RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/440326 / JE RK 25-1749
Datum uitspraak: 11 november 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
hierna te noemen de GI,
locatie Tilburg,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat mr. A. Goedkoop uit Breda,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats 2] , Duitsland.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 1 oktober 2025.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
mr. Goedkoop namens de moeder;
de vader;
- een vertegenwoordiger van de GI.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover op 11 november 2025 direct voorafgaande aan de zitting (afzonderlijk) een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] woont bij de moeder.
Bij beschikking van 20 mei 2025 heeft de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 20 mei 2025 tot 20 mei 2026 en heeft zij een machtiging tot uithuisplaatsing verleend om [minderjarige] in een netwerkpleeggezin te mogen plaatsen met ingang van 20 mei 2025 tot 20 juni 2025.
Bij nadere beschikking van 13 juni 2025 heeft de kinderrechter een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin met ingang van 20 juni 2025 tot 20 november 2025.
Op basis van voornoemde machtiging verblijft [minderjarige] in het netwerk, bij de moeder van een vriend van hem.
3. Het verzoek
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De GI legt aan haar verzoek ten grondslag dat [minderjarige] sinds april 2025 in een netwerkpleeggezin verblijft. De beide ouders zijn op dit moment niet in staat om de verzorging en opvoeding van [minderjarige] weer op zich te nemen. Zo laat de moeder een langdurig patroon zien van verslavingsproblematiek. Zij heeft zich in de afgelopen vier maanden vrijwillig ingezet om haar alcoholmisbruik te doorbreken middels een klinische opname.
Op 18 september 2025 is de moeder terug naar huis gegaan en afgewacht moet worden of de moeder dit keer geen terugval zal kennen. Hierbij komt volgens de GI dat [minderjarige] momenteel (nog) geen contact wil met zijn moeder. De vader van [minderjarige] woont in Duitsland en is op afstand betrokken. Hij kan geen verblijf aan [minderjarige] bieden en bovendien wil [minderjarige] niets liever dan in [plaats 1] wonen. Naar de mening van de GI wordt [minderjarige] in het netwerkpleeggezin de benodigde rust en stabiliteit geboden en is daar een volwassene aanwezig die fysiek en emotioneel beschikbaar is voor hem. Zo heeft [minderjarige] een volwassene nodig om zaken zoals stage en school te kunnen regelen. Hij moet gestimuleerd worden daar initiatieven in te nemen. Positief is dat netwerkmoeder en de vader regelmatig contact met elkaar hebben om praktische zaken te regelen, zoals het vinden van een stageplek. Binnenkort zal het pleeggezin alsnog op maat worden gescreend. Dit neemt niet weg dat de GI inmiddels ook kijkt naar een plek waar [minderjarige] op termijn met de nodige begeleiding zelfstandig kan gaan wonen. Daarnaast vindt de GI contactherstel tussen de moeder en [minderjarige] belangrijk.
De GI vindt het positief om ter zitting van haar advocaat te vernemen dat de moeder de huidige plaatsing van [minderjarige] nu wel kan ondersteunen. Voor [minderjarige] is dat belangrijk.
De GI zou het voor [minderjarige] ook belangrijk vinden dat voor hem vanwege zijn belaste verleden een coach of [hulpverlening] zou worden ingezet, maar daar staat [minderjarige] (nog) niet voor open.
[minderjarige] vertelt tegen de kinderrechter dat hij inmiddels een paar maanden bij de moeder van een vriend van hem en zijn twee broers verblijft en dat het daar goed met hem gaat. [minderjarige] wil daar voorlopig graag blijven wonen. Met zijn moeder heeft hij momenteel geen contact. [minderjarige] staat daar op dit moment niet voor open. Met zijn vader heeft [minderjarige] wel een goed en geregeld contact. [minderjarige] geeft verder aan dat hij inmiddels ook een leer-werkplek heeft gevonden richting logistiek. [minderjarige] stemt in met een verlenging van de machtiging uithuisplaatsing.
Mr. Goedkoop brengt namens de moeder naar voren dat [minderjarige] op dit moment gebaat is bij de stabiliteit die hem in het pleeggezin wordt geboden. Dit neemt volgens de moeder niet weg dat de GI zich moet blijven inzetten om contactherstel tussen haar en [minderjarige] mogelijk te maken. Het tempo daarin laat de moeder bepalen door [minderjarige] . Voor nu accepteert de moeder de huidige situatie en heeft zij tegen het verzoek geen bezwaar. De moeder kan zich voorstellen dat wanneer medio mei 2026 de beoordeling van een volgend verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing aan de orde zal zijn, sprake is van een geheel andere situatie. De moeder hoopt in elk geval dat op dat moment op een serieuze manier wordt bekeken wat zij [minderjarige] kan bieden.
De vader ziet dat [minderjarige] op de plek waar hij momenteel verblijft bij pleegmoeder de nodige rust heeft gevonden. De vader beaamt dat hij met de pleegmoeder en met [minderjarige] zelf geregeld contact heeft. De vader ziet in dat bij een ondertoezichtstelling toegewerkt zou moeten worden naar een thuisplaatsing. Echter heeft de vader er geen vertrouwen in dat de moeder voor [minderjarige] kan zorgen voor een langdurig stabiele thuissituatie. De vader begrijpt dat [minderjarige] ook niet bij hem zou willen wonen, omdat zijn gehele sociale leven zich afspeelt in [plaats 1] . Wanneer [minderjarige] zijn vader nodig heeft, is hij er voor hem. Daarnaast vindt de vader het voor [minderjarige] belangrijk dat hij op enig moment professionele hulp krijgt om zijn belaste verleden te kunnen verwerken.
5. De beoordeling
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. De kinderrechter overweegt hierbij dat [minderjarige] zich in het huidige netwerkpleeggezin in positieve zin ontwikkelt. [minderjarige] wordt daar de benodigde rust en stabiliteit geboden. [minderjarige] wil niet terug naar de oude situatie en weer bij zijn moeder gaan wonen. Vanwege de problematiek die bij de moeder speelt kan zij op dit moment aan [minderjarige] ook niet de benodigde veilige en ondersteunende opvoedomgeving bieden. De moeder zal eerst moeten laten zien dat zij het alcoholmisbruik doorbreekt en een langere tijd, zonder incidenten of escalaties, abstinent kan blijven. Dit is ook nodig om het vertrouwen van [minderjarige] te kunnen doen herstellen. Het is positief dat de moeder de huidige situatie momenteel ook respecteert. De vader van [minderjarige] woont in Duitsland, en kan daarom ook niet de zorg dragen voor [minderjarige] in Nederland.
Het voorgaande brengt met zich dat aan de grond voor een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] wordt voldaan. Het verzoek zal daarom worden toegewezen. De kinderrechter gaat er hierbij eerstens van uit dat de GI het huidige pleeggezin zal screenen. Dat heeft te lang op zich laten wachten en moet alsnog voortvarend en zorgvuldig worden opgepakt. Ook gaat de kinderrechter er vanuit dat de GI in de komende maanden gaat onderzoeken waar het perspectief van [minderjarige] gelegen moet zijn. Dat zal voor een eventueel verlengingsverzoek duidelijk moeten worden. De kinderrechter verwacht dat de GI bij [minderjarige] blijft aftasten in hoeverre er – hoe gering ook – mogelijkheden zijn voor (enig) contact tussen de moeder en [minderjarige] . Tot slot verwacht de kinderrechter van de GI dat zij actief zal onderzoeken waar [minderjarige] vanwege zijn belaste verleden nog de nodige begeleiding en steun kan gebruiken, zoals middels de inzet van een coach of [hulpverlening] . Ook de moeder dient zich af te vragen waar zij de nodige steun en begeleiding bij kan gebruiken om voor [minderjarige] – in welke vorm dan ook – een blijvend stabiele factor te kunnen zijn.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg (netwerkpleeggezin) met ingang van 20 november 2025 tot 20 mei 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 november 2025 door mr. De Jong, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dongen als griffier, en op schrift gesteld op 14 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.