RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/432917 / JE RK 25-456
Datum uitspraak: 29 augustus 2025
(nadere) beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de GI.
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedag] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat: mr. L. Verheuvel te Middelburg.
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats 2] ,
advocaat: mr. J.C. van den Doel te Zierikzee.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de stiefvader] ,
hierna te noemen: de stiefvader,
wonende te [plaats 1] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de kinderrechter over het verzoek te adviseren.
1. Het verdere verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
de beschikking van 9 mei 2025 en alle daarin vermelde stukken;
de brief van de GI van 6 augustus 2025.
De zaak is nader mondeling behandeld op 29 augustus 2025. Daarbij waren
aanwezig:
- de advocaat van de moeder;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- een vertegenwoordigster van de GI;
- een vertegenwoordigster namens de Raad.
De moeder en de stiefvader zijn, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen.
[minderjarige] heeft een brief geschreven aan de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] in haar brief heeft geschreven. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
De zaak is gelijktijdig behandeld met zaaknummer C/02/405956 / FA RK 23-514. In die procedure wordt bij separate beschikking beslist.
2. De verdere beoordeling
Bij beschikking van 9 mei 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 19 mei 2025 en tot 19 september 2025. Het resterende deel van het verzoek verlenging van de ondertoezichtstelling is aangehouden tot de mondelinge behandeling op 29 augustus 2025. Ter beoordeling ligt nog voor het verzoek om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Bij brief van 6 augustus 2025 heeft de GI de kinderrechter bericht dat het laatste gesprek dat [minderjarige] heeft gehad bij de kinderrechter voor rust bij haar heeft gezorgd. [minderjarige] staat open voor contact met haar moeder in aanwezigheid van de GI om te praten over contactherstel. De GI heeft met de vader afgesproken dat [minderjarige] wordt aangemeld bij [school] . [minderjarige] is opgelucht dat ze naar school mag. In mei 2025 is OpenDoor gestart om met [minderjarige] te werken aan diverse doelen, waaronder de communicatie met haar ouders en het vergroten van haar zelfvertrouwen. Op 28 mei 2025 heeft de GI een gesprek gehad met de moeder waarin de moeder heeft aangegeven dat zij niet openstaat voor enig contact met [minderjarige] . De dingen die [minderjarige] heeft gezegd zijn niet waar en doen haar veel verdriet. De moeder kan niet anders dan deze keuze nu maken om haar eigen kinderen te beschermen. De moeder en de stiefvader zijn al heel lang aan het vechten om [minderjarige] terug te krijgen maar zij voelen zich niet gehoord, ook niet door de GI. Als [minderjarige] daarvoor openstaat dan kan zij als zij 18 jaar is zelf contact met haar moeder opnemen. De moeder wil ook niet meer geïnformeerd worden over [minderjarige] . De GI heeft ook een gesprek met de vader gehad. Hij voelt zich goed genoeg om voor [minderjarige] te zorgen. Het lukt hem echter onvoldoende om neutraal over de moeder te praten. Eerder zijn er zorgen geweest over zijn alcoholgebruik. De GI heeft met de vader afgesproken dat hij opnieuw een bloedtest laat uitvoeren in de periode juli/augustus en de resultaten hiervan met de GI zal delen. De GI heeft in een gesprek aan [minderjarige] laten weten dat haar moeder veel van haar houdt maar haar niet meer kan zien. [minderjarige] leek daar opgelucht op te reageren. In het gesprek leek het of [minderjarige] niet goed bij haar emotie kan. Wel staat ze nog steeds open voor contact met haar moeder als haar moeder dat wil. Verder gaat het naar omstandigheden goed met [minderjarige] . Ze gaat naar school en onderneemt leuke dingen met haar vriendinnen. De komende periode wil de GI onderzoeken of er nog mogelijkheden zijn voor contact tussen [minderjarige] en haar moeder. Ook wil de GI de komende periode het alcoholgebruik van de vader monitoren en moet worden onderzoek of de draagkracht en de draaglast van de vader voldoende in balans is om [minderjarige] te kunnen opvoeden. De GI zal ook onderzoeken waar het gezag over [minderjarige] moet liggen. De moeder oefent haar gezag momenteel niet uit maar misbruikt het ook niet. Het is daarom nodig dat de ondertoezichtstelling nog wordt verlengd.
De advocaat van de moeder voert tijdens de zitting aan dat de moeder verweer voert tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling. De beschuldigingen die [minderjarige] heeft geuit hebben veel impact gehad op de moeder. De moeder heeft veel werk verzet om de band met [minderjarige] terug op te bouwen en ze kan het contact met haar nu, vanwege alle beschuldigingen, niet langer aan. De moeder heeft ervoor gekozen om het contact met [minderjarige] volledig te verbreken. Ook wil zij niet meer geïnformeerd worden over [minderjarige] . De moeder voelt zich onvoldoende gesteund door de GI en door de vader. De GI heeft onvoldoende oog gehad voor de positie van de moeder en de stiefvader. De moeder zal niet dwars gaan liggen als er gezagsbeslissingen genomen moeten worden ten aanzien van [minderjarige] . Ook zal zij zich niet bemoeien met opvoedtaken. Onder die omstandigheden is het niet nodig de ondertoezichtstelling te verlengen. Mocht de ondertoezichtstelling wel worden verlengd dan zal de moeder daaraan, waar nodig, meewerken maar het is nu aan de vader om [minderjarige] verder op te voeden.
Door en namens de vader is tijdens de zitting aangevoerd dat de vader geen verweer voert tegen het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling. Het is goed dat de GI de komende periode nog betrokken blijft. De vader vindt het voor [minderjarige] erg jammer dat haar moeder heeft besloten geen contact meer met haar te willen. Volgens de vader was het vooral haar stiefvader waarmee [minderjarige] een slechte band had. Toch denkt de vader dat [minderjarige] opgelucht is dat ze het heeft uitgesproken en dat ze nu bij haar vader mag blijven. [minderjarige] doet het goed bij de vader thuis. De vader heeft in samenspraak met de GI geregeld dat [minderjarige] naar school kan gaan. De gezondheid van de vader gaat vooruit. Hij heeft recent nog een alcoholtest afgelegd en het resultaat daarvan was goed. De vader heeft geen last van een nasleep na de klaplong die hij heeft gehad. De vader kan goed samenwerken met de GI en hij weet de GI te vinden bij vragen. De vader heeft tegen [minderjarige] gezegd dat het voor haar ontwikkeling belangrijk is dat ze toch nog de mogelijkheid tot contact met haar moeder openhoudt. Voor nu heeft [minderjarige] echter aan de vader aangegeven dat ze voorlopig nog geen contact met haar moeder wil.
De Raad geeft tijdens de zitting aan dat het erg verdrietig is voor [minderjarige] dat haar moeder heeft besloten het contact met haar volledig te verbreken. De Raad adviseert het verzoek van de GI toe te wijzen en de ondertoezichtstelling te verlengen zodat de GI de komende periode de situatie kan monitoren en waar mogelijk stappen te kunnen zetten in het eventuele contactherstel tussen de moeder en [minderjarige] .
Op grond van de stukken en hetgeen op de zitting naar voren is gekomen, is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is dat het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt toegewezen. [minderjarige] wordt nog steeds ernstig in haar ontwikkeling bedreigd. De kinderrechter betreurt het dat de moeder de keuze heeft gemaakt om het contact met [minderjarige] te verbreken naar aanleiding van de uitspraken die [minderjarige] heeft gedaan omtrent de situatie bij de moeder en de stiefvader thuis. Het is zorgelijk als hetgeen [minderjarige] heeft verteld zich heeft voorgedaan maar het is ook zorgelijk als dit niet is gebeurd. [minderjarige] is nog erg jong en de keuze die de moeder heeft gemaakt om het contact volledig te verbreken heeft een grote impact op haar. De kinderrechter vindt het belangrijk dat de GI de komende drie maanden betrokken blijft om de situatie te monitoren en te onderzoeken of contactherstel tussen de moeder en [minderjarige] toch mogelijk is. Ook moet de GI de komende periode onderzoeken hoe (gezags)beslissingen ten aanzien van [minderjarige] kunnen worden genomen nu de moeder heeft besloten ook geen informatie over [minderjarige] te willen ontvangen. Ook vindt de kinderrechter het belangrijk dat de GI goed kijkt naar de situatie van de vader en dat er oog komt voor een netwerk waar [minderjarige] op terug kan vallen mocht er in de toekomst iets met de vader gebeuren.
Uitvoerbaar bij voorraad
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
3. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 19 september 2025 en tot 19 december 2025;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 augustus 2025 door mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Duerink-Bottinga, griffier en op schrift gesteld op 16 september 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.