RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Bergen op Zoom
Zaaknummer: 11671435 \ CV EXPL 25-1455
Vonnis van 3 september 2025
in de zaak van
VGZ ZORGVERZEKERAAR N.V.,
te Arnhem,
eisende partij,
hierna te noemen: VGZ,
gemachtigde: Flanderijn Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde] ,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;- het mondeling antwoord;- de conclusie van repliek met producties;- de mondelinge toelichting.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
[gedaagde] heeft bij VGZ een zorgverzekering afgesloten (VGZ Ruime Keuze en VGZ Tand Goed). Hij is hiervoor maandelijks bij vooruitbetaling premie verschuldigd. Bovendien is hij administratiekosten verschuldigd voor iedere brief die VGZ naar hem verstuurt.
[gedaagde] heeft een betalingsachterstand laten ontstaan van € 476,10.
3. Het geschil en de beoordeling
VGZ vordert – samengevat – dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van € 543,67, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 476,10 vanaf 14 april 2025. Dit bedrag bestaat uit € 476,10 aan achterstallige premie en administratiekosten, € 19,17 aan rente tot 14 april 2025 en € 48,40 aan buitengerechtelijke incassokosten inclusief btw. Verder vordert VGZ dat [gedaagde] wordt veroordeeld in de proceskosten.
[gedaagde] erkent dat hij op grond van de zorgverzekeringsovereenkomst tussen partijen verplicht is tot (vooruit-)betaling van de maandelijkse premie en de administratiekosten. Hij voert geen verweer tegen de hoogte van het gevorderde bedrag. De hoofdsom van € 476,10 wordt daarom toegewezen.
Partijen zijn het er echter niet over eens of [gedaagde] naast de hoofdsom ook de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten, wettelijke rente en proceskosten moet betalen. Daarover wordt het volgende overwogen.
[gedaagde] voert aan dat hij pas bij dagvaarding is geïnformeerd over de betalingsachterstand. VGZ heeft de aanmaning van 6 december 2024 verzonden naar een e-mailadres dat niet van hem is. Als VGZ de aanmaning(en) per post had verstuurd, dan had hij het verschuldigde bedrag alsnog betaald en was deze procedure niet nodig geweest.
In reactie op het verweer van [gedaagde] heeft VGZ aanmaningen overgelegd van 21 april 2024, 19 mei 2024, 30 juni 2024 en 1 september 2024. Deze aanmaningen zijn per post verzonden naar het adres dat overeenkomt met het adres waarop de dagvaarding aan [gedaagde] is betekend. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat [gedaagde] deze heeft ontvangen. Voor zover [gedaagde] de e-mail van 6 december 2024 niet heeft ontvangen, komt dit voor zijn eigen risico. VGZ heeft namelijk gesteld, en [gedaagde] heeft niet weersproken, dat [gedaagde] dit e-mailadres zelf aan haar heeft doorgegeven. [gedaagde] heeft ook niet weersproken dat hij op 11 november 2024 via het online portaal van VGZ een voorkeur voor digitale post heeft doorgegeven en daarbij zijn e-mailadres niet heeft gewijzigd. [gedaagde] is dus meerdere malen aangemaand om tot betaling over te gaan, maar dit heeft hij niet gedaan. Hij verkeert dan ook in verzuim.
Gelet op het voorgaande is de vordering ten aanzien van de wettelijke rente toewijsbaar. [gedaagde] heeft geen verweer gevoerd tegen de wijze waarop VGZ de wettelijke rente heeft berekend.
De kantonrechter toetst de vordering tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten aan artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Omdat [gedaagde] een natuurlijke persoon is, die niet handelt in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf, is voor het toekennen van buitengerechtelijke incassokosten vereist dat VGZ een 14-dagenbrief aan hem heeft verzonden. De e-mail van 6 december 2024 kan als een dergelijke brief worden aangemerkt. Zoals hiervoor onder 3.5 is geoordeeld, gaat de kantonrechter ervan uit dat [gedaagde] deze e-mail heeft ontvangen, althans dat het voor zijn rekening komt als dit niet het geval is. VGZ kan de btw over de buitengerechtelijke incassokosten niet verrekenen. Daarom wordt de vergoeding verhoogd met btw. De gevorderde vergoeding is niet hoger dan het maximale tarief dat hoort bij de hoofdsom. De kantonrechter wijst het bedrag van € 48,40 daarom toe.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van VGZ worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
146,14
- griffierecht
€
340,00
- salaris gemachtigde
€
270,00
(2 punten × € 135,00)
- nakosten
€
67,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
823,64
4. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde] om aan VGZ te betalen een bedrag van € 543,67, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 476,10, met ingang van 14 april 2025, tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 823,64, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van der Lende-Mulder Smit en in het openbaar uitgesproken op 3 september 2025.