RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 11885277 \ VV EXPL 25-75
Vonnis in kort geding van 5 november 2025
in de zaak van
1. [eiser 1] ,
te [plaats] ,2. [eiser 2],
te [land] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [verhuurders] ,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
tegen
[huurder] ,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [huurder] ,
gemachtigde: mr. R.W. de Pater.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de akte overlegging aanvullende producties 13 tot en met 17 van eisers- de mondelinge behandeling van 22 oktober 2025, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
2. De feiten
De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten:
- [verhuurders] verhuren sinds 15 augustus 2024 de zelfstandige woning aan [adres] [verder: de woning] aan [huurder] . De huurprijs is € 1.450,00 per maand.
- [eiser 1] is als bewoner ingeschreven (gebleven) op het adres van de woning, maar verblijft niet in de woning.
- In de huurovereenkomst zijn onder andere de volgende bepalingen opgenomen:
Betalingsverplichting, betaalperiode
Met ingang van de ingangsdatum van deze huurovereenkomst bestaat de
betalingsverplichting van huurder uit:- de huurprijs inclusief de vergoeding voor de overige zaken en diensten die geleverd worden in verband met de bewoning van het gehuurde (servicekosten).
De vergoeding in verband met de levering van elektriciteit, gas en water voor het verbruik in het woonruimtegedeelte van het gehuurde op basis van een zich in dat gedeelte bevindende individuele meter bestaat uit de feitelijke kosten op basis van de meterstanden. De huurder contracteert zelf de leveranciers.
De vergoeding voor de overige zaken en diensten die geleverd worden in verband met de bewoning van het gehuurde, zoals aangegeven in artikel 7 wordt vastgesteld door de verhuurder. Op de vergoeding als bedoeld in artikel 4.2 en 4.3 wordt een systeem van voorschotbetalingen met latere verrekening toegepast, zoals aangegeven in de artikelen 17.1 tot en met 17.15 van de algemene bepalingen.
De huurprijs en het voorschot als bedoeld in artikel 4.2 en 4.3 zijn bij vooruitbetaling
verschuldigd, steeds te voldoen v6ôr of op de eerste dag van de periode waarop de betaling
betrekking heeft op de door verhuurder aangegeven wijze/door middel van overschrijving op
rekeningnummer NL[…]
Per betaalperiode van één maand bedraagt de huurprijs inclusief het voorschot op de
vergoeding voor de overige zaken en diensten die geleverd worden in verband met de bewoning van het gehuurde € 1450,00. Zodat huurder per maand in totaal heeft te voldoen € 1450,00 Exclusief gas, water, elektra, internet Zegge duizend vierhonderdvijftig euro.
Met het oog op de datum van ingang van deze huurovereenkomst heeft de eerste
betaalperiode betrekking op de periode van 15-08-2024 tot en met 15-09-2024 en is het over deze eerste periode verschuldigde bedrag € 1450,00 euro. Huurder zal dit bedrag voldoen vóór of op 15-09-2024. Vervolgens is de huurder verplicht zich om de maandelijkse huurprijs v6br de eerste dag van elke maand over te maken naar de door de verhuurder opgegeven bankrekening (4.4).”
[…]
7. Servicekosten
Verhuurder zal zorgdragen voor de levering van de volgende zaken en diensten in verband met de bewoning van het gehuurde: -Actieve VvE - opstalverzekering, reservering grootonderhoud.
Belastingen en andere heffingen
Tenzij dit op grond van de wet of daaruit voortvloeide regelgeving niet is toegestaan, zijn voor rekening van huurder, ook als verhuurder daarvoor wordt aangeslagen:
a. de onroerende zaakbelasting en de waterschap- of polderlasten;
b. de milieuheffingen, waaronder de verontreinigingsheffing oppervlaktewateren en
zuiveringsheffing afvalwater;
c. de baatbelasting of daarmee verwante belastingen of heffingen, geheel of een evenredig
gedeelte daarvan, indien en voor zover huurder is gebaat bij datgene op grond waarvan de
aanslag of heffing wordt opgelegd;
d. de overige bestaande of toekomstige belastingen, milieubeschermingbijdragen, lasten,
heffingen en retributies.
Deze belastingen en andere heffingen worden alleen doorbelast voor zover ze betrekking hebben op het feitelijk gebruik van het gehuurde en het feitelijk medegebruik van dienstruimten, algemene en gemeenschappelijke ruimten.
Indien de voor rekening van huurder komende heffingen, belastingen, retributies of andere lasten bij verhuurder worden geïnd, moeten deze door huurder op eerste verzoek aan verhuurder worden voldaan.
- In maart 2025 hebben partijen enkele keren via Whatsapp overleg gehad in verband met gemeentelijke en waterschapsbelastingen [verder: de belastingen].
- Vanaf maart 2025 hebben partijen ook diverse keren via Whatsapp overleg gehad over toeslagen die [huurder] wilde aanvragen en welke voorwaarden daarvoor golden in verband met het feit dat [eiser 1] op het adres van de woning stond ingeschreven.
- Op 1 juli 2025 hebben [verhuurders] via een Whatsappbericht aan [huurder] gevraagd om de huur over te maken. Zij hebben de sommatie ook per aangetekende brief van 4 juli 2025 gestuurd.
- Op 5 augustus 2025 hebben [verhuurders] per e-mailbericht drie sommaties gestuurd aan [huurder] . Twee sommaties gaan over de achterstallige huurbetaling voor de maanden juli en augustus 2025, de derde sommatie gaat over betaling van de belastingen. In de sommaties voor de huurachterstand is ook gevraagd of [huurder] bezwaar heeft tegen het delen van haar gegevens met de gemeente en maatschappelijke hulpverlening.
- Op 31 augustus 2025 hebben [verhuurders] de gemeente geïnformeerd over de huurachterstand van [huurder] .
- Op 4 september 2025 heeft de gemachtigde van [verhuurders] per aangetekende post een sommatie gestuurd aan [huurder] voor de huurachterstand van juli, augustus en september 2025 en de openstaande belastingen, in totaal een bedrag van € 5.111,53. In de brief wordt [huurder] de gelegenheid geboden zelf de huurovereenkomst op te zeggen ter voorkoming van verdere incasso- en proceskosten.
- [huurder] heeft op de aanmaningen niet gereageerd en niet betaald, waarna [verhuurders] [huurder] in kort geding hebben gedagvaard.
3. Het geschil
[verhuurders] vorderen samengevat - ontruiming van de woning aan [adres] en betaling van de huurachterstand en gemeentelijke belastingen, vermeerderd met rente en kosten.
[verhuurders] leggen aan de vordering ten grondslag dat [huurder] tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen op grond van de wet en de huurovereenkomst, omdat sprake is van een huurachterstand van meer dan drie maanden, structurele wanbetaling en overlast.
[huurder] voert verweer. [huurder] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [verhuurders] , dan wel tot afwijzing van hun vorderingen, met veroordeling van [verhuurders] in de proceskosten.
[huurder] is van mening dat [verhuurders] de huurovereenkomst niet om een tekortkoming van [huurder] willen beëindigen, maar om andere redenen. Bovendien handelt [eiser 1] volgens [huurder] frauduleus. [huurder] erkent wel dat zij drie maanden de huur niet heeft betaald, maar dat komt volgens haar door onrechtmatig handelen van [eiser 1] . De hoogte van de schade die zij hierdoor heeft geleden, zal de huurachterstand volgens [huurder] overtreffen. Daarnaast is zij van mening dat zij nog recht heeft op terugbetaling van niet gebruikt voorschot en betwist zij de hoogte van het gevorderde belastingbedrag en dat zij incassokosten moet betalen. Tot slot betwist [huurder] dat er sprake is van overlast.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Toetsingskader
De kantonrechter stelt voorop dat ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van [huurder] . De kantonrechter moet daarom beoordelen of het voldoende waarschijnlijk is dat de vorderingen van [verhuurders] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben dat het gerechtvaardigd is om de ontruiming nu al toe te wijzen. De belangen van beide partijen moeten daarbij worden meegewogen, waarbij verhuurder ook een spoedeisend belang moet hebben.
Naast de ontruiming vragen [verhuurders] ook betaling van de huurachterstand en belastingen. Bij de beoordeling van een geldvordering in kort geding is terughoudendheid op zijn plaats is. Wel geldt dat als de hoofdvordering voldoende spoedeisend is om in kort geding te kunnen worden beoordeeld, de proceseconomie ermee gebaat is dat in hetzelfde geding ook over een daarmee nauw verwante nevenvordering kan worden beslist. Daarbij moet in de afweging van de belangen van partijen ook de vraag beoordeeld worden of er sprake is van een restitutierisico. Dat betekent een risico van onmogelijkheid van terugbetaling. Dat risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.
Spoedeisend belang
[verhuurders] stellen dat onder andere sprake is van een huurachterstand van meer dan drie maanden die na dagvaarding nog is opgelopen. Daaruit volgt naar het oordeel van de kantonrechter een voldoende spoedeisend belang bij ontruiming van de woning en daarmee ook dat over de daaraan ten grondslag liggende geldvorderingen in dit kort geding kan worden beslist.
Beoordeling of toewijzing van vorderingen in een bodemprocedure waarschijnlijk is
De kantonrechter moet vervolgens beoordelen of de vorderingen tot ontruiming en betaling in dit kort geding ook daadwerkelijk toewijsbaar zijn. De kantonrechter zal daarvoor allereerst beoordelen of sprake is van wanbetaling. Als daarvan sprake is, zal vervolgens worden beoordeeld of het op grond daarvan of op grond van de overlast voldoende waarschijnlijk is dat in een bodemprocedure de huurovereenkomst vanwege de gestelde tekortkomingen ontbonden zal worden en daarmee de ontruiming toegewezen zal worden.
Beoordeling van de geldvorderingen
[verhuurders] hebben gesteld dat [huurder] vanaf juli 2025 de huur niet meer heeft betaald. Tijdens de mondelinge behandeling hebben zij toegevoegd dat [huurder] voor de maand oktober 2025 alleen een bedrag van € 600,00 heeft betaald.
[huurder] heeft erkend dat zij vanaf juli 2025 de huur niet (volledig) heeft betaald. Zij heeft zich echter tegen betaling verweerd met een beroep op onrechtmatig handelen door [verhuurders] . Zij hebben haar volgens [huurder] geen deugdelijke woning ter beschikking gesteld waar zij subsidies kan ontvangen. [huurder] heeft daarbij toegelicht dat zij heeft geprobeerd toeslagen aan te vragen, maar dat deze werden afgewezen, omdat [eiser 1] nog op het adres van de woning stond ingeschreven. Daardoor is zij volgens haar veel geld misgelopen en heeft zij schade geleden. Deze schade zal de huurachterstand overtreffen, aldus [huurder] .
Daarnaast heeft [huurder] aangevoerd dat geen onderscheid is gemaakt in een bedrag aan kale huur en een bedrag aan voorschot voor overige zaken en diensten. Omdat zij geen afrekening van het voorschot van [verhuurders] heeft ontvangen, kan zij niet beoordelen waarop het voorschot betrekking heeft. Dat kunnen volgens haar niet de kosten uit artikel 7 van de huurovereenkomst zijn, omdat de verhuurder daarvoor zorgdraagt en dus ook de kosten draagt. Daarom gaat [huurder] ervan uit dat het voorschot niet is verbruikt en [huurder] nog een bedrag van € 3.000,00 tot € 5.000,00 terug moet krijgen.
De kantonrechter is van oordeel dat [huurder] ten onrechte de huur vanaf juli 2025 niet (volledig) heeft betaald en overweegt daarover het volgende.
Uit het verweer van [huurder] dat zij niet hoeft te betalen vanwege onrechtmatig handelen door [eiser 1] , begrijpt de kantonrechter dat [huurder] zich beroept op verrekening van haar schade als gevolg van dit onrechtmatig handelen met de door haar verschuldigde huur. [huurder] heeft op dit punt echter onvoldoende gesteld. Zij heeft niet onderbouwd waaruit blijkt dat door haar aangevraagde toeslagen zijn afgewezen als gevolg van de inschrijving van [eiser 1] op het adres van de woning. Ook blijkt niet dat zij hierdoor schade heeft geleden en op grond waarvan deze schade dan voor rekening en risico van [verhuurders] zou moeten komen. De enkele stelling dat verhuurder een woning ter beschikking moet stellen waar huurder subsidies kan ontvangen, is daarvoor onvoldoende. [verhuurders] hebben het onrechtmatig handelen bovendien betwist. Het lag dan ook op de weg van [huurder] om op dit punt meer te stellen en te onderbouwen. Omdat zij dat niet heeft gedaan en in kort geding ook geen ruimte is voor nader onderzoek, gaat de kantonrechter aan dit verweer voorbij.
In verband met het voorschot hebben [verhuurders] toegelicht dat dit gaat om het in artikel 4 van de huurovereenkomst genoemde voorschot dat inbegrepen is in het maandelijkse huurbedrag van € 1.450,00 en ziet op de in artikel 7 omschreven overige zaken en diensten. De kantonrechter is van oordeel dat uit deze artikelen voldoende blijkt dat [huurder] voor deze zaken en diensten moet betalen. Dat [huurder] mogelijk op enig moment recht heeft op teruggave van te veel betaald voorschot, doet niet af aan haar maandelijkse betalingsverplichting. Daarbij kan in kort geding geen beslissing worden gegeven over de hoogte van de kale huur en de voorschotbedragen.
[huurder] heeft nog aangevoerd dat de huurachterstand niet de werkelijke reden van [verhuurders] is voor beëindiging van de huurovereenkomst. Volgens [huurder] zouden [verhuurders] vanwege de verhuur problemen krijgen met hun hypotheekverstrekker en met de Vereniging van Eigenaren. [eiser 1] handelt volgens haar bovendien frauduleus. Ook voldoet de huurovereenkomst volgens [huurder] niet aan de daaraan te stellen eisen. Naast het feit dat [huurder] deze stellingen op geen enkele manier heeft onderbouwd, blijkt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet dat deze omstandigheden relevant zijn in het kader van de huurachterstand, noch in het kader van de ontruiming. De kantonrechter betrekt deze dan ook niet in de verdere beoordeling.
[huurder] moet de gevorderde huurachterstand betalen
Op grond hiervan is de kantonrechter van oordeel dat voldoende blijkt dat [huurder] vanaf juli 2025 tekort is geschoten in haar verplichting om tijdig de huur te voldoen, waardoor de huurachterstand tot en met september 2025 is opgelopen tot een totaalbedrag van € 4.350,00. Daarnaast is gebleken dat ook de huur voor oktober 2025 niet volledig is betaald en heeft [huurder] verklaard tijdens de mondelinge behandeling dat zij de huur van november 2025 ook niet zal kunnen betalen.
Daarbij overweegt de kantonrechter dat [huurder] enerzijds erkent dat zij huur moet betalen en anderzijds niet is gebleken dat sprake is van onrechtmatig handelen door [verhuurders] op grond waarvan zij een bedrag aan schadevergoeding moeten betalen aan [huurder] . Daarom is de kantonrechter van oordeel dat het restitutierisico beperkt is en niet in de weg staat aan toewijzing van de huurtermijnen, zodat deze worden toegewezen.
[huurder] moet het gevorderde bedrag aan belastingen betalen
[huurder] heeft aangevoerd dat zij van [verhuurders] geen factuur heeft ontvangen voor het betalen van de gemeentelijke en waterschapsbelasting en heeft daarom betwist dat zij aansprakelijk is voor het gevorderde bedrag. [verhuurders] hebben voor de mondelinge behandeling nog nadere producties overgelegd, waarmee zij hebben onderbouwd dat zij [huurder] al in maart 2025 op de hoogte hebben gesteld van de belastingen waarvan zij voor een deel betaling van [huurder] hebben gevraagd. Tijdens de mondelinge behandeling hebben [verhuurders] de omvang van het gevorderde bedrag van € 761,53 nader toegelicht. Als grondslag voor de betalingsverplichting hebben zij verwezen naar artikel 8 van de huurovereenkomst. De kantonrechter is op grond daarvan van oordeel dat voldoende blijkt dat [huurder] een bedrag van € 761,53 aan belastingen aan [verhuurders] moet betalen en zal daarom de vordering tot betaling van dit bedrag toewijzen.
[huurder] moet wettelijke rente betalen
[verhuurders] maken aanspraak op betaling van wettelijke rente. De wet bepaalt in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek (BW) dat een partij wettelijke rente verschuldigd is, vanaf het moment dat hij in verzuim is. [huurder] was in verzuim vanaf het moment dat zij de huur en haar deel van de belasting had moeten betalen, terwijl zij dat niet deed.
[verhuurders] hebben gesteld dat op grond van artikel 4 van de huurovereenkomst de huur uiterlijk op iedere eerste van de maand voldaan moet zijn. [huurder] heeft dit niet betwist. Hoewel [huurder] heeft betwist dat zij de aanmaningen voor de huurtermijnen heeft ontvangen, doet dat niets af aan haar verplichting om de huur uiterlijk de eerste van de maand te voldoen, omdat deze verplichting al uit de huurovereenkomst volgt. Dat betekent dat [huurder] vanaf juli 2025 de wettelijke rente verschuldigd is over iedere vanaf dat moment verschuldigde huurtermijn, telkens vanaf de eerste van de maand waarin deze verschuldigd was. Daarom wijst de kantonrechter deze vordering toe.
[huurder] heeft ook betwist dat zij de factuur en aanmaningen voor de belastingen heeft ontvangen. Hiervoor is gebleken dat [huurder] deze wel heeft ontvangen. [verhuurders] hebben echter niet gesteld vanaf wanneer [huurder] in verzuim is geraakt met betaling van haar deel van de belastingen. Daarom wijst de kantonrechter de wettelijke rente over dit bedrag van € 761,53 toe vanaf het moment van dagvaarding.
[huurder] moet de buitengerechtelijke incassokosten niet betalen
[verhuurders] vorderen ook vergoeding van buitengerechtelijke kosten. Tegen deze vordering is verweer gevoerd. Deze vordering komt niet voor toewijzing in aanmerking, omdat [verhuurders] in hun dagvaarding geen bedrag hebben genoemd waar zij aanspraak op maken. De verwijzing naar de overgelegde brief waar het bedrag aan buitengerechtelijke kosten wel in wordt genoemd is onvoldoende.
Beoordeling van de vordering tot ontruiming
Als uitgangspunt geldt dat een ontbinding van een huurovereenkomst wegens wanbetaling in beginsel wordt toegewezen, als vaststaat dat sprake is van een huurachterstand van drie maandtermijnen. Daarbij is ook vereist dat de verhuurder een melding in het kader van vroegsignalering heeft gedaan.
Hiervoor heeft de kantonrechter geoordeeld dat voldoende blijkt van een huurachterstand van meer dan drie maanden. Wel heeft [huurder] tijdens de mondelinge behandeling nog aangegeven dat er uitzicht is op betaling van de lopende huur vanaf 1 december 2025 en ook op betaling van de huurachterstand. Dat heeft zij nader onderbouwd met een verklaring van de maatschappelijk werkster die met haar bij de mondelinge behandeling aanwezig was. Zij biedt [huurder] hulp bij haar financiën. De maatschappelijk werkster verklaarde dat de Belastingdienst heeft bevestigd dat [huurder] in aanmerking komt voor diverse toeslagen, zodat zij in ieder geval een bedrag van ongeveer € 6.000,00 ineens zal krijgen. Het moment waarop [huurder] het bedrag zal ontvangen, is niet zeker. Daarvoor is zij mede afhankelijk van de administratieve verwerking bij de Belastingdienst. Haar verwachting is dat dit nog dit jaar zal zijn. Als alle toeslagen worden toegewezen, heeft zij voldoende inkomsten om de lopende huur te betalen, aldus [huurder] en haar maatschappelijk werkster.
Hieruit lijkt weliswaar te volgen dat [huurder] op termijn in ieder geval een deel van de huurachterstand kan betalen en weer aan haar maandelijkse huur betalingsverplichtingen kan gaan voldoen, maar dat doet naar het oordeel van de kantonrechter niet af aan haar tekortkoming tot nu toe. Er is bovendien geen zekerheid over het moment waarop [huurder] de achterstand gaat betalen en of dat direct volledig gebeurt. Daarbij merkt de kantonrechter op dat uit de verklaring van [huurder] dat zij de huur voor november 2025 niet kan betalen volgt dat de huurachterstand in eerste instantie juist nog verder zal oplopen.
Omdat daarnaast uit de door [verhuurders] overgelegde stukken blijkt dat zij op tijd een melding van de huurachterstand bij de gemeente hebben ingediend voor [huurder] , is de kantonrechter van oordeel dat sprake is van een tekortkoming die ontbinding en daarmee ontruiming in beginsel rechtvaardigt. Daarmee komt de kantonrechter niet meer toe aan de beoordeling van de overlast als grond voor ontruiming.
Vervolgens moet de kantonrechter een afweging maken van de belangen van partijen. [huurder] heeft in verband daarmee niet, althans onvoldoende gesteld dat zij zelf een specifiek belang heeft bij behoud van de woning, terwijl het belang van tijdige en volledige huurbetaling van [verhuurders] duidelijk is. [verhuurders] hebben tijdens de mondelinge behandeling ook benadrukt dat zij graag op korte termijn betaald willen krijgen, omdat zij al meerdere maanden aan het voorfinancieren zijn.
De kantonrechter is daarmee van oordeel dat het te verwachten is dat het belang van [verhuurders] bij tijdige en volledige betaling van de huur zwaarder zal wegen dan het algemene woonbelang van [huurder] .
Wel is het volgende nog van belang. Artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) bepaalt dat de kantonrechter de belangen van inwonende minderjarige kinderen uitdrukkelijk moet meewegen. Dat betekent dat de kantonrechter bij de beoordeling van de ontruiming ook rekening moet houden met de belangen van het minderjarige kind in de woning. De kantonrechter heeft geconstateerd dat beide partijen in hun processtukken niet hebben aangegeven of er een of meerdere minderjarige kinderen bij [huurder] inwonen. [huurder] had echter wel in haar conclusie van antwoord genoemd dat zij onder andere in aanmerking wilde komen voor een kindgebonden budget. Daaruit heeft de kantonrechter begrepen dat er mogelijk een minderjarig kind bij [huurder] inwoont, zodat hij dit tijdens de mondelinge behandeling aan de orde heeft gesteld. [huurder] heeft in reactie daarop aangegeven dat haar kinderen van 20 en 9 jaar bij haar inwonen, zodat inderdaad sprake is van een minderjarig kind dat in de woning woont.
[huurder] heeft desgevraagd aangegeven dat het behoud van de woning belangrijk is voor haar jongste kind. Zij heeft echter niet gesteld en ook is niet gebleken dat dat het kind niet bij de vader kan verblijven of dat ontruiming zal leiden tot een noodsituatie. Dat neemt volgens de kantonrechter niet weg dat ontruiming impact zal hebben op haar jongste kind.
De ontruiming wordt voorwaardelijk toegewezen
De kantonrechter is van oordeel dat gezien de tekortkoming van [huurder] en afweging van de belangen van partijen voldoende waarschijnlijk is dat de ontruiming in een bodemprocedure zal worden toegewezen. De kantonrechter ziet in de belangen van het minderjarige kind echter aanleiding om de ontruiming voorwaardelijk toe te wijzen door [huurder] nog een laatste betalingstermijn tot 1 december 2025 te geven. Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat [huurder] mogelijk uiterlijk op 1 december 2025 aan al haar betalingsverplichtingen kan hebben voldaan. Als zij op dat moment niet aan al haar betalingsverplichtingen, zowel de huurachterstand als de lopende huur, heeft voldaan, mogen [verhuurders] de woning ontruimen met in achtneming van een termijn van veertien dagen.
[huurder] moet de proceskosten betalen
[huurder] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verhuurders] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
145,45
- griffierecht
€
257,00
- salaris gemachtigde
€
814,00
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.351,45
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [huurder] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de woning aan [adres] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [verhuurders] zijn, en de sleutels af te geven aan [verhuurders] en veroordeelt [huurder] tot betaling van de huur van € 1.450,00 per maand met ingang van 1 november 2025 tot aan de dag van ontruiming, een ingegane maand daarbij gerekend voor een hele, indien en zodra wordt voldaan aan deze voorwaarde;
dat [huurder] niet de bedragen zoals hierna genoemd onder 5.2 heeft voldaan uiterlijk op 1 december 2025,
[huurder] binnen een periode van één jaar na dagtekening van dit vonnis haar betalingsverplichting met betrekking tot de maandhuur niet stipt nakomt, dat wil zeggen dat huurbetalingen telkens uiterlijk de eerste kalenderdag van de betreffende maand moeten zijn betaald én [huurder] bij (aangetekende) brief door [verhuurders] op niet-nakoming van deze voorwaarde gewezen,
veroordeelt [huurder] om vóór 1 december 2025 te betalen aan [verhuurders] een bedrag van
€ 4.350,00 aan achterstallige huur tot en met september 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente over de verschuldigde huurtermijnen, telkens te rekenen vanaf de vervaldata van de onderliggende huurtermijnen tot de dag van voldoening,
€ 850,00 (€ 1.450,00-€ 600,00) aan achterstallige huur voor de maand oktober 2025,
veroordeelt [huurder] in de proceskosten van € 1.351,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [huurder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [huurder] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Boeder en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2025.