RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 11576678 \ CV EXPL 25-1072
Herstelvonnis van 12 november 2025
in de zaak van
DE VENNOOTSCHAP ONDER FIRMA [opdrachtnemer],
te [plaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [opdrachtnemer] ,
gemachtigde: Rijken Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[opdrachtgever] ,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [opdrachtgever] ,
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis van 17 september 2025
- het bericht van de gemachtigde van [opdrachtnemer] van 26 september 2025
- de brief van de griffier van 29 september 2025 aan [opdrachtgever]
2. Het geschil en de beoordeling
De gemachtigde van [opdrachtnemer] heeft in een e-mailbericht van 26 september 2025 verzocht om herstel van het vonnis van 17 september 2025. De gemachtigde merkt op dat in de beslissing (het dictum) is vermeld dat de rente over de hoofdsom in zal gaan op 17 oktober 2025 en 17 november 2025, wat vermoedelijk 17 oktober 2024 en 17 november 2024 moet zijn. De gemachtigde verzoekt dit te corrigeren.
De griffier heeft met een brief van 29 september 2025 de wederpartij in de gelegenheid gesteld zich over het verzoek uit te laten.
De wederpartij heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
De kantonrechter is van oordeel dat er sprake is van een kennelijke fout, die zich leent voor eenvoudig herstel zoals bedoeld in artikel 31 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Daarbij heeft de kantonrechter het volgende overwogen.
In de beoordeling onder rechtsoverweging 5.10 wordt overwogen dat de wettelijke rente over de hoofdsom wordt toegewezen vanaf de vervaldata van de facturen, zijnde 17 oktober 2024 respectievelijk 17 november 2024. In de beslissing is onder 6.1 aangegeven dat de ingangsdatum van de wettelijke rente 17 oktober 2025 respectievelijk 2025 is.
Op grond hiervan blijkt dat de kantonrechter in de beslissing ten onrechte het jaartal 2025 in plaats van het jaartal 2024 heeft opgenomen.
De kantonrechter beslist als volgt.
3. De beslissing
De kantonrechter
volhardt bij de inhoud van het tussen partijen op 17 september 2025 gewezen vonnis met bovenvermeld zaaknummer, met dien verstande dat de in de beslissing opgenomen veroordeling als volgt dient te luiden:
De kantonrechter
in conventie
veroordeelt [opdrachtgever] om aan [opdrachtnemer] te betalen een bedrag van € 779,36, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over:
- het (factuur)bedrag van € 460,53, met ingang van 17 oktober 2024, - het (factuur)bedrag van € 318,83,met ingang van 17 november 2024, telkens tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [opdrachtgever] om aan [opdrachtnemer] te betalen een bedrag van € 116,90 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt [opdrachtgever] in de proceskosten van € 822,95, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [opdrachtgever] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [opdrachtgever] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
wijst de vorderingen van [opdrachtgever] af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van den Broek en in het openbaar uitgesproken op 12 november 2025.