ECLI:NL:RBZWB:2025:7871

ECLI:NL:RBZWB:2025:7871, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 14-11-2025, C/02/439840 / FA RK 25-4735

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 14-11-2025
Datum publicatie 04-12-2025
Zaaknummer C/02/439840 / FA RK 25-4735
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Breda
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827 BWBR0002656

Samenvatting

Beschikking over verzoek tot toestemming wijziging in het verblijf minderjarige in het kader van voogdij (1:336a lid 2 BW)

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Breda

Zaaknummer: C/02/439840 / FA RK 25-4735

datum uitspraak: 14 november 2025

beschikking over verzoek tot toestemming wijziging in het verblijf minderjarige in het kader van voogdij (1:336a lid 2 BW)

in de zaak van

de gecertificeerde instelling LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING, hierna: de GI, locatie Rotterdam,

over

[minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2017,

Als belanghebbenden in deze zaak worden gezien:

FAMILIE [de pleegouders],

hierna te noemen de pleegouders,

wonende te [plaats 1] ,

advocaat mr. A. Goedkoop,

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende te [plaats 2] ,

advocaat mr. P. Doorakkers.

Als informanten wordt aangemerkt:

[de vader] ,

hierna te noemen de vader,

wonende te [plaats 3] ,

[pleegzorg] ,

hierna te noemen [pleegzorg] ,

locatie [plaats 4] .

Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.

1. Het procesverloop

De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:

- het op 8 september 2025 van de GI ontvangen verzoek met bijlagen;

- de op 18 september 2025 van de GI ontvangen productie betreffende observaties op [school] ;

- het op 6 oktober van mr. Goedkoop ontvangen verzoek tot het horen van [minderjarige 1] ;

- de op 6 oktober 2025 van mr. Doorakkers ontvangen brief om de moeder aan te merken als belanghebbende;

- het op 9 oktober 2025 ontvangen verweerschrift van mr. Goedkoop met 1 productie;

- de pleitnota van de GI.

De verzoeken zijn mondeling behandeld op 15 oktober 2025. Bij die behandeling is verschenen een vertegenwoordiger van de GI met een advocaat. Tevens zijn verschenen de pleegouders met hun advocaat. Ook is verschenen de moeder met haar advocaat, en de vader. Voorts was aanwezig een vertegenwoordiger namens de Raad en een gedragswetenschapper van [pleegzorg] .

De rechtbank heeft [minderjarige 1] naar haar mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover op 14 oktober 2025 een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2. De feiten

Bij beschikking van 14 januari 2020 heeft de rechtbank Oost-Brabant het ouderlijk gezag van de moeder en de vader over [minderjarige 1] , en over haar broertje [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2016, beëindigd en is de GI benoemd tot voogdes over de minderjarigen.

[minderjarige 1] woont sinds 1 oktober 2018 bij pleegouders voornoemd.

[minderjarige 2] is op 12 augustus 2025 op vrijwillige basis in een gezinshuis geplaatst. Feitelijk verblijft [minderjarige 2] deels weer (op woensdag en in de weekenden) bij de moeder.

3. De verzoeken

De GI verzoekt op grond van artikel 1:336a van het Burgerlijk Wetboek (BW) toestemming te verlenen tot wijziging van het verblijf van [minderjarige 1] van het huidige pleeggezin naar een gezinsgerichte voorziening.

De pleegouders zijn het niet eens met het verzoek van de GI. Zij verzoeken:

Primair:

Het verzoek van de GI tot het verlenen van toestemming tot wijziging van de verblijfplaats van [minderjarige 1] af te wijzen en te bepalen dat [minderjarige 1] bij pleegouders blijft wonen.

Subsidiair:

Indien de kinderrechter van oordeel mocht zijn dat nader onderzoek gewenst is, te gelasten dat een onafhankelijk deskundigenonderzoek wordt verricht door een pedagoog of orthopedagoog naar:

• De ontwikkeling van [minderjarige 1] en haar specifieke behoeften;

• De opvoedcapaciteiten van pleegouders in relatie tot deze behoeften;

• De vraag of continuering van de plaatsing bij pleegouders, eventueel met aanvullende ondersteuning, in het belang van [minderjarige 1] is;

• De vraag of een uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van [minderjarige 1] ,

en het verzoek van de GI aan te houden, totdat dit onderzoek is afgerond en de kinderrechter zich op basis van objectieve deskundige inzichten een oordeel kan vormen.

Meer subsidiair:

Te bepalen dat de GI en pleegouders gedurende een periode van zes maanden onder begeleiding van een onafhankelijke mediator de samenwerking en communicatie zullen verbeteren conform de aanbevelingen van de klachtencommissie, alvorens een beslissing te nemen over wijziging van de verblijfplaats, zodat kan worden bezien of verbetering van de communicatie leidt tot een situatie waarin [minderjarige 1] bij pleegouders kan blijven met adequate ondersteuning.

Nog meer subsidiair:

Indien de kinderrechter het verzoek zou willen toewijzen, dit uitsluitend te doen onder de voorwaarde dat:

• Er een zorgvuldig begeleid overgangsplan wordt opgesteld met een gefaseerde overgang van minimaal drie tot zes maanden;

• Er een omgangsregeling word vastgesteld die waarborgt dat [minderjarige 1] frequent en regelmatig contact blijft houden met pleegouders;

• Er een evaluatiemoment wordt ingebouwd na drie maanden om te beoordelen of de overplaatsing daadwerkelijk in het belang van [minderjarige 1] is.

4. Het standpunt van verzoeker

De GI geeft allereerst aan haar verzoek niet lichtvaardig te hebben ingediend.

Naar de mening van de GI is er bij pleegouders echter sprake van een al langer durende onveilige opvoedsituatie, waar pas in het afgelopen half jaar meer zicht op is gekomen.

De eerste zorgmelding dateert uit maart 2025. [hulpverlener] deed toen een zorgmelding over de veiligheid van [minderjarige 2] in het pleeggezin. De aanleiding was dat [minderjarige 1] bij [hulpverlener] aangaf dat [minderjarige 2] pijn werd gedaan door pleegvader. Vanuit [hulpverlening 1] zou extra hulpverlening ingezet gaan worden. Ook zouden er logeerweekenden komen voor [minderjarige 2] om het pleeggezin te ontlasten.

Toen pleegouders de hulp van [hulpverlening 1] niet meer accepteerden, werd op 7 augustus 2025 Ambulante Spoed Hulp (ASH) ingezet. Ook hieraan hebben pleegouders niet meegewerkt. Zij zagen [minderjarige 2] als een probleemkind waarvoor extra hulp nodig zou zijn, maar niet voor henzelf. Daarna zijn er wederom zorgmeldingen gekomen van maart 2025 tot en met juni 2025. Bij pleegzorgorganisatie [pleegzorg] kwam de tweede zorgmelding binnen over het dwingen van medicatie en [minderjarige 2] daarbij vasthouden en het onheus bejegenen van [minderjarige 2] door pleegvader. De derde zorgmelding kwam van [opvang] , de logeeropvang van [minderjarige 2] , waar [minderjarige 2] had aangegeven geslagen te zijn door pleegvader.

Tijdens een moreel beraad in juli 2025 in aanwezigheid van de GI, [pleegzorg] , [hulpverlening 1] en de school bleek ook sprake te zijn van grote zorgen over [minderjarige 1] . Zo meldde [hulpverlening 1] een veiligheidsplan te hebben willen inzetten, maar dat kwam door de weigerachtige houding van pleegouders niet van de grond. Toen is de ASH ingezet. [hulpverlening 1] sprak hun zorgen uit over zorgelijke uitspraken van de kinderen en het feit dat de pleegouders hulp niet accepteerden. Ook school gaf aan al langere tijd zorgen te hebben over de draaglast van pleegouders en het niet kunnen reflecteren van pleegouders op hun eigen handelen. Daarnaast gaven zij aan dat voor de plaatsing van de pleegkinderen er reeds signalen kwamen van hun eigen kinderen. Zij gaven aan niet gelukkig te zijn in de thuissituatie. Daarbij hebben [minderjarige 2] en [minderjarige 1] beide seksueel grensoverschrijdend gedrag laten zien. Aangegeven werd dat het op het randje was van passend bij hun leeftijd. Vervolgens nam bij pleegouders de overbelasting en het belasten van de kinderen met uitspraken en het delen van emoties toe. Een andere zorg was (en nog steeds is) dat pleegouders zich tegen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in negatieve zin uitlaten over de moeder. Bekend is dat pleegouders zelf ook een belast verleden kennen.

Na het ASH-traject is [minderjarige 2] met toestemming van pleegouders overgeplaatst in een gezinshuis. Inmiddels gaat het daar veel beter hem. Intussen verloopt de omgang tussen de moeder en [minderjarige 2] in positieve zin. Omdat [minderjarige 2] niet meer bij pleegouders verblijft, [minderjarige 1] zich steeds meer uitspreekt en ouder wordt, pleegouders in toenemende mate overbelasting laten zien en zij lastig grenzen kunnen stellen, wordt er een groot risico gezien dat ook voor [minderjarige 1] de pleegzorgplaatsing ontoereikend is. Zo is er bij [minderjarige 1] reeds overprikkeling geconstateerd, welke mogelijk te herleiden is naar traumaproblematiek. Echter staan de pleegouders er niet voor open om het hierover met de school te hebben. Voor het contact tussen moeder en pleegouders zou via [hulpverlening 1] een bemiddelingstraject ingezet kunnen worden, maar daar staan stonden pleegouders niet voor open. Tevens stonden de pleegouders niet open voor uitbreiding van de omgang tussen [minderjarige 2] en de moeder. Ook de omgang tussen [minderjarige 1] en de moeder weten de pleegouders emotioneel niet ten volle te ondersteunen.

Aangezien inmiddels sprake is van een al jarenlang bestaand patroon dat pleegouders alleen de hulpverlening voor de kinderen accepteren en onvoldoende voor zichzelf, ziet de GI geen mogelijkheden meer in het opnieuw inzetten van hulpverlening. Daarbij wordt de hulpverlening voor [minderjarige 1] niet toegelaten ( [hulpverlening 1] , Ambulante Spoed Hulp, [pleegzorg] ).

Door pleegzorg is geconstateerd dat er niet meer aan de voorwaarden voor pleegzorg wordt voldaan, zodat ook een andere pleegzorgorganisatie geen oplossing biedt. Huidige pleegzorg heeft aangegeven de samenwerking met pleegouders na deze zitting te zullen beëindigen. De veiligheid van [minderjarige 1] bij pleegouders kan daardoor niet langer worden gewaarborgd. Naar de mening van de GI zijn pleegouders weliswaar erg betrokken, maar is dat onvoldoende om de veiligheid van [minderjarige 1] te garanderen. Bovendien heeft [minderjarige 1] vanwege haar kwetsbaarheid een trauma-sensitieve opvoeding nodig. Anders dan pleegouders kan het voorgestane gezinshuis [minderjarige 1] dit wel bieden, omdat de gezinshuisouder jarenlang in dienst is geweest van [hulpverlening 2] , een aanbieder van specialistische jeugd- en opvoedhulp bij complexe problemen en hulp aan gezinnen die met huiselijk geweld te maken hebben gehad. Hierbij komt dat [minderjarige 1] dan opnieuw bij [minderjarige 2] verblijft. Indien de rechtbank het verzoek zal toewijzen, kan [minderjarige 1] daar meteen worden geplaatst.

De GI verzoekt daarom haar verzoek toe te wijzen en de verzoeken van pleegouders af te wijzen. Het meer subsidiaire verzoek van pleegouders acht de GI niet in het belang van [minderjarige 1] , omdat met een onafhankelijk deskundigenonderzoek teveel tijd gemoeid zal zijn en [minderjarige 1] nu al erg veel last heeft van de onduidelijkheid van de situatie en de hulpverlening bovendien stagneert. Het meer subsidiaire verzoek acht de GI om dezelfde reden eveneens niet in het belang van [minderjarige 1] . Bovendien is er volgens de GI niet alleen sprake van samenwerkingsproblemen tussen haar en pleegouders, maar ook met pleegzorg, de hulpverlening van [hulpverlening 1] en ASH (en met eerder ingezette hulpverlening). Het nog meer subsidiaire standpunt van pleegouders gaat uit van een gefaseerde overgang van minimaal drie tot zes maanden. De GI is van mening dat een overplaatsing op korte termijn moet plaatsvinden vanwege de wijze waarop [minderjarige 1] in de huidige situatie wordt belast. De GI acht het daarbij ook van belang dat er omgang mogelijk is tussen [minderjarige 1] en pleegouders, maar is van mening dat het op dit moment te prematuur is om een frequentie vast te leggen.

De GI zal verder de ontwikkeling van [minderjarige 1] in haar vervolgplek zorgvuldig volgen, zodat het voorgestelde evaluatiemoment wat de GI betreft geen toegevoegde waarde heeft.

5. Het standpunt van de pleegouders

De pleegouders hebben op grond van artikel 809 Rv, artikel 12 IVRK, artikel 8 EVRM, en gelet op de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, allereerst verzocht om [minderjarige 1] te horen.

Bovendien achten de pleegouders voor de beoordeling van dit verzoek van belang te vermelden dat zij op 16 juli 2025 een klacht hebben ingediend bij de klachtencommissie van de GI over de gang van zaken in de communicatie met de voogd. De pleegouders achten de uitspraak van de klachtcommissie van wezenlijk belang, omdat deze aantoont dat het verzoek tot overplaatsing niet voortkomt uit acute gevaren voor [minderjarige 1] , maar uit verstoorde communicatie en verwijdering tussen partijen. De uitkomst van de klachtcommissie was dat er terecht problemen werden gesignaleerd in de samenwerking met de GI.

Daarbij wijzen de pleegouders er op dat de GI haar zorgen uitgebreid heeft beschreven, maar onvoldoende onderbouwd. Zo is het visiedocument van [pleegzorg] tot stand gekomen nadat pleegmoeder aan het einde van het gesprek op 4 september 2025 had aangegeven zich niet in het geschetste beeld te herkennen. [pleegzorg] is op 25 augustus 2025 gestart met het volledig invullen van een checklist veiligheid in dialoog met pleegouders, maar tijdens het doornemen hebben pleegouders aangegeven het proces niet te willen voortzetten, omdat zij vreesden dat het volledig invullen van de checklist zou leiden tot de conclusie dat er sprake is van een groot risico. Naar de mening van pleegouders is het visiedocument daarmee niet gebaseerd op een volledig en zorgvuldige veiligheidstaxatie, maar op een onvolledig en eenzijdig beeld. [hulpverlening 1] heeft in hun informatieverstrekking aangegeven dat het tijdens het schrijven nog niet mogelijk was gebleken om in een gesprek met pleegouders de zorgen uit een voorgenomen VT-melding te bespreken, waardoor die VT-melding nog niet was ingediend. Ook hier ontbreekt daarom een objectieve en betrouwbare feitelijke grondslag. Het rapport van ASH van 8 augustus 2025 vermeldt expliciet: “Op dit moment zijn er geen zorgen rondom [minderjarige 1] , van wat wij gezien hebben in een week tijd. Dat betekent niet dat er geen zorgen zijn of er kunnen liggen. Wij kunnen deze alleen niet hard maken, hier is meer onderzoek voor nodig”. Dit rapport ondersteunt juist niet de stelling dat er sprake zou zijn van een acute en onveilige situatie voor [minderjarige 1] .

Naar de mening van pleegouders heeft de GI niet aangetoond dat de huidige situatie voor [minderjarige 1] acuut onveilig is of dat [minderjarige 1] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd, indien zij bij hen blijft. De zorgen die worden geuit betreffen voornamelijk de samenwerking met hulpverlening en veronderstellingen over mogelijk toekomstige risico’s, niet concrete en objectief vastgestelde feiten van kindonveiligheid.

De pleegouders missen een stappenplan of een lijst met concrete verbeterpunten die zij hadden kunnen aanpakken. Ook hebben zij geen adequate terugkoppeling ontvangen van de GI over welke concrete gedragingen of omstandigheden problematisch worden geacht en op welke wijze deze zouden moeten worden verbeterd. Naar de mening van pleegouders mist het verzoek daarmee de noodzakelijke concreetheid en objectiviteit.

Naar de mening van pleegouders wordt bij het verzoek evenmin voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Een wijziging in het verblijf is een uiterst ingrijpende maatregel die slechts mag worden toegepast, indien er geen minder verstrekkende alternatieven voorhanden zijn. Zo heeft de GI niet aangetoond dat minder vergaande maatregelen zijn onderzocht en ontoereikend zijn gebleken, zoals:

- Het verbeteren van de communicatie, zoals door de klachtencommissie is aanbevolen;

- Het inzetten van een andere pleegzorgorganisatie;

- Het aanstellen van een andere gezinsvoogd;

- Het opstellen van een duidelijk verbeterplan met concrete doelen en termijnen;

- Het inzetten van intensieve thuisondersteuning;

- Het organiseren van mediation tussen pleegouders en hulpverleningsinstanties.

[minderjarige 1] is nu bijna acht jaar oud en heeft haar gehele bewuste leven bij pleegouders doorgebracht. Met het vertrek van haar broer [minderjarige 2] in augustus 2025 heeft [minderjarige 1] reeds een zeer ingrijpende gebeurtenis meegemaakt. Een tweede uithuisplaatsing binnen enkele maanden zou voor een kwetsbaar kind als [minderjarige 1] met hechtingsproblematiek en traumaproblematiek met veel behoefte aan structuur, duidelijkheid en stabiliteit desastreus zijn. Een overplaatsing naar een gezinshuis zal deze essentiële continuïteit ondermijnen.

De pleegouders erkennen dat [minderjarige 1] specifieke aandachtspunten heeft, waaronder overprikkeling, maar dit is aan aandachtspunt dat met passende hulpverlening binnen het pleeggezin kan worden aangepakt en vormt niet een reden voor een uithuisplaatsing.

De GI verwijt pleegouders onder meer beperkte emotieregulatie en onvoldoende pedagogische vaardigheden, maar onderbouwd dat niet met objectieve assessments of observaties door onafhankelijke deskundigen. In de voogdijrapportage van januari 2025 werden de krachten van het pleeggezin nog als positief betiteld. De pleegouders staan open voor hulpverlening voor [minderjarige 1] , waarbij zij vooral willen kijken nar de overprikkeling die wordt gezien en zij willen dat er een structureel, prettig en onbelast contact is tussen de kinderen, ouders en grootouders.

De pleegouders ontkennen ten stelligste de beschuldigingen van structurele dagelijkse opsluiting, gedwongen medicatie en fysieke mishandeling. Deze beschuldigingen zijn pas geuit na [minderjarige 2] ’s overplaatsing, zijn niet bevestigd door ASH tijdens intensieve betrokkenheid noch door enige andere betrokken professional en zijn geuit in een ernstig loyaliteitsconflict en zijn in strijd met de veiligheidstaxatie van oktober 2024. Naar de mening van pleegouders dienen deze beschuldigingen daarom met de nodige voorzichtigheid te worden beoordeeld en kunnen deze niet aan het verzoek van wijziging van verblijfplaats van [minderjarige 1] ten grondslag worden gelegd, zonder nader objectief onderzoek naar de situatie.

Het juridisch toetsingskader van artikel 1:336a lid 2 BW vereist dat wijziging van de verblijfplaats noodzakelijk is in het belang van de minderjarige, hetgeen een hoge drempel is die veronderstelt dat de huidige situatie onhoudbaar is. De pleegouders menen dat aan deze maatstaf niet is voldaan, omdat de GI niet met objectieve deskundigenverklaringen heeft aangetoond dat:

De huidige opvoedsituatie bij pleegouders acuut onveilig is;

pleegouders niet in staat zijn [minderjarige 1] adequaat op te voeden;

minder verstrekkende alternatieven zijn onderzocht en ontoereikend zijn gebleken;

de voorgestelde alternatieven (gezinshuis) beter zijn voor [minderjarige 1] ;

de noodzaak van overplaatsing opweegt tegen het belang van continuïteit en hechting.

De pleegouders achten het verzoek van de GI daarom onvoldoende onderbouwd en verzoeken deze in het belang van [minderjarige 1] af te wijzen.

6. Het standpunt van de moeder

De moeder heeft allereerst verzocht om in plaats van als informant aangemerkt te worden als belanghebbende. De moeder stelt hiertoe dat [minderjarige 2] in hetzelfde pleeggezin heeft gewoond als waar [minderjarige 1] momenteel verblijft. Vanwege problematiek in het pleeggezin is [minderjarige 2] in een gezinshuis geplaatst, waar de GI ook [minderjarige 1] wil gaan plaatsen. In december 2025 gaat de GI van de moeder een perspectiefonderzoek afnemen om te kijken of, en in welke vorm, zij de opvoeding opnieuw op zich zou kunnen nemen. De moeder heeft haar leven inmiddels al weer enkele jaren geheel op de rit. Naar de mening van de moeder wordt zij op grond van haar rol op dit moment als informant te sterk beperkt in haar rechten. De moeder verzoekt haar daarom in deze procedure aan te merken als belanghebbende.

Inhoudelijk geeft de moeder aan dat zij zich naar aanleiding van de zorgelijke uitspraken die [minderjarige 2] heeft gedaan over zijn verblijf destijds bij pleegouders veel zorgen maakt over [minderjarige 1] . Ook [minderjarige 2] maakt zich grote zorgen over zijn zusje. Daarbij hebben pleegouders altijd in negatieve zin gesproken over ouders. Naar de mening van de moeder wordt ook [minderjarige 1] door pleegouders enorm belast met volwassenzaken. Volgens de moeder hebben pleegouders aan [minderjarige 2] en [minderjarige 1] nimmer de emotionele toestemming weten te geven voor omgang tussen beide kinderen en de ouders. Om die reden heeft de moeder met [minderjarige 1] nog geen goed en warm contact kunnen krijgen. Met [minderjarige 2] is dat inmiddels wel het geval. De moeder ziet dat sinds [minderjarige 2] in het gezinshuis is gaan verblijven hij enorm is opgebloeid.

De moeder zou graag willen dat ook [minderjarige 1] in hetzelfde gezinshuis zal worden geplaatst als waar [minderjarige 2] momenteel verblijft, zodat zij met elkaar herenigd worden. Op (de lange) termijn zou de moeder ook graag weer voor [minderjarige 1] willen zorgen. Het belangrijkste vindt de moeder voor dit moment de veiligheid van [minderjarige 1] . Om die reden ondersteunt de moeder het verzoek van de GI en verzoekt zij alle verzoeken van pleegouders af te wijzen.

7. Het standpunt van de vader

De vader verklaart dat hij zich geheel aansluit bij hetgeen door de GI en de moeder naar voren is gebracht. Naar de mening van de vader is met [minderjarige 2] al een goede stap gezet, maar zijn zij er nog niet, omdat er nog grote zorgen bestaan over [minderjarige 1] .

De vader ondersteunt het verzoek van de GI.

8. Het standpunt van [pleegzorg]

bevestigd per direct bij pleegouders te zullen gaan stoppen als pleegzorgorganisatie en ondersteunt het verzoek van de GI.

9. Het standpunt van de Raad

De Raad verklaart zich grote zorgen te maken over het verblijf van [minderjarige 1] bij pleegouders, zoals dat zij belast wordt met volwassenzaken zoals dat zij het tijdens haar kindgesprek heeft over het benoemen van een bijzondere curator. Naar de mening van de Raad zal het voor [minderjarige 1] ook lastig geweest zijn om tijdens het kindgesprek haar verhaal te doen, omdat zij heeft ervaren dat [minderjarige 2] niet meer bij haar verblijft waardoor zij in een spagaat zal zitten. De Raad verklaart zich ook anderszins ernstige zorgen te maken over het verblijf van [minderjarige 1] bij pleegouders doordat vanuit verschillende instanties, zoals [hulpverlening 1] en vanuit [pleegzorg] , zorgen worden gezien en de instanties elkaar niet napraten. Daarbij waren er nog de zorgen over [minderjarige 2] en is gebleken dat de pleegouders geen enkele zelfreflectie kennen. De Raad ondersteunt daarom in het belang van [minderjarige 1] het verzoek van de GI.

10. Het standpunt van de [minderjarige 1]

heeft tegen de kinderrechter verteld dat zij bij pleegouders wil blijven wonen en nergens anders. Naar de mening van [minderjarige 1] zorgen pleegouders goed voor haar en heeft zij in die omgeving veel vriendjes en een leuke school. Anders dan bij [minderjarige 2] het geval was heeft pleegvader haar nooit pijn gedaan. Met haar moeder en vader heeft [minderjarige 1] af en toe contact. [minderjarige 1] ziet hen meestal op de woensdagen. [minderjarige 1] vindt dat prima. Graag zou [minderjarige 1] ook weer contact willen hebben met haar opa en oma, maar van haar voogd mag zij dat niet. Ook zou [minderjarige 1] het heel erg leuk vinden als [minderjarige 2] geregeld naar pleegouders zou komen, zodat zij weer met elkaar zouden kunnen spelen, echter heeft zij [minderjarige 2] nog maar 1 keer kunnen zien sinds hij bij hen weg is. [minderjarige 1] geeft voorts aan graag een bijzondere curator over haar benoemd te willen zien. Desgevraagd laat [minderjarige 1] weten dat zij dat van pleegmoeder heeft moeten vragen.

11. De beoordeling

Wettelijk kader

Op grond van artikel 1:336a lid 1 van het BW kan, indien een kind door een ander of anderen dan zijn voogd, als behorend tot het gezin met instemming van de voogd ten minste een jaar is verzorgd en opgevoed, de voogd niet dan met toestemming van degene die de verzorging en opvoeding op zich heeft genomen, wijziging in het verblijf van dat kind brengen. Op grond van het tweede lid van genoemd artikel kan de voogd, indien de vereiste toestemming niet wordt verkregen, aan de rechter verzoeken om vervangende toestemming. Deze wordt slechts verleend als dit in het belang van het kind noodzakelijk is.

Ingevolge artikel 807 Rv staat, voor zover thans van belang, tegen een beschikking ingevolge artikel 1:336a BW geen andere voorziening open dan cassatie in het belang der wet.

Het horen van [minderjarige 1]

De pleegouders hebben verzocht om [minderjarige 1] , hoewel zij pas 7 jaar oud is, te horen.

Met hun uitgebreide verwijzing in hun verweerschrift naar artikel 809 Rv, artikel 12 IVRK, artikel 8 EVRM, en gelet op de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, hebben de pleegouders dit verzoek gemotiveerd onderbouwd. De rechtbank kan de pleegouders volgen in hun verzoek om [minderjarige 1] , hoewel zij nog geen acht jaar oud is, te horen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het verzoek om de GI toestemming te verlenen tot wijziging van het verblijf van [minderjarige 1] van het huidige pleeggezin naar een gezinsgerichte voorziening een ingrijpende beslissing is, waartegen dus geen hoger beroepsmogelijkheid openstaat. Daarnaast wordt [minderjarige 1] over een paar maanden acht jaar oud. Juist door [minderjarige 1] in deze zaak te horen krijgt de kinderrechter meer inzicht in wat de beslissing voor [minderjarige 1] zelf zal betekenen. Om die reden heeft de rechtbank [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld om gehoord te worden, zodat zij meer zicht heeft wat er zich in haar leven afspeelt.

Moeder als belanghebbende?

De moeder heeft verzocht om haar als belanghebbende aan te merken. Hoewel de moeder niet met het gezag is belast, acht de rechtbank de moeder wel belanghebbend in dit verzoek. Gelet op de toekomstige visie van de GI om te werken aan een mogelijke thuisplaatsing bij de moeder, maakt dat de rechtbank van oordeel is dat niet uitgesloten kan worden dat de moeder in de toekomst weer een beduidende rol gaat spelen in het leven van [minderjarige 1] , zoals zij zelf ook aangeeft. Hierdoor heeft het huidige verzoek naar het oordeel van de rechtbank impact op het gezinsleven (family life) van de moeder en [minderjarige 1] zoals bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Daarom zal de rechtbank de moeder in deze procedure aanmerken als belanghebbende. Ten overvloede hebben de GI en de overige belanghebbenden hiertegen geen bezwaar gemaakt.

Inhoudelijk

De rechtbank overweegt dat [minderjarige 1] inmiddels al sinds 2018 bij pleegouders woont.

Zij stelt vast dat [minderjarige 1] daarmee gedurende ten minste één jaar door de pleegouders wordt opgevoed en verzorgd, waardoor de GI als voogd de toestemming behoeft van pleegouders om wijziging te kunnen aanbrengen in het verblijf van [minderjarige 1] , als pleegouders zich daartegen verzetten. Gebleken is dat de pleegouders zich verzetten tegen de verzochte wijziging in het verblijf van [minderjarige 1] bij hen naar een gezinshuis.

Om tot een beoordeling van het verzoek te komen acht de rechtbank het belangrijk om te benadrukken dat het belang van het kind hier de eerste overweging (artikel 3 Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind, hierna: IVRK). In het kader van deze beoordeling dient rekening te worden gehouden met zowel de continuïteit van verzorging, alsmede de fysieke en emotionele veiligheid van [minderjarige 1] . Daarnaast dient natuurlijk tevens rekening te worden gehouden met het belang van [minderjarige 1] dat er rekening wordt gehouden met haar mening (artikel 12 IVRK) en ook haar belang om uiteindelijk door haar ouders te worden opgevoed (artikel 9 IVRK).

Vaststaat dat [minderjarige 1] inmiddels een band heeft opgebouwd met haar pleegouders. Zij spelen inmiddels geruime tijd een belangrijke rol in het leven van [minderjarige 1] , niet alleen omdat zij de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] verzorgen, maar ook omdat zij aan hen is gehecht en zij voor haar vertrouwd voelen. Dit is ook bevestigd door [minderjarige 1] in het kindgesprek. Tegelijkertijd wordt van pleegouders te allen tijde verwacht dat zij kinderen een stabiele en veilige basis kunnen garanderen. Dit geldt eens temeer in het geval van [minderjarige 1] die al veel heeft meegemaakt. [minderjarige 1] moet daarom een stabiele opvoedomgeving kunnen worden gegarandeerd met pleegouders die in staat zijn om traumasensitief op te voeden. Voor [minderjarige 1] is het bovendien van belang dat dit perspectief biedend gebeurt, omdat haar ouders de zorg voor haar (nog) niet kunnen dragen. Met name sinds maart 2025 zijn er zorgen ontstaan die maken dat pleegouders niet in staat zijn om voornoemde basisvoorwaarden te garanderen. Zo blijkt uit de stukken en de informatie die tijdens de zitting is gedeeld dat in maart 2025 door [hulpverlener] een eerste zorgmelding is gedaan over de veiligheid van [minderjarige 2] in het pleeggezin. [minderjarige 1] gaf toen aan dat [minderjarige 2] pijn werd gedaan door pleegvader. Tot juni 2025 is er nog een tweede zorgmelding bijgekomen vanuit [pleegzorg] . Deze melding ging over het dwingen van medicatie en daarbij vasthouden van [minderjarige 2] en het onheus bejegenen van hem door pleegvader. De derde zorgmelding kwam van de logeeropvang van [minderjarige 2] , genaamd [opvang] . [minderjarige 2] had daar aangegeven door pleegvader te worden geslagen.

Tijdens een moreel beraad in juli 2025 in aanwezigheid van de GI, [pleegzorg] , [hulpverlening 1] en school bleek ook dat er grote zorgen waren over [minderjarige 1] . Om de veiligheid van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] te kunnen garanderen zou door [hulpverlening 1] een veiligheidsplan worden opgesteld en ingezet.

Echter is dit niet van de grond gekomen, doordat de pleegouders daaraan niet hebben willen meewerken. Vervolgens is ASH ingezet, maar ook deze werd al snel door pleegouders stopgezet. Ook de school gaf aan zich al langere tijd zorgen te maken over de draaglast van pleegouders en het niet kunnen reflecteren op hun eigen handelen. Tevens bleek toen dat zowel [minderjarige 2] als [minderjarige 1] beiden gedrag neigend naar seksueel grensoverschrijdend hebben laten zien. Daarbij nam bij pleegouders de overbelasting toe en het belasten van de kinderen met volwassenproblematiek en het delen met hen van hun eigen emoties. Een andere zorg was dat pleegouders zich tegen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in negatieve zin uitlieten over hun moeder.

Gebleken is dat vervolgens de overplaatsing van [minderjarige 2] niet voor de benodigde rust heeft kunnen zorgen voor [minderjarige 1] en dat bovendien haar veiligheid nog altijd in het gedrang is. Zo is overduidelijk gebleken dat pleegouders [minderjarige 1] nog altijd belasten met volwassenproblematiek. Zo heeft [minderjarige 1] als 7-jarige tijdens het kindgesprek met de rechter benoemd dat zij een bijzondere curator over haar zal worden benoemd. [minderjarige 1] zou dit als opdracht van pleegmoeder hebben meegekregen. De GI noemt ook dat de pleegouders nog altijd niet in staat zijn om [minderjarige 1] de emotionele toestemming te geven voor omgang met haar ouders te hebben. Hierdoor komt [minderjarige 1] in een loyaliteitsconflict terecht tussen pleegouders en ouders. Tijdens de zitting zijn deze zorgen door pleegouders niet erkend, omdat pleegouders hebben aangegeven zich niet in de zorgen te kunnen herkennen.

De wijziging van het verblijf van [minderjarige 1] van pleegouders naar een gezinshuis is een ingrijpende beslissing die voorligt, omdat daarin een beslissing over de toekomst van [minderjarige 1] wordt gevraagd. Dit klemt temeer, nu een beslissing in een geval als deze een eindbeslissing is die onherroepelijk is. De pleegouders zijn bovenal van mening dat het verzoek tot overplaatsing niet voortkomt uit acute gevaren voor [minderjarige 1] , maar uit de verstoorde communicatie en verwijdering tussen hen en de GI. Daarbij zijn pleegouders van mening dat de noodzaak voor een overplaatsing van [minderjarige 1] niet opweegt tegen haar belang van continuïteit en hechting met pleegouders. Naar het oordeel van de rechtbank legt een opvoedsituatie waarin een kind in een veilige situatie terechtkomt en zij uit het loyaliteitsconflict kan geraken en waar haar een trauma-sensitieve opvoeding kan worden geboden echter meer gewicht in de schaal. Daarbij onderschrijft de rechtbank de zorgen van de GI dat de pleegouders niet in staat zullen zijn om te kunnen profiteren van de hulpverlening, nu zij eerder hulpverlening telkenmale voortijdig hebben beëindigd en het bij hen ontbreekt aan de nodige zelfreflectie. Zij hebben tijdens de zitting zelf aangegeven dat zij zich niet herkennen in de door de verschillende instanties geschetste zorgen en problemen. Dit maakt dat de rechtbank, evenals de GI en de Raad, er onvoldoende vertrouwen in heeft dat de veiligheid van [minderjarige 1] voldoende is gegarandeerd bij pleegouders. [pleegzorg] wil ook niet meer samenwerken met pleegouders. Daarmee zal er geen enkel zich meer zijn op de veiligheid van [minderjarige 1] .

Het zal voor [minderjarige 1] wellicht lastig zijn vertrouwd te raken met andere opvoeders in een andere omgeving. Echter, dit weegt naar het oordeel van de rechtbank niet op tegen de zorgen die bestaan over pleegouders. De zorgen zijn daarbij van dusdanige aard, dat de verwachting niet gerechtvaardigd is dat de pleegouders in staat zijn om de situatie te keren, mede gelet op de houding die pleegouders tot dusver hebben aangenomen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de pleegmoeder tijdens de mondelinge behandeling expliciet heeft aangegeven dat indien [pleegzorg] zal wegvallen en het verzoek van de GI zal worden toegewezen er geen andere ondersteuning bij pleegouders in de thuissituatie nodig is.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het in het belang van [minderjarige 1] noodzakelijk is om haar verblijfplaats te wijzigen. Zij zal het verzoek hiertoe van de GI dan ook toewijzen.

Nu het verzoek van de GI zal worden toegewezen, is er geen plaats voor het primaire verzoek van pleegouders om te bepalen dat [minderjarige 1] bij pleegouders blijft wonen. Dat verzoek zal daarom worden afgewezen.

Omdat de rechtbank het verzoek van de GI zal toewijzen, hebben pleegouders onvoldoende belang bij hun subsidiaire verzoek om een onafhankelijk deskundigenonderzoek te laten instellen. Dat verzoek zal daarom eveneens worden afgewezen.

Ook het meer subsidiaire verzoek van pleegouders om onder begeleiding van een onafhankelijke mediator de samenwerking en communicatie met de GI te verbeteren zal worden afgewezen, nu uit het voorgaande blijkt dat de communicatieproblematiek niet van doorslaggevend belang is voor de beslissing die in deze zaak moet worden genomen.

Tot slot zal de rechtbank het nog meer subsidiaire verzoek van pleegouders om een overgangsplan op te laten stellen, [minderjarige 1] gefaseerd over te laten gaan, een omgangsregeling tussen pleegouders en [minderjarige 1] vast te stellen en hiervoor een evaluatiemoment in te bouwen eveneens afwijzen. Dit verzoek is namelijk te onbepaald. De rechtbank gaat er wel ervan uit dat de GI als professionele organisatie bij de overplaatsing van [minderjarige 1] naar het gezinshuis de nodige zorgvuldigheid in acht zal nemen. De rechtbank neemt hierbij voorts in aanmerking dat tijdens de mondelinge behandeling door de GI is aangegeven dat zij omgang tussen pleegouders en [minderjarige 1] in stand zal houden, omdat pleegouders voor [minderjarige 1] belangrijke personen zijn en blijven.

Uitvoerbaarheid bij voorraad

De rechtbank zal, gelet op de aard van de maatregel, de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing.

12. De beslissing

De rechtbank

verleent vervangende toestemming aan de GI Leger des Hels Jeugdbescherming om het verblijf van de minderjarige [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2017, te wijzigen naar een gezinsgerichte voorziening;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst alle verzoeken van pleegouders af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Sumner, en uitgesproken ter openbare zitting van 14 november 2025 in tegenwoordigheid van Van Dongen, griffier.

verzonden op:

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?