RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 11534527 \ CV EXPL 25-654
Vonnis van 8 oktober 2025 (bij vervroeging)
in de zaak van
[naam] H.O.D.N. [bedrijf],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: GGN Brabant,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 16 juli 2025- de akte van [eiser]- de akte van [gedaagde] .
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
In het vonnis van 16 juli 2025 is [eiser] in de gelegenheid gesteld bij akte te reageren op het bewijs van betaling van 27 januari 2024 dat door [gedaagde] in het geding is gebracht en waaruit een betaling van € 999,00 aan [eiser] lijkt te volgen.
[eiser] heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt en zij heeft in haar akte uiteengezet dat, omdat bij de betaling van € 999,00 geen kenmerk was vermeld, het bedrag in mindering is gebracht op een aantal oudere openstaande facturen, te weten de facturen met factuurnummers [factuurnummer 1] , [factuurnummer 2] , [factuurnummer 3] , [factuurnummer 4] en [factuurnummer 5] . Deze facturen zijn door [eiser] ook overgelegd.
[gedaagde] heeft in een antwoordakte gereageerd op de akte van [eiser] . Zij wijst erop dat [eiser] in eerste instantie zegt niet met de betaling bekend te zijn en dat er nu plots een ander (onduidelijk) overzicht wordt overgelegd. Daarbij wordt door [gedaagde] opgemerkt dat het totaalbedrag van de facturen niet exact overeenkomt met het ontvangen bedrag van €999,00, zodat er een factuur zou moeten zijn die (nog) gedeeltelijk openstaat.
Verder merkt [gedaagde] op dat de factuurdatum die in de akte is vermeld bij de factuur met nummer [factuurnummer 1] niet overeenkomt met de datum op de factuur en dat het factuurbedrag dat wordt genoemd bij de factuur met nummer [factuurnummer 2] niet juist is.
De opmerkingen van [gedaagde] over de twee hierboven genoemde facturen zijn op zich juist. Deze opmerkingen zijn echter voor de (verdere) beoordeling van deze zaak niet van belang. Het gaat immers niet om de vraag of de facturen genoemd in de akte nog betaald moeten worden. Het gaat om de vraag of de facturen (met nummers [factuurnummer 6] , [factuurnummer 7] en [factuurnummer 8] ) genoemd in de dagvaarding nog betaald moeten worden.
De facturen met nummers [factuurnummer 6] , [factuurnummer 7] en [factuurnummer 8] moeten worden betaald door [gedaagde]
De kantonrechter moet beoordelen of [gedaagde] de facturen met de nummers [factuurnummer 6] , [factuurnummer 7] en [factuurnummer 8] nog moet betalen. Het gaat dan om driemaal een bedrag van € 181,00. De kantonrechter is van oordeel van [gedaagde] deze facturen nog moet betalen.
[eiser] heeft toegelicht dat zij het bedrag van € 999,00 in mindering heeft gebracht op de facturen die hiervoor zijn genoemd in punt 2.2. [eiser] heeft gesteld dat zij het ontvangen bedrag op een aantal oudere nog openstaande facturen in mindering heeft laten komen, omdat er geen kenmerk bij de betaling was opgenomen. De kantonrechter heeft geconstateerd dat op het betalingsbewijs inderdaad geen specifieke verwijzing staat naar factuurnummers maar dat enkel is vermeld ‘openstaande facturen’. Ingevolge artikel 6:43 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is een afschrijving op de oudere openstaande facturen in dit geval dan ook juist en toegestaan.
Door [gedaagde] is niet, althans onvoldoende betwist dat zij de facturen genoemd onder 2.2. heeft ontvangen en dat deze nog openstonden. De kantonrechter gaat er dan ook vanuit dat de hiervoor onder punt 2.2. genoemde facturen openstonden en dat het bedrag van € 999,00 daarmee verrekend is. Het totaalbedrag van de facturen waarmee het bedrag van € 999,00 is verrekend, overstijgt het bedrag van € 999,00, zodat het volledige bedrag van € 999,000 is verrekend.
Dat er dan nog een factuur zou moeten zijn die gedeeltelijk betaald is en gedeeltelijk niet, is niet van belang. Het is aan eiser te bepalen welke facturen zij vordert.
De in de dagvaarding gevorderde facturen, voor een totaalbedrag van € 543,00, staan dan nog open en de vordering tot betaling van deze facturen met nummers [factuurnummer 6] , [factuurnummer 7] en [factuurnummer 8] zal dan ook worden toegewezen.
De factuur met [factuurnummer 9]
In het tussenvonnis van 16 juli 2025 heeft de kantonrechter al geoordeeld dat ook de factuur met [factuurnummer 10] moet worden voldaan. Het factuurbedrag is € 620,07.
De kantonrechter heeft in het tussenvonnis geoordeeld dat [eiser] de opdracht die zij diende uit te voeren mocht laten uitvoeren met inschakeling van een derde. [gedaagde] merkt in haar antwoordakte nog op dat zij van mening is dat als zij iemand een opdracht geeft diegene die de opdracht krijgt deze dan zelf en naar alle tevredenheid moet uitvoeren. Wanneer daarvoor een ander wordt ingeschakeld zou hierover minimaal overleg moeten plaatsvinden volgens [gedaagde] .
Voor zover deze opmerking in de antwoordakte moet worden opgevat als een verzoek om terug te komen op een bindende eindbeslissing, zal de kantonrechter daar niet in meegaan. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad kan van een eindbeslissing in dezelfde instantie niet meer worden teruggekomen, behalve als bijzondere omstandigheden het onaanvaardbaar maken dat de rechter aan de eindbeslissing in kwestie is gebonden. Dat is bijvoorbeeld het geval als de eindbeslissing blijkt te berusten op een onjuiste feitelijke of juridische grondslag. Bijzondere omstandigheden zijn in dit geval niet aan de orde.
Conclusie
De kantonrechter zal [gedaagde] dan ook veroordelen om aan [eiser] een bedrag van € 1.163,07 (€ 543,00 + € 620,07) te betalen. Het beroep op verrekening is in het vonnis van 16 juli 2025 al afgewezen.
[gedaagde] moet ook de wettelijke rente en de buitengerechtelijk kosten betalen
[eiser] vordert vergoeding van de wettelijke rente zonder aan te geven welke wettelijke rente zij bedoelt te vorderen. De kantonrechter zal de in artikel 6:119a BW bedoelde rente toewijzen, omdat aan alle daarin neergelegde voorwaarden is voldaan.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Daarom zal een bedrag van € 174,46 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal eveneens worden toegewezen.
[gedaagde] moet ook de proceskosten betalen
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
122,25
- griffierecht
€
257,00
- salaris gemachtigde
€
408,00
(2 punten × € 204,00)
- nakosten
€
102,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
889,25
3. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.163,07, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, vanaf de respectieve vervaldata van de onderliggende facturen, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 174,46 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, met ingang van 5 augustus 2024, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 889,25, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is bij vervroeging gewezen door mr. Van den Broek en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2025.