RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 11828833 \ CV EXPL 25-2552
Vonnis in het incident van 29 oktober 2025
in de zaak van
[eiser] ,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
procederend in persoon,
tegen
[gedaagde] ,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. H.J. van Amerongen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 11 juli 2025 met producties,
de conclusie van antwoord tevens inhoudende een incidentele conclusie tot
niet-ontvankelijkheid,
- het extract audiëntieblad van de rolzitting van 17 september 2025 met de conclusie van antwoord in het incident.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. Het geschil
in de hoofdzaak
[eiser] vordert - samengevat – primair om [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 20.000,00 en subsidiair om [gedaagde] te veroordeling tot betaling van € 20.000,00 vanaf de verkoopdag van het bedrijfspand, vermeerderd met rente en kosten.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
in het incident
[gedaagde] verzoekt de kantonrechter om [eiser] niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de vordering van [eiser] (nog) niet opeisbaar is.
[eiser] voert verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
3. De beoordeling
in het incident
De vraag in het incident is of [eiser] ontvankelijk is in haar vorderingen.
[eiser] baseert haar (subsidiaire) vordering op een afspraak uit de overeenkomst die inhoudt dat zij bij verkoop van de bedrijfsruimte een vergoeding van € 20.000,00 zal ontvangen. Volgens [gedaagde] is de omstandigheid van verkoop van de bedrijfsruimte (nog) niet ingetreden, zodat de vordering tot betaling nog niet opeisbaar is. Volgens [gedaagde] is [eiser] daarom niet-ontvankelijk in haar vordering.
De kantonrechter stelt voorop dat een vordering in het algemeen slechts kan worden toegewezen als de schuld opeisbaar is. Daaruit volgt nog niet meteen dat [eiser] niet-ontvankelijk moet worden verklaard als de vordering nog niet opeisbaar is. Ook als een verbintenis nog niet opeisbaar is, kan daarvan nakoming worden gevorderd. De veroordeling tot nakoming zal dan echter pas voor tenuitvoerlegging vatbaar zijn op het moment dat de prestatie opeisbaar wordt.
De kantonrechter overweegt dat de afspraak waar [eiser] zich op beroept inhoudt dat de betalingsverbintenis is opgeschort tot een bepaald tijdstip is aangebroken, namelijk het moment dat het bedrijfspand is verkocht. Hoewel de vordering nog niet opeisbaar is (omdat de bedrijfsruimte nog niet is verkocht), hoeft dit enkele feit dus niet aan een toewijzing van die vordering in de weg te staan. Iemand die onder een tijdsbepaling tot iets is gehouden, kan onder die tijdsbepaling worden veroordeeld. De kantonrechter begrijpt dat [eiser] belang heeft bij haar vordering nu het bedrijfspand daadwerkelijk te koop staat.
[gedaagde] heeft nog aangevoerd dat naast de voorwaarde van verkoop van de bedrijfsruimte een tweede voorwaarde voor de vergoeding van € 20.000,00 is dat de verkoopprijs ten minste € 350.000,00 moet zijn. [eiser] heeft een andere uitleg van de afspraak. De vraag wat partijen precies zijn overeengekomen zal moeten worden beoordeeld bij de behandeling van de hoofdzaak.
Gelet op het voorgaande wijst de kantonrechter de incidentele vordering van [gedaagde] af.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten in het incident (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten worden vastgesteld op:
- salaris gemachtigde
€
82,00
(1 punt × € 82,00)
- nakosten
€
41,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
123,00
in de hoofdzaak
De kantonrechter ziet aanleiding om in de hoofdzaak een mondelinge behandeling te houden om nadere informatie van partijen te vragen, partijen gelegenheid te geven hun stellingen nader te onderbouwen, te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden en met partijen overleggen hoe het vervolg van de procedure zal verlopen.
De oproep om ter zitting te verschijnen is niet vrijblijvend. Aan een eventuele niet-verschijning kunnen de gevolgen worden verbonden die de kantonrechter passend acht.
Voordat een datum voor de mondelinge behandeling wordt bepaald, zal de kantonrechter partijen in de gelegenheid stellen hun verhinderdata gedurende de maanden november en december 2025 en januari, februari en maart 2026 op te geven, zodat daarmee rekening kan worden gehouden bij de vaststelling van de datum van de mondelinge behandeling. De zaak zal daartoe naar de rol worden verwezen.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
4. De beslissing
De kantonrechter
in het incident
wijst de incidentele vordering af,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van het incident van € 123,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
in de hoofdzaak
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 12 november 2025 om 9:00 uur, zodat partijen (en hun gemachtigden) dan schriftelijk hun verhinderdata op kunnen geven voor de maanden november en december 2025 en januari, februari en maart 2026,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door Van 't Nedereind en in het openbaar uitgesproken op
29 oktober 2025.