RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Enkelvoudige Kamer
Zaaknummer: C/02/440562 / FA RK 25-5155
11 november 2025
beschikking betreffende benoeming voogd
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
regio Rotterdam-Dordrecht, locatie Rotterdam,
hierna te noemen de Raad,
betreffende de minderjarige [minderjarige], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2025.
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
de minderjarige moeder [de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
de minderjarige biologische vader [de biologische vader],
hierna te noemen de (biologische) vader,
wonende in [plaats 2] ,
[de oma mz] ,
oma moederszijde,
wonende in [plaats 1] ,
[de opa mz] ,
opa moederszijde,
wonende in [plaats 1] ,
[de opa vz] EN [de oma vz],
hierna te noemen de opa en oma vaderszijde,
wonende in [plaats 2] ,
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Tilburg, de gecertificeerde instelling, hierna te noemen de GI.
1. Het verloop van het geding
Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 7 oktober 2025 ontvangen verzoek met bijlagen;
- de bereidverklaring aanvaarding voogdij van 7 oktober 2025.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
- een vertegenwoordiger van de Raad;
de moeder;
oma moederszijde;
de opa moederszijde;
de (biologische) vader;
de opa en oma vaderszijde;
een vertegenwoordiger van de GI.
2. Het verzoek
De Raad verzoekt, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, op grond van artikel 1:253q leden 2 en 4 jo. 1:246 van het Burgerlijk Wetboek (BW) een voogd te benoemen over de minderjarige [minderjarige] . Daarbij stelt de Raad voor om [de oma mz] , voornoemd, tot voogd te benoemen over [minderjarige] .
3. De feiten
De moeder en de (biologische) vader zijn minderjarig. De moeder is op [geboortedag 1] 2025 bevallen van [minderjarige] .
Bij beschikking van 31 mei 2025 heeft de rechtbank de GI belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige] met ingang van 31 mei 2025 tot 14 juni 2025.
Bij beschikking van 1 september 2025 heeft de rechtbank de GI (opnieuw) belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige] , dit keer met ingang van 1 september 2025 tot 1 december 2025, omdat de Raad verzuimd had om tijdig een verzoek in te dienen ter voorziening in het gezag, waardoor de eerder uitgesproken maatregel van voorlopige voogdij was komen te vervallen.
4. De standpunten
De Raad acht het noodzakelijk om voor langere tijd in de voogdij te voorzien over [minderjarige] , omdat beide ouders minderjarig zijn en hierdoor sprake is van een gezagsvacuüm. De Raad stelt in het belang van [minderjarige] voor om oma moederszijde tot voogd te benoemen. De oma moederszijde is bereid en naar de mening van de Raad in staat om de verantwoordelijkheid over [minderjarige] te dragen. De Raad acht de oma moederszijde in staat om keuzes te maken in het belang van [minderjarige] , ook omdat zij heeft laten zien dat zij rekening houdt met de moeder en de vader en zijn netwerk.
De belanghebbenden verklaren ter zitting afzonderlijk, maar eensluidend, in te stemmen met het verzoek van de Raad. Daarbij verklaart de oma moederszijde zich ook mondeling bereid om de voogdij over [minderjarige] op zich te gaan nemen.
5. De beoordeling
De moeder van [minderjarige] is minderjarig. Dit betekent dat zij op grond van artikel 1:246 BW niet bevoegd is om het gezag over [minderjarige] uit te oefenen en daardoor ook nooit het gezag over [minderjarige] heeft uitgeoefend. Er is geen andere ouder die het gezag uitoefent; de (biologische) vader (die [minderjarige] nog niet heeft erkend) is eveneens minderjarig.
De Raad baseert zijn verzoek op artikel 1:253q lid 2 en 4 BW jo. artikel 1:246 BW. Artikel 1:253q bevat een regeling voor het benoemen van een (tijdelijke) voogd voor de situatie dat een ouder die het gezag uitoefent, en dus aanvankelijk daartoe bevoegd is, (tijdelijk) onbevoegd raakt. Deze situatie doet zich echter niet voor. De moeder heeft het gezag nooit uitgeoefend, omdat zij daartoe op grond van haar minderjarigheid onbevoegd is. De rechtbank vat het verzoek van de Raad op als een verzoek tot de benoeming van een voogd op grond van artikel 1:295 BW. Uit de inhoud van het verzoekschrift en de mondelinge toelichting daarop blijkt ook dat dit is beoogd. De rechtbank zal daarom ambtshalve op grond van artikel 25 Rv de rechtsgronden aanvullen. Ter zitting heeft de Raad verklaard zich hiermee te kunnen verenigen.
Artikel 1:295 BW bepaalt dat de rechtbank een voogd benoemt over alle minderjarigen die niet onder ouderlijk gezag staan en in wier voogdij niet op wettige wijze is voorzien.
Nu de moeder vanwege haar minderjarigheid onbevoegd is om het gezag uit te oefenen en ook de vader geen gezag heeft, staat [minderjarige] niet onder het wettelijk vereiste gezag. Daarom zal de rechtbank op grond van artikel 1:295 BW in de gezagsuitoefening over [minderjarige] voorzien.
De moeder, maar ook de (biologische) vader en de betrokken families zijn het erover eens dat het in het belang van [minderjarige] is dat oma moederszijde de voogdij uitoefent tot de moeder er klaar voor is om zelf het gezag uit te oefenen. Beide gezinnen zijn actief betrokken en zetten zich in om de jonge ouders te ondersteunen in de zorg voor baby [minderjarige] . De oma moederszijde heeft zich zowel schriftelijk als mondeling bereid verklaard om de verantwoordelijkheid over [minderjarige] te dragen en heeft gedurende het raadsonderzoek laten zien hiertoe in staat te zijn. Alle belanghebbenden (daaronder ook de GI) kunnen zich hierin vinden. De rechtbank zal daarom oma moederszijde – [de oma mz] voornoemd – benoemen tot voogd over [minderjarige] .
Te zijner tijd kan de moeder de rechtbank verzoeken om zelf met het gezag te worden belast (artikel 1:253b, derde en vijfde lid, BW).
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is dat deze beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
6. De beslissing
De rechtbank
benoemt over de minderjarige [minderjarige] , geboren te Tilburg op [geboortedag 1] 2025, tot voogd [de oma mz] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 1983, wonende te [plaats 1] ;
bepaalt dat van deze beslissing aantekening wordt gemaakt in het in artikel 1:244 BW genoemde openbare gezagsregister;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 november 2025 door mr. De Jong, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dongen als griffier, en op schrift gesteld op 14 november 2025.
Mededeling van de griffier:
Tegen deze beschikking kan voor zover het een eindbeslissing betreft hoger beroep worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.
Het beroepschrift moet door tussenkomst van een procureur worden ingediend bij het gerechtshof te
's-Hertogenbosch.
verzonden op: