RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: 11449436 \ CV EXPL 24-4263
Vonnis van 29 oktober 2025
in de zaak van
[eiser] ,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. S.J. Nijssen,
tegen
[gedaagde] , H.O.D.N. [bedrijf 1],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [bedrijf 1] ,
gemachtigde: mr. S.J. Houweling (Janssen & Janssen c.s. Gerechtsdeurwaarders).
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 26 maart 2025 en de daarin genoemde stukken;
- de mondelinge behandeling van 29 september 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waaraan de spreekaantekeningen van mr. Nijssen zijn gehecht.
Ter zitting is vonnis bepaald.
2. De feiten
Tussen [eiser] als opdrachtgever en [bedrijf 1] als aannemer is een (mondelinge) overeenkomst van aanneming van werk gesloten. Onderdeel van deze overeenkomst is de levering en installatie van 36 zonnepanelen op de woning van [eiser] .
Voor de installatie van de zonnepanelen heeft [bedrijf 1] onderaannemer [onderaannemer] ingeschakeld. [onderaannemer] heeft de zonnepanelen (inclusief omvormers) medio 2019 geplaatst. Daarbij zijn twee omvormers geïnstalleerd: één omvormer voor een groep van 12 zonnepanelen en één omvormer voor een groep van 24 zonnepanelen.
3. Het geschil
[eiser] vordert – samengevat – dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [bedrijf 1] zal veroordelen om aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen:
I. primair: een bedrag van € 4.659,39 (bestaande uit de kosten van het onderzoek van € 266,20, de kosten van de vervanging van de kapotte omvormer en bijkomende werkzaamheden en de energiekosten van € 2.202,00), te vermeerderen met de wettelijke rente;
II. subsidiair: een bedrag van € 3.582,91 (bestaande uit de kosten van het onderzoek van € 266,20, de kosten van de vervanging van de kapotte omvormer van € 1.117,71 en de energiekosten van € 2.202,00), te vermeerderen met de wettelijke rente;
III. de proces- en nakosten.
Aan zijn vorderingen legt [eiser] ten grondslag dat hij in augustus 2022 constateerde dat de zonnepanelen plots (veel) minder stroom opleverden. Volgens [eiser] werd dit veroorzaakt door een kapotte omvormer die werd gebruikt voor de groep van 24 zonnepanelen. [eiser] heeft contact gezocht met Solar Edge (de leverancier van de omvormer) en aanspraak gemaakt op de (product)garantie. Uit onderzoek door [naam 1] (namens Solar Edge) is vervolgens gebleken dat de omvormer niet geschikt was voor 24 zonnepanelen. Ook had [onderaannemer] slechts gebruik gemaakt van één (stroom)draad. Omdat dus sprake was van een foutieve aansluiting en niet van een productiefout, kon [eiser] geen beroep doen op de garantie. [onderaannemer] was inmiddels failliet en [bedrijf 1] heeft zelf geen deskundigheid voor wat betreft zonnepanelen. [eiser] heeft daarom direct opdracht gegeven aan een derde partij ( [bedrijf 2] ) om de kapotte omvormer te vervangen en een extra omvormer te plaatsen, zodat volledig gebruik kon worden gemaakt van het systeem van de zonnepanelen. [eiser] stelt dat [bedrijf 1] als hoofdaannemer aansprakelijk is voor de kosten die hij in dit verband heeft gemaakt. Daarnaast stelt hij dat – nu de zonnepaneleninstallatie juist is aangesloten – de zonnepanelen méér energie opwekken dan voorheen. Als de zonnepanelen vanaf het begin op de juiste wijze zouden zijn aangesloten, had [eiser] geen energiekosten gehad. [eiser] vordert daarom ook schadevergoeding in de vorm van de door hem (te veel) betaalde energiekosten vanaf medio 2019.
[bedrijf 1] voert verweer. Hij betwist dat de omvormer kapot is gegaan en voert aan dat [eiser] pas na een jaar, namelijk op 3 augustus 2023, voor het eerst heeft geklaagd over de (vermeend) kapotte omvormer. Op dat moment was het herstel door [bedrijf 2] al uitgevoerd. Door het tijdsverloop en het reeds uitgevoerde herstel heeft [bedrijf 1] niet (zelf) kunnen vaststellen dat de omvormer daadwerkelijk kapot is gegaan en ook niet wat daarvan de oorzaak is. Bovendien is [bedrijf 1] niet in de gelegenheid gesteld zelf het herstel uit te (laten) voeren. [bedrijf 1] vindt daarom dat hij voor de kosten van het herstel niet kan worden aangesproken.
Ten aanzien van de energiekosten voert [bedrijf 1] aan dat [eiser] onvoldoende heeft aangetoond dat de zonnepanelen nu meer energie opbrengen dan voorheen. Voor zover dat al het geval zou zijn, geldt bovendien dat voor het systeem van de zonnepanelen in samenspraak met [eiser] en zijn bouwadviseur de heer [naam 2] via energiewinkel.nl bij Zon Advies Nederland advies is ingewonnen. Geen van deze partijen, noch onderaannemer [onderaannemer] heeft erop gewezen dat er geen 24 zonnepanelen op één omvormer zouden kunnen worden geplaatst. Voor zover dus al sprake is van een fout, kan dit [bedrijf 1] niet worden aangerekend. Ook voert [bedrijf 1] aan dat [eiser] (bijna) alle energiekosten vanaf medio 2019 vordert, terwijl niet is overeengekomen dat [eiser] door het plaatsen van de zonnepanelen helemaal geen energiekosten zou hebben. Daarnaast wijst [bedrijf 1] erop dat de energienota’s worden betaald door [b.v.] en [eiser] in privé dus geen schade lijdt.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
omvormer en bijkomende werkzaamheden
Tussen partijen bestaat discussie over de vraag of de omvormer daadwerkelijk kapot is gegaan. Of dit het geval is, kan in het midden worden gelaten. Uit artikel 7:759 lid 1 en 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) volgt namelijk dat wanneer na de oplevering van een werk sprake is van een gebrek, de opdrachtgever van de aannemer kan verlangen dat hij gebreken in het werk wegneemt, maar ook dat de aannemer in de gelegenheid moet worden gesteld de gebreken zelf te herstellen. Vast staat dat [eiser] [bedrijf 1] niet in die gelegenheid heeft gesteld. [eiser] kan de kosten die hij heeft gemaakt voor de vervanging van de kapotte omvormer en de bijkomende werkzaamheden dan ook niet verhalen op [bedrijf 1] .
Voor zover [eiser] stelt dat hij [bedrijf 1] niet de gelegenheid hoefde te geven het gebrek te herstellen omdat onderaannemer [onderaannemer] failliet was verklaard en [bedrijf 1] zelf onvoldoende kennis zou hebben om het herstel uit te voeren, maakt dat het voorgaande niet anders. Door niet (tijdig) te klagen heeft [eiser] [bedrijf 1] de gelegenheid ontnomen om vast te stellen dat de omvormer kapot was en wat daarvan de oorzaak was. Ook heeft [bedrijf 1] geen enkele zeggenschap gehad in de wijze van herstel en heeft hij geen invloed kunnen uitoefenen op de in dat verband gemaakte kosten. Dat [bedrijf 1] zelf niet beschikt over (voldoende) kennis van zonnepanelen, maakt dat niet anders. [bedrijf 1] had bijvoorbeeld een andere (onder)aannemer kunnen inschakelen die het herstel op een andere of goedkopere manier had kunnen uitvoeren.
energiekosten
[eiser] stelt verder dat de zonnepaneleninstallatie na de werkzaamheden door [bedrijf 2] (het vervangen van de omvormer en het aanleggen van een extra omvormer) meer energie opbrengt dan voorheen het geval was. Volgens [eiser] komt dit enerzijds omdat de oude omvormer onvoldoende capaciteit had om de energie van 24 zonnepanelen te verwerken. [bedrijf 1] had hem daarvoor moeten waarschuwen. Anderzijds had onderaannemer [onderaannemer] de zonnepanelen op één stroomdraad aangelegd, terwijl er wel twee stroomdraden beschikbaar waren. Volgens [eiser] is [bedrijf 1] verantwoordelijk voor de onjuiste installatie door [onderaannemer] .
Ook de vraag of de (oude) omvormer onvoldoende capaciteit had voor 24 zonnepanelen kan naar het oordeel van de kantonrechter in het midden worden gelaten. In artikel 7:754 lid 1 BW is bepaald dat de aannemer bij het aangaan of uitvoeren van de overeenkomst verplicht is de opdrachtgever te waarschuwen voor onjuistheden in de opdracht, voor zover hij deze kende of redelijkerwijs behoorde te kennen. Vast staat dat partijen voor de zonnepaneleninstallatie zijn afgegaan op het advies gegeven door Zon Advies Nederland. In de door haar opgestelde offerte van 12 februari 2019 zijn (onder meer) 24 zonnepanelen met één omvormer opgenomen. Alle bij de installatie betrokken partijen zijn uitgegaan van dit (deskundige) advies. [eiser] heeft niet gesteld noch is gebleken waaruit volgt dat [bedrijf 1] wist of behoorde te weten dat dit advies onjuist was.
Voor wat betreft de stelling van [eiser] dat de zonnepanelen door [onderaannemer] onjuist zijn aangelegd door één stroomkabel te gebruiken overweegt de kantonrechter dat [eiser] ter onderbouwing daarvan slechts heeft gewezen op de door hem in het geding gebrachte correspondentie met [naam 1] . Daaruit valt uitsluitend op te maken dat het vermoeden bestaat dat een tweede stroomkabel moet worden aangelegd, maar dat dit nader moet worden bekeken. Mede gelet op de betwisting door [bedrijf 1] is dit onvoldoende om de conclusie te kunnen trekken dat de zonnepanelen onjuist zijn aangelegd door [onderaannemer] .
De conclusie van het voorgaande is dat niet kan worden vastgesteld dat [bedrijf 1] de op hem rustende waarschuwingsplicht heeft geschonden, noch dat sprake is van een onjuiste installatie van de zonnepanelen waarvoor [bedrijf 1] aansprakelijk is. De vordering voor wat betreft de energiekosten is daarom niet toewijsbaar.
In aansluiting op het voorgaande (en wellicht ten overvloede) overweegt de kantonrechter nog dat [eiser] de gestelde schade ook alleen maar heeft onderbouwd met een e-mail die hij zelf aan zijn gemachtigde heeft gezonden. In die e-mail heeft hij opgesomd hoeveel energie hij vanaf 2019 tot 2023 zou hebben verbruikt en tegen welke tarieven. Energienota’s of verbruiksoverzichten van de energieleverancier die dit bevestigen zijn niet in het geding gebracht. Ook (bijvoorbeeld) betalingsbewijzen zijn door [eiser] niet overgelegd. Daarnaast is niet duidelijk geworden waaruit volgt dat de schade van [eiser] zou bestaan uit het volledige energieverbruik. [eiser] is er immers door [bedrijf 1] op gewezen dat het rendement van de zonnepanelen (onder meer vanwege de schaduwwerking) nooit 100% kan zijn. Daarnaast heeft [eiser] aan GEO Nederland B.V. gevraagd hoeveel zonnepanelen hij nodig zou hebben om zijn (te verwachten) energieverbruik min of meer volledig te kunnen dragen. GEO Nederland B.V. heeft aangegeven dat ongeveer 40 zonnepanelen nodig waren. Omdat slechts 36 zonnepanelen zijn aangebracht, had [eiser] moeten begrijpen dat de zonnepanelen niet de volledige energiekosten zouden kunnen dekken.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen van [eiser] (zowel primair als subsidiair) worden afgewezen. De overige verweren van [bedrijf 1] behoeven daarom geen nadere bespreking.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [bedrijf 1] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
542,00
(2 punten × € 271,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
677,00
5. De beslissing
De kantonrechter
wijst de vorderingen van [eiser] af,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, waarvan € 677,00 binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe te betalen aan [bedrijf 1] , te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van der Lende-Mulder Smit en in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2025.