ECLI:NL:RBZWB:2025:7788

ECLI:NL:RBZWB:2025:7788, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 29-10-2025, 432985 HA ZA 25-147

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 29-10-2025
Datum publicatie 18-12-2025
Zaaknummer 432985 HA ZA 25-147
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Arts vordert, na vermindering van eis, een bedrag van € 18.480,00 omdat zij aan ETC een kandidaat heeft aangedragen voor de functie van hoger veiligheidskundige, terwijl ETC later met deze kandidaat zonder tussenkomst van Arts een arbeidsovereenkomst heeft gesloten. Arts voert als grond voor de vergoeding aan dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming en subsidiair dat sprake is een situatie als bedoeld in artikel 7.8. van de algemene voorwaarden. ETC betwist dat de desbetreffende kandidaat is aangedragen door Arts en dat zij een vergoeding aan Arts verschuldigd is. De rechtbank wijst de vorderingen van Arts af.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht

Zittingsplaats Breda

Zaaknummer: C/02/432985 / HA ZA 25-147

Vonnis van 29 oktober 2025 (bij vervroeging)

in de zaak van

ARTS SAFETY BV,

te Oosterhout,

eisende partij,

hierna te noemen: Arts,

advocaat: mr. T.M. Kools,

tegen

ENRICHMENT TECHNOLOGY NEDERLAND B.V.,

te Almelo,

gedaagde partij,

hierna te noemen: ETC,

advocaat: mr. J.P.C. van Ruiven.

1. De zaak in het kort

Arts vordert, na vermindering van eis, een bedrag van € 18.480,00 omdat zij aan ETC een kandidaat heeft aangedragen voor de functie van hoger veiligheidskundige, terwijl ETC later met deze kandidaat zonder tussenkomst van Arts een arbeidsovereenkomst heeft gesloten. Arts voert als grond voor de vergoeding aan dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming en subsidiair dat sprake is een situatie als bedoeld in artikel 7.8. van de algemene voorwaarden. ETC betwist dat de desbetreffende kandidaat is aangedragen door Arts en dat zij een vergoeding aan Arts verschuldigd is. De rechtbank wijst de vorderingen van Arts af. Zij licht dit hieronder toe.

2. De procedure

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 28 mei 2025

- het bericht van 12 september 2025 van Arts met productie 13- de mondelinge behandeling van 29 september 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt

- de pleitaantekeningen van mr. Kools.

Ten slotte is vonnis bepaald.

3. De feiten

Arts en ETC hebben op 5 januari 2022 een overeenkomst gesloten op basis waarvan Arts voor ETC op basis van werving en selectie op zoek zou gaan naar een hoger veiligheidskundige en een arbeidshygiënist. Partijen zijn overeengekomen dat de werving en selectie fee 22% van het bruto jaarsalaris inclusief vakantiegeld zou bedragen bij een eerste recruitment en 20% bij een tweede recruitment binnen één jaar.

Op de overeenkomst zijn algemene voorwaarden van Arts van toepassing. In de algemene voorwaarden is in artikel 7.8. bepaald: “Als de opdrachtgever gedurende de looptijd van de opdracht tot arbeidsbemiddeling of binnen twaalf maanden na beëindiging daarvan zelf (alsnog) een samenwerking als genoemd in artikel 3 (en/of artikel 12) met een door Arts Safety BV geselecteerde werkzoekende aangaat, is hij terstond aan Arts Safety BV een vergoeding verschuldigd wegens inspanning voor werving & selectie á 20% van het overeengekomen tarief vermenigvuldigd het (resterend) aantal uren tot aanvankelijk verwachtte einddatum van de opdracht danwel laatste dag van het kalenderjaar indien geen einddatum project is overeengekomen.”

Arts en ETC hebben geen exclusiviteit afgesproken zodat het ETC vrijstond om ook zelf of via een ander bureau geschikte kandidaten voor de functies te zoeken.

De functie van arbeidshygiënist is ingevuld en de verschuldigde fee van 22% is door ETC aan Arts voldaan.

Op 7 februari 2022 heeft Arts aan ETC een LinkedIn profiel gestuurd van mevrouw [naam] met de vraag of dit profiel, ondanks dat zij nog bezig was met de opleiding voor hoger veiligheidskundige, voor ETC toch interessant was.

Op 8 februari 2022 heeft Arts aan ETC een mail gestuurd waarin een (andere) kandidaat is voorgesteld aan ETC. Aan deze mail is als bijlage een Excel lijst gehecht. Op de Excel lijst is de naam van [naam] opgenomen met de vermelding: Is gescreend – ze geeft vandaag of morgen haar feedback.

Op of omstreeks 14 februari 2022 heeft [naam] aan Arts aangegeven niet beschikbaar te zijn voor de functie van hoger veiligheidskundige bij ETC.

In juni 2023 is [naam] , na bemiddeling door een ander bureau dan Arts, bij ETC in dienst getreden op basis van een arbeidsovereenkomst.

Op 28 februari 2024 heeft Arts ETC in gebreke gesteld omdat ETC de gemaakte afspraken niet (volledig) zou zijn nagekomen. Arts vordert in die ingebrekestelling € 140.400,00 van ETC.

ETC is niet tot betaling overgegaan.

4. Het geschil

Arts vordert - samengevat en nadat zij op de zitting haar eis heeft verminderd - een bedrag van € 18.480,00, vermeerderd met wettelijke (handels)rente en buitengerechtelijke kosten.

Arts legt aan haar vordering primair ten grondslag dat sprake is van toerekenbare tekortkoming en subsidiair dat sprake is van een situatie waarin artikel 7.8. van de algemene voorwaarden moet worden toegepast.

ETC voert verweer. ETC concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Arts, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Arts, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Arts in de kosten van deze procedure.

ETC voert aan dat geen sprake is van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen voortvloeiend uit de overeenkomst aan haar zijde. Verder voert zij aan dat uit artikel 7.8. van de algemene voorwaarden geen betalingsverplichting kan voortvloeien voor ETC.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5. De beoordeling

De rechtbank moet beoordelen of ETC een bedrag aan Arts moet betalen omdat zij met [naam] een arbeidsovereenkomst heeft gesloten zonder dat zij Arts hiervoor een werving en selectie fee heeft betaald.

Ter zitting hebben partijen gediscussieerd over de vraag of [naam] door Arts aan ETC is aangedragen als geselecteerde kandidaat of niet.

De vraag of [naam] wel of niet moet worden beschouwd als een door Arts aangedragen kandidaat kan naar het oordeel van de rechtbank buiten beschouwing blijven omdat ook in het geval daarvan sprake is, de vorderingen van Arts niet kunnen worden toegewezen op de aangevoerde grondslagen. De rechtbank legt dat hieronder uit.

Er is geen sprake van een toerekenbare tekortkoming aan de zijde van ETC

Arts heeft ter zitting aangegeven dat zij zich primair op het standpunt stelt dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming van de zijde van ETC. Zij stelt dat het voor ETC verboden was om buiten Arts om een arbeidsovereenkomst aan te gaan met een door haar aangedragen kandidaat. Nu ETC een arbeidsovereenkomst heeft gesloten met [naam] is ETC toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen voortvloeiend uit de tussen partijen gesloten overeenkomst. Arts stelt daardoor schade te hebben geleden. De schade is gelijk aan de werving en selectie fee van 22% van een geschat jaarsalaris van [naam] . Dit gaat volgens Arts om een bedrag van € 18.480,00.

ETC betwist dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen voortvloeiend uit de overeenkomst tussen Arts en ETC omdat het, ook als vast zou staan dat [naam] door Arts is aangedragen, niet verboden is om rechtstreeks een overeenkomst aan te gaan met een aangedragen kandidaat.

De rechtbank is van oordeel dat noch uit de overeenkomst zelf, noch uit de algemene voorwaarden voortvloeit dat het ETC niet was toegestaan om [naam] rechtstreeks in dienst te nemen. Sterker nog, door het ontbreken van exclusiviteit is nu juist de mogelijkheid gecreëerd dat ETC buiten Arts om zou contracteren met [naam] . Verder vloeit ook uit de algemene voorwaarden voort (artikel 7.8.) dat het toegestaan is dat door ETC buiten Arts om gecontracteerd wordt met een kandidaat. Er is dan ook geen sprake van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen voortvloeiend uit de overeenkomst door ETC. Deze grondslag kan dan ook niet leiden tot toewijzing van het gevorderde bedrag van € 18.480,00.

Artikel van 7.8. leidt niet tot een betalingsverplichting voor ETC

Subsidiair stelt Arts dat ETC de boetebepaling uit de algemene voorwaarden (artikel 7.8.) na moet komen. In eerste instantie hebben partijen gediscussieerd over de vraag welke set algemene voorwaarden van toepassing is aangezien Arts een andere set algemene voorwaarden in het geding heeft gebracht dan de set algemene voorwaarden die ETC bij het aangaan van de overeenkomst had ontvangen. Partijen hebben gezamenlijk vastgesteld dat de voorwaarden zoals Arts die bij het aangaan van de overeenkomst aan ETC heeft toegestuurd van toepassing zijn.

Arts stelt dat artikel 7.8. van de algemene voorwaarden (zie hiervoor onder 3.2) ertoe moet leiden dat ETC aan Arts een bedrag gelijk aan 20% van het jaarsalaris van [naam] betaalt. Arts erkent dat er onduidelijkheden in artikel 7.8. staan, zoals bijvoorbeeld de verwijzing naar artikel 3 en/of artikel 12 van de algemene voorwaarden. Volgens Arts is de strekking van artikel 7.8. echter wel duidelijk, namelijk dat als een opdrachtgever (in dit geval ETC) gedurende de looptijd van de overeenkomst of binnen 12 maanden na beëindiging daarvan een samenwerking aangaat met een kandidaat die door Arts is aangedragen zij daarvoor een boete van 20% moet betalen.

ETC betwist dat artikel 7.8. voor haar tot een betalingsverplichting leidt omdat [naam] geen werkzoekende was, omdat [naam] niet door Arts is geselecteerd, omdat geen sprake is van een overeenkomst in de zin van artikel 3 en/of artikel 12 van de algemene voorwaarden en omdat ETC de overeenkomst met [naam] ook niet zelf zou hebben gesloten. ETC voert verder nog aan dat artikel 7.8. lijkt te zijn geschreven voor een detacheringsopdracht en niet voor een werving en selectieopdracht.

De rechtbank oordeelt dat artikel 7.8. niet leidt tot een betalingsverplichting voor ETC aan Arts. Genoemde bepaling is ter zitting uitvoering besproken en daaruit is gebleken dat artikel 7.8. op meerdere punten onduidelijk en onbegrijpelijk is. De uitleg die Arts aan artikel 7.8. geeft, volgt de rechtbank om meerdere redenen niet. Allereerst merkt de rechtbank op dat de bedoeling van de bepaling lastig vast te stellen is doordat er geen definities zijn opgenomen van de verschillende begrippen die worden gebruikt. Daardoor is bijvoorbeeld discussie mogelijk over de vraag wanneer sprake is van een werkzoekende en wanneer deze werkzoekende dan geldt als door Arts geselecteerd. Ook de verwijzing die wordt gedaan naar artikel 3 en artikel 12 van de algemene voorwaarden kan de rechtbank niet plaatsen. Er komt immers in geen geval een overeenkomst tot stand tussen de opdrachtgever (ETC) en de werkzoekende die beheerst wordt door de algemene voorwaarden die zijn overeengekomen tussen ETC (de opdrachtgever) en Arts (de gebruiker van de algemene voorwaarden).

Verder is de berekeningswijze van het verschuldigde bedrag onbegrijpelijk en onduidelijk. Allereerst lijkt de berekening te zijn geschreven voor een andere situatie, namelijk de situatie waarin een werkzoekende wordt gedetacheerd. Er wordt immers een wijze van berekening beschreven die uitgaat van 20% van het overeengekomen tarief vermenigvuldigd met een (resterend) aantal uren tot een aanvankelijk verwachtte einddatum van de opdracht of de laatste dag van het kalenderjaar als geen einddatum is overeengekomen. In het geval dat het gaat over een werving en selectieopdracht eindigt de opdracht naar het oordeel van de rechtbank op het moment dat een geschikte kandidaat is gevonden en daarmee door de opdrachtgever een (arbeids)overeenkomst is gesloten. Voor de rechtbank is dan onbegrijpelijk over welke uren dan nog een vergoeding verschuldigd zou (kunnen) zijn.

Op basis van de toelichting die Arts ter zitting heeft gegeven begrijpt de rechtbank dat zij aanspraak maakt op 20% van het jaarsalaris van [naam] . Dat vloeit naar het oordeel van de rechtbank niet voort uit de tekst van artikel 7.8. De rechtbank leest in de bepaling dat het uitgangspunt is 20% van het overeengekomen tarief. Het overeengekomen tarief, zo is ter zitting door Arts aangegeven, zou dan 22% van het jaarsalaris zijn.

Genoemde onduidelijkheden in de bepaling en dan met name waar het gaat om de berekening van de vergoeding die verschuldigd is, moeten naar het oordeel van de rechtbank voor rekening en risico komen van Arts als de gebruiker van de algemene voorwaarden. Arts is degene die die de algemene voorwaarden heeft opgesteld en hanteert en zij wil de door haar uitgevoerde werkzaamheden beschermen. Dan is het ook aan haar om duidelijke afspraken te maken met haar opdrachtgevers. Dat betekent dat ETC op basis van artikel 7.8. niet gehouden is om een bedrag aan Arts te betalen.

Arts heeft ter zitting nog gesteld dat het in de werving- en selectiebranche heel gebruikelijk is dat tussen een opdrachtgever en opdrachtnemer wordt afgesproken dat als een aangedragen kandidaat binnen een bepaalde periode alsnog in dienst wordt genomen door een opdrachtgever buiten de opdrachtnemer om, een vergoeding verschuldigd is. Dat doet aan het bovenstaande niet af. Als Arts haar opdrachtnemer wil beperken in de mogelijkheden om een door haar aangedragen kandidaat rechtstreeks of via een ander bureau in dienst te nemen, moet zij daarover duidelijke afspraken maken zodat de opdrachtnemer weet wat zij wel of niet mag en welke kosten aan haar handelen eventueel verbonden zullen zijn. Dat heeft Arts in dit geval niet althans onvoldoende (duidelijk) gedaan.

Conclusie

De vorderingen van Arts zullen om bovenstaande redenen worden afgewezen. De rechtbank komt daardoor niet meer toe aan de rentevordering en de vordering voor de buitengerechtelijke kosten.

Arts moet de proceskosten van ETC betalen

Arts is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van ETC worden begroot op:

- griffierecht

2.995,00

- salaris advocaat

2.428,00

(2 punten × € 1.214,00)

- nakosten

178,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

5.601,00

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

Het vonnis zal ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, nu daarom is verzocht en daartegen geen verweer is gevoerd. Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

6. De beslissing

De rechtbank

wijst de vorderingen van Arts af,

veroordeelt Arts in de proceskosten van € 5.601,00, te betalen binnen twee dagen na betekening van het vonnis, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als Arts niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

veroordeelt Arts tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen twee dagen na betekening van het vonnis zijn betaald,

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van den Broek en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2025.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?