aan derden heeft onderverhuurd dan wel in gebruik heeft gegeven zonder toestemming van Laurentius. Daarbij voert Laurentius als eerste aan dat in december 2024 zeven personen naast [huurder] op het adres van de woning stonden ingeschreven in de BRP. Daarnaast voert Laurentius aan dat [huurder] tijdens het huisbezoek in januari 2025 zelf heeft verklaard dat er twee personen in de woning wonen, twee personen het adres gebruiken als postadres en een vrouw met haar kind zich gelijk weer hebben uitgeschreven. De gemeente heeft volgens Laurentius met de vrouw en haar kind gesproken, waarbij de vrouw heeft verklaard dat zij op het adres woonde en huur betaalde aan [huurder] . De gemeente heeft daarna tijdens een bezoek aan de woning geconstateerd dat de kamer van de vrouw volledig was ingericht met spullen van haar en haar kind. Tijdens het huisbezoek van de gemeente op 13 maart 2025 waar Laurentius ook bij aanwezig was, heeft [huurder] volgens Laurentius opnieuw verklaard dat er meerdere mensen bij hem woonden. Laurentius heeft toen zelf veel schoenen in verschillende maten bij de kamerdeuren zien staan. De kamerdeuren waren op slot. Laurentius heeft ter onderbouwing van dit alles een intern verslag van haar en een e-mail van 27 februari 2025 van de gemeente overgelegd. Ook heeft Laurentius hiervoor verwezen naar het ambtsverslag van de gemeente van het huisbezoek van 13 maart. Daarin staat dat [huurder] heeft verklaard dat hij onderdak verleent aan de mensen en dat geen huur wordt betaald, maar dat wel diverse kosten zoals voor energieverbruik worden gedeeld. Ook staat daarin vermeld dat er op diverse plaatsen in de woning verschillende maten schoenen stonden en dat [huurder] in de woonkamer woont.
[huurder] heeft betwist dat er andere personen bij hem in zijn woning wonen of hebben gewoond. Alle personen die in de BRP op zijn adres stonden en staan ingeschreven, gebruiken het adres volgens hem alleen als postadres. Daarmee wil hij hen helpen. Dat geldt volgens hem ook voor de vrouw met haar kind. Zij woont volgens [huurder] bij haar moeder in Nijmegen, maar had een postadres nodig om haar paspoort te kunnen verlengen.
De kantonrechter is van oordeel dat [huurder] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat hij zijn woning aan meerdere mensen in gebruik heeft gegeven zonder toestemming van Laurentius.
Ten eerste staan op de overgelegde uitdraai van de BRP vanaf 2022 meerdere personen als bewoner opgenomen op het adres van de woning. Achter hun namen staat bij iedereen als functie adres vermeld ‘woonadres’. [huurder] heeft niet toegelicht waarom daar niet ‘postadres’ staat, terwijl dat bij gebruik als postadres wel op die manier wordt opgenomen in de BRP. Ook blijkt uit de gegevens van de BRP dat er zelfs na de waarschuwing door Laurentius en ook na dagvaarding nog andere personen in de BRP op het adres van de woning zijn ingeschreven.
Ten tweede blijkt niet dat [huurder] een verzoek om inwoning heeft ingediend bij Laurentius althans, dat Laurentius toestemming heeft gegeven voor inwoning. De kantonrechter constateert dat de weergave van het bezoek op 13 maart 2025 door Laurentius in haar logboek op belangrijke punten overeenkomt met het verslag dat de inspecteur van de gemeente heeft gemaakt. Daarbij merkt de kantonrechter op dat het verslag van de gemeente een proces-verbaal op ambtsbelofte is. [huurder] heeft weliswaar betwist dat hij heeft verklaard dat er andere personen in de woning woonden, maar hij heeft dat verder niet onderbouwd of toegelicht. Het had op de weg van [huurder] gelegen - gelet op de uitgebreid onderbouwde stellingen van Laurentius – om zijn verweer nader met feiten en omstandigheden te onderbouwen. De enkele betwisting dat er geen sprake was van bewoning door andere personen is onvoldoende.
[huurder] heeft geen goede verklaring gegeven voor het feit dat hij de deuren van de kamers op slot hield tijdens het bezoek van 13 maart 2025. Weliswaar heeft [huurder] tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat hij het zat was om telkens te moeten verklaren waarom de kamers leeg waren, terwijl er mensen stonden ingeschreven in de BRP, maar zonder nadere toelichting, die [huurder] niet heeft gegeven, is dat onvoldoende verklaring waarom hij de deuren op slot hield tijdens het bezoek. Dat geldt te meer, omdat Laurentius in haar brief van 28 januari al had aangegeven dat zij, als zij weer op huisbezoek zou komen, ook alle andere vertrekken wilde zien.
De kantonrechter is op grond van deze overwegingen van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat [huurder] zijn woning aan meerdere personen in gebruik heeft gegeven zonder toestemming van Laurentius. Daar is [huurder] bovendien mee doorgegaan nadat Laurentius hem had gewaarschuwd dat dit niet mocht. Dat betekent dat [huurder] in strijd met de huurovereenkomst heeft gehandeld en er dus sprake is van een tekortkoming, die ernstig genoeg is om de ontbinding van de huurovereenkomst te rechtvaardigen.
De kantonrechter is daarbij van oordeel dat het niet aannemelijk is dat de omstandigheden die [huurder] heeft aangevoerd en waarmee hij een beroep doet op de ‘tenzij-bepaling’ van artikel 6:265 BW ertoe zullen leiden dat de ontbinding niet wordt toegewezen in een bodemprocedure. [huurder] heeft deze omstandigheden namelijk niet onderbouwd. Zo is niet gebleken op grond waarvan het behoud van deze specifieke woning voor hem essentieel is voor behoud van zijn baan of in het kader van zijn gezondheid. Hoewel het belangrijk is dat [huurder] omgang kan hebben met zijn kinderen uit zijn vorige relatie, wordt dat niet onmogelijk als hij zijn woning kwijtraakt. Bovendien wonen zij bij hun moeder in Duitsland. Ook kunnen de toekomstplannen van [huurder] om met zijn zwangere vriendin te gaan samenwonen niet meewegen, omdat zij niet als (mede-) huurder staat ingeschreven. Het is dan ook aannemelijk dat het belang van Laurentius om het gehuurde zo snel mogelijk te kunnen verhuren aan een gezin dat al lang op de wachtlijst staat voor een sociale huurwoning in dit geval zwaarder zal wegen.
[huurder] moet de woning binnen veertien dagen ontruimen
Op grond van deze overwegingen is de kantonrechter van oordeel dat het voldoende aannemelijk is dat de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning zullen worden toegewezen in een bodemprocedure. Daarom wijst de kantonrechter de ontruiming van de woning toe. Daarbij wordt een termijn gegeven van veertien dagen, omdat dat een redelijke termijn is en [huurder] niet heeft gemotiveerd waarom een langere termijn van drie maanden noodzakelijk is. Dat geldt te meer, omdat [huurder] al geruime tijd weet dat Laurentius wil dat hij de woning ontruimt.
Er is sprake van een huurachterstand die [huurder] moet betalen
Na eisvermeerdering vordert Laurentius ook betaling van de huurachterstand over de maanden augustus en september 2025, in totaal een bedrag van € 1.622,34.
De kantonrechter moet met de beoordeling van een geldvordering in kort geding terughoudend zijn. Dat neemt niet weg dat als de hoofdvordering - ontruiming van het gehuurde - voldoende spoedeisend is om in kort geding te kunnen worden beoordeeld, de proceseconomie ermee gebaat is dat in hetzelfde geding ook over een daarmee nauw verwante nevenvordering kan worden beslist. De kantonrechter is van oordeel dat daarvan in dit geval sprake is en zal daarom ook deze vordering beoordelen.
Laurentius heeft als onderbouwing van haar vordering het volgende overzicht van 25 september 2025 overgelegd:
Daarbij heeft Laurentius aangevoerd dat [huurder] de huur bij vooruitbetaling moest betalen. [huurder] heeft betwist dat dit bedrag nog openstaat. Ter onderbouwing daarvan heeft hij bankafschriften overgelegd van 23 mei 2025, 24 juni 2025 en 23 september 2025. Tijdens de mondelinge behandeling heeft hij toegevoegd dat hij in juli 2025 nog een bedrag van € 775,66 heeft betaald. Laurentius heeft dat niet betwist. Volgens [huurder] staat er daarom nog een bedrag open van € 846,68, zijnde één maand huur en een klein bedrag dat in juli te weinig is betaald, omdat de huur toen € 811,17 was.
[huurder] heeft bij zijn bankoverschrijvingen niet aangegeven op welke maandhuur de betalingen zien. In het door Laurentius overgelegde overzicht staat geen informatie van vóór augustus 2025. Laurentius heeft ook niet onderbouwd welke huurbetalingen van [huurder] op welke huurtermijnen door haar zijn afgeboekt vóór augustus 2025. [huurder] heeft niet betwist dat de huur vóór de eerste van de maand moet zijn betaald. Op grond hiervan gaat de kantonrechter ervan uit dat de betalingen van [huurder] betrekking hebben op de huurtermijn van de maand die volgt op de maand waarin hij heeft betaald.
huur van augustus 2025
Dat betekent dat de betaling van juli 2025 moet worden aangemerkt als betaling voor de huur van augustus. Vast staat dat [huurder] in juli een bedrag van (€ 811,17 - € 775,66 =) € 35,51 te weinig heeft betaald. De gevorderde betaling van de huur voor augustus wijst de kantonrechter daarom toe tot een bedrag van € 35,51.
huur van september 2025
In augustus 2025 heeft [huurder] niet betaald. Dat betekent dat [huurder] de huur voor de maand september 2025 niet heeft betaald. Weliswaar heeft hij in september een bedrag betaald, maar deze betaling moet worden aangemerkt als betaling voor oktober. Dat betekent dat de maand september 2025 nog openstaat. De gevorderde betaling van die termijn, een bedrag van € 811,17, wijst de kantonrechter daarom toe.
[huurder] moet wettelijke rente betalen
Laurentius vordert wettelijke rente over de huurachterstand vanaf de datum van haar akte, 8 oktober 2025. Op grond van artikel 6:119 BW is een partij wettelijke rente verschuldigd vanaf de dag van verzuim en daarmee vanaf het moment dat hij had moeten betalen, maar dat niet deed. Vast staat dat [huurder] de huur niet op tijd heeft betaald, zodat hij op 8 oktober 2025 in ieder geval in verzuim was. Daarom wijst de kantonrechter de wettelijke rente zoals gevorderd toe.
[huurder] moet ook de proceskosten betalen
[huurder] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Laurentius worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
146,14
- griffierecht
€
135,00
- salaris gemachtigde
€
814,00
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.230,14
6. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [huurder] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de woning aan [adres] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Laurentius zijn, en de sleutels af te geven aan Laurentius,
veroordeelt [huurder] om te betalen aan Laurentius een bedrag van € 846,68 aan achterstallige huur over de maanden augustus en september 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente over de verschuldigde huurtermijnen vanaf 8 oktober 2025 tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [huurder] in de proceskosten van € 1.230,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [huurder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [huurder] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Eijssen-Vruwink en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2025.