ECLI:NL:RBZWB:2025:7902

ECLI:NL:RBZWB:2025:7902, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 04-09-2025, C/02/434900 / KG RK 25-200 (E)

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 04-09-2025
Datum publicatie 18-12-2025
Zaaknummer C/02/434900 / KG RK 25-200 (E)
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Geldvordering mbt openstaande facturen omzake samenwerkingsverband grotendeels toegewezen. vordering overlegging gegevens onderbouwing tareven. afgewezen

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht

Zittingsplaats Breda

Zaaknummer: C/02/434900 / KG ZA 25-200

Vonnis in kort geding van 4 september 2025

in de zaak van

PAYPER PAYROLL BV,

te Breda ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: Payper ,

advocaat: mr. W. van Leuveren MA .,

tegen

1. VAVA HOLDING B.V.,

te Tiel . ,2. VAVA BINNENROTTE B.V.,

te Rotterdam ,3. VAVA BUITENHOF B.V.,

te Den Haag ,4. VAVA HEUVEL GALERIE B.V.,

te Eindhoven ,5. VAVA HOOG CATHARIJNE B.V.,

te Utrecht ,6. VAVA LEIDSENHAGE B.V.,

te Leidschendam ,7. VAVA PIUSPLEIN B.V.,

te Tilburg ,8. VAVA PLAZA B.V.,

te Rotterdam ,gedaagde partijen in conventie,

eisende partijen in reconventie,

hierna gezamenlijk in enkelvoud VaVa genoemd,

advocaat: mr. R.M. de Hair .

1. Faillissement VaVa Rembrandtplein

Bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 5 augustus 2025 is VaVa Rembrandtplein BV in staat van faillissement verklaard. De vorderingen in conventie zijn ook ingesteld tegen VaVa Rembrandtplein B.V. Deze procedure wordt voor wat betreft die vorderingen jegens gefailleerde ex art. 29 Faillissementswet geschorst.

2. De zaak in het kort

Partijen hebben een samenwerkingsovereenkomst gesloten voor de duur van 5 jaar.

Tussen hen is een geschil ontstaan over de betaling van de (openstaande) facturen door VaVa , waarna Payper de overeenkomst heeft ontbonden. Payper vordert in conventie betaling van de openstaande facturen, vermeerderd met diverse (schade)posten omdat VaVa zich volgens haar niet aan contractuele (betalings-)afspraken heeft gehouden. VaVa heeft die vordering betwist. Zij stelt dat Payper haar gedurende meerdere jaren te hoge bedragen in rekening heeft gebracht. Zij vordert daarom in reconventie overlegging van gegevens waaruit de onderbouwing blijkt van de door Payper gehanteerde tarieven. De voorzieningenrechter wijst de vordering in conventie grotendeels toe en de vordering in reconventie af. Deze beslissing wordt hierna toegelicht.

3. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 7 mei 2025 met producties 1 t/m 24;

- de conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende conclusie van eis in reconventie met producties 1 t/m 38;

- de conclusie van antwoord in reconventie, tevens akte houdende wijziging van eis en overlegging producties 25 t/m 37;

- de producties 38 en 39 van Payper ;

- de producties 39 t/m 41van VaVa ;

- de mondelinge behandeling van 21 augustus 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;- de pleitnota van Payper ;- de pleitnota van VaVa .

4. De feiten

in conventie en in reconventie

Payper maakt deel uit van de Payper groep die zich richt op personeelsadvies-diensten zoals werving, salarisadministratie, HR-software en vooral payrolling. Payper is de onderneming binnen de groep die zich met payrolling bezighoudt. Bij Payper zijn payrollmedewerkers in dienst die bij diverse opdrachtgevers worden ingezet en door die opdrachtgevers zelf zijn geworven.

VaVa exploiteert restaurants onder de zogenaamde Vapiano formule.

Tussen partijen is met betrekking tot de Vapiano-restaurants een samenwerkingsovereenkomst gesloten (hierna: de overeenkomst) In de overeenkomst is, voor zover van belang, het volgende bepaald:

“In overweging nemende dat:

- Vava Holding B.V. en haar deelnemingen gebruik willen maken van de dienstverlening van Payper zoals omschreven in deze samenwerkingsovereenkomst. Hierbij zijn de deelnemingen van Vava Holding B.V. aan te merken als Opdrachtgever in het licht van deze overeenkomst.

(…)

Zijn het volgende overeengekomen: (…)

2. Duur van de overeenkomst

Deze overeenkomst vangt aan op 1 juni 2020 en is aangegaan voor de duur van 5 jaar.

Opzegging van deze overeenkomst van 5 jaar is niet mogelijk.

Partijen hebben het recht om deze overeenkomst met onmiddellijke ingang te beëindigen op het moment dat;

(…)

• de andere partij in verzuim is.

3. Beëindiging samenwerkingsovereenkomst

Indien en voor zover deze tussen partijen gesloten samenwerkingsovereenkomst eindigt, draagt, in beginsel, de Opdrachtgever er zorg voor dat de payrollkracht elders in dienst treedt.

Ten aanzien van de aan de payrollkracht verschuldigde transitievergoeding, zijn in artikel 8.3. van deze overeenkomst nadere regels gesteld.

(…)

8. Tariefstelling

De tariefstelling voor de dienstverlening van Payper wordt uitgedrukt in een factor (hierna te noemen ”de omrekenfactor”) op het brutoloon van de payrollkracht vermeerderd met een toeslag voor de toe te passen overige arbeidsvoorwaarden, conform de CAO of eigen arbeidsvoorwaardenregeling van de Opdrachtgever/uiteindelijke inlener, ex artikel 8a WAADI.

De omrekenfactor (exclusief de eventuele toeslag als bedoeld in artikel 8.1. van deze overeenkomst; zie hierna artikel 8.6.) is op het moment van ondertekening van deze overeenkomst berekend op basis van;

Werkgeverslasten

- Sociale verzekeringspremies

- Pensioenpremie

Reserveringen

- 25 vakantiedagen

- Vakantiegeld

- Loondoorbetaling op feestdagen

- Kort verzuim/ bijzonder verlof

Contractverplichtingen (tussen Opdrachtgever en Payper )

- Margevergoeding Payper

- Ziektekosten

Bovenstaande is uitgewerkt in onderstaand model.

Product

Oproepovereenkomst zonder pensioen

Oproepovereenkomst met pensioen

Contract voor bepaalde tijd

Contract voor onbepaalde tijd

Overuren en toeslaguren

Student/ scholier < 12 uur per week

Student/ scholier > 12 uur per week (zonder pensioen)

Student/ scholier > 12 uur per week (met pensioen)

AOW

Factor

1,714

1,746

1,769

1,725

1,486

1,588

1,650

1,681

1,514

Indien en voor zover een payrollkracht na beëindiging van de payrollovereenkomst recht heeft op een transitievergoeding, zal de hoogte daarvan per situatie worden berekend en door Payper aan de payrollkracht worden uitbetaald. Het brutobedrag van deze vergoeding vermeerderd met de werkgeverslasten komen voor rekening van Payper . Voor zover er sprake is van opgebouwde transitievergoeding over de periode waarin transitievergoeding geen onderdeel is geweest van de tariefstelling van Payper is voor rekening van de Opdrachtgever en wordt separaat in rekening

gebracht.

Indien en voor zover het verzuimpercentage betreffende de via Opdrachtgever bij de Opdrachtgevers tewerkgestelde payrollkrachten op jaarbasis hoger is dan 4% van de collectieve bruto loonsom, komen alle bruto loonkosten voor dat verzuim boven voornoemd percentage, vermeerderd met de omrekenfactor voor rekening en risico van Opdrachtgever. De eventuele factuur daartoe zal telkens in het eerste kwartaal van het nieuwe jaar worden opgemaakt en aan Opdrachtgever worden gestuurd.

Indien en voor zover het verzuimpercentage betreffende de via Opdrachtgever bij de Opdrachtgevers tewerkgestelde payrollkrachten op jaarbasis lager is dan 4% van de collectieve bruto loonsom, zal het verschil tussen het gereserveerde bedrag verminderd met alle bruto loonkosten voor dat verzuim boven voornoemd percentage, vermeerderd met de omrekenfactor worden teruggegeven aan opdrachtgever. De eventuele afrekening daartoe zal telkens in het eerste kwartaal van het nieuwe jaar worden opgemaakt en aan Opdrachtgever worden betaald.

Onbelaste vergoedingen worden integraal (zonder omrekenfactor) doorbelast aan de Opdrachtgever.

Belaste vergoedingen, waaronder doch niet uitsluitend, bonussen en eindejaarstoeslagen, worden, vermeerderd met de in de bovenstaande tabel genoemde omrekenfactor voor over- en toeslaguren, doorbelast aan de Opdrachtgever.

(…)

Het door Opdrachtgever aan Payper verschuldigde tarief bestaat uit het tussen de Opdrachtgever en de payrollkracht overeengekomen bruto uurloon, vermenigvuldigd met de toepasselijke omrekenfactor (zie tabel) alsmede met de toeslag als bedoeld in artikel 8.6. van deze overeenkomst.

Enkel wijzigingen in de wetgeving en/of in de verplicht te volgen CAO of eigen arbeidsvoorwaarden-regeling, kunnen leiden tot een aanpassing van de in deze overeenkomst genoemde tarieven en/of omrekenfactoren. Dit zal geen invloed hebben op de marge van Payper . Payper is gerechtigd eenzijdig deze verplichte wettelijke wijzigingen, wijzigingen krachtens CAO of eigen arbeidsvoorwaarden-regeling en/of wijzigingen in het salaris van de payrollkracht te verwerken, vanaf het moment dat die wijzigingen worden ingevoerd.

(…)

Er zal aan Opdrachtgever een korting worden verstrekt van 5.5%. Deze korting wordt berekend over de bruto loonkosten. De afrekening daartoe zal telkens in het eerste kwartaal van het nieuwe jaar worden opgemaakt en aan Opdrachtgever worden betaald.

(…)

10. Facturatie en betaling

Payper zal de payrollkrachten die bij de Opdrachtgever zijn tewerkgesteld in beginsel wekelijks of per periode van vier weken verlonen ter zake de in de week of vier weken daaraan voorafgaand gewerkte uren.

In dezelfde week dat de verloning plaatsvindt factureert Payper aan de Opdrachtgever. Payper hanteert jegens de Opdrachtgever een betalingstermijn van: automatische incasso op factuurdatum.

Ter voorkoming van enige inlenersaansprakelijkheid voor de omzetbelasting en/of loonheffingen dient 30% van het factuurbedrag inclusief BTW te worden voldaan op de G-rekening van Payper .

Partijen hebben de contractuele betaalafspraken gewijzigd in die zin dat het VaVa (volgens Payper : tijdelijk) toegestaan werd om in plaats van directe betaling een betalings-termijn van 30 dagen te hanteren..

Tussen partijen is in de loop van 2023 een geschil ontstaan over de betaling van de (openstaande) facturen van Payper door VaVa en over (de hoogte van) het openstaand saldo. VaVa heeft eind 2024 aangegeven de overeenkomst (per 1 juni 2025) niet te willen verlengen. Partijen hebben uitvoerig met elkaar gecorrespondeerd over de betaling van de (openstaande) facturen en de het openstaand saldo, ook via hun advocaten, maar zij hebben daarover geen overeenstemming kunnen bereiken.

Payper heeft de overeenkomst bij email van vrijdag 21 februari 2025 te 19.51 uur met onmiddellijke ingang opgezegd.

5. Het geschil

in conventie

Payper vordert na wijziging van eis als voorlopige voorziening: VaVa hoofdelijk te veroordelen om bij wijze van voorschot aan Paper te betalen een bedrag ad € 1.122.455,90 vermeerderd met de wettelijke (handels)rente hierover berekend vanaf 21 augustus 2025 tot de dag der algehele voldoening en VaVa hoofdelijk te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.

in reconventie

VaVa vordert als voorlopige voorziening:

1. Payper te veroordelen tot afgifte aan VaVa , binnen twee werkdagen na betekening van dit vonnis, van de informatie waaruit volgt (i) welke wijzigingen de onderdelen van de omrekenfactor hebben ondergaan alsmede (ii) op welke wijze die wijziging doorwerkt in de (gewijzigde) omrekenfactor, telkens voor de kalenderjaren 2021, 2022, 2023, 2024 en 2025;

2. Payper te veroordelen tot afgifte aan VaVa , binnen twee werkdagen na betekening van dit vonnis, van de informatie waaruit volgt dat de betrokken payrollkrachten een aanspraak toekwam op feestdagentoeslag binnen de kaders van de Horeca CAO;

3. Payper te veroordelen tot afgifte aan VaVa , binnen twee werkdagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, van de informatie waaruit volgt welke reservering voor

transitievergoedingen door haar werd aangelegd uit hoofde van de samenwerkings-overeenkomst;

4. een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 10.000 voor elke

dag dat Payper niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van EUR

150.000;

5. Payper te veroordelen in de kosten van het geding.

Partijen hebben elkaars vorderingen betwist. Op de standpunten van partijen en wat zij ter ondersteuning daarvan hebben aangevoerd zal hierna bij de beoordeling, voor zover van belang, worden ingegaan.

6. De beoordeling

in conventie

partijen bij de overeenkomst

VaVa stelt dat alleen VaVa Holding (gedaagde 1 in conventie) partij is bij de samenwerkingsovereenkomst. Andere vennootschappen zijn niet als partij genoemd en de samenwerkingsovereenkomst is niet door een andere vennootschap dan VaVa Holding getekend. Payper is daarom niet-ontvankelijk is in haar vorderingen voor zover zij deze richt op de overige gedaagden in conventie.

Volgens Payper zijn alle gedaagden in conventie partij bij de samenwerkings-overeenkomst, want VaVa trad op namens de deelnemingen. Dat blijkt ook uit de omstandigheid dat VaVa namens al die vennootschappen een reconventionele vordering instelt die feitelijk is gebaseerd op de samenwerkingsovereenkomst.

De voorzieningenrechter stelt vast dat niet in geschil is dat VaVa Holding partij is bij de samenwerkingsovereenkomst. In de samenwerkingsovereenkomst staat dat VaVa Holding en haar deelnemingen gebruik willen maken van de dienstverlening van Payper zoals omschreven in de samenwerkingsovereenkomst en dat daarbij de deelnemingen van VaVa zijn aan te merken als opdrachtgever in het licht van de samenwerkingsovereenkomst.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat nu de deelnemingen beschouwd moeten worden als opdrachtgever, zij ook contractspartij zijn bij de samenwerkingsovereenkomst en dat zij rechtsgeldig zijn vertegenwoordigd door VaVa Holding. Uit de feitelijke gang van zaken blijkt ook dat de deelnemingen partij zijn bij de samenwerkingsovereenkomst: zij hebben op basis van de samenwerkingsovereenkomst personeelsleden die bij Payper in dienst waren ten behoeve van hun vennootschap te werk gesteld.

hoofdelijke aansprakelijkheid

VaVa stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid. Elke deelneming nam een afgescheiden deel voor haar rekening. Er vond tussen de deelnemingen geen uitwisseling plaats van payrollkrachten.

Payper stelt dat nu VaVa Holding en de deelnemingen gezamenlijk opdracht hebben gegeven aan Paper er sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid. Zij verwijst naar artikel 7:407 BW.

De voorzieningenrechter stelt vast dat in de samenwerkingsovereenkomst de hoofdelijke aansprakelijkheid niet is opgenomen. Dit betekent dat de wet en de gewoonte maken of er sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid.

Zoals hiervoor onder 6.3. is overwogen gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat bij het sluiten van de overeenkomst VaVa Holding de onderscheidenlijke deelnemingen heeft vertegenwoordigd en mede namens hen één overeenkomst heeft gesloten. Na het sluiten van de overeenkomst is de communicatie tussen VaVa en Payper vrijwel uitsluitend via VaVa Holding verlopen. Payper heeft onweersproken gesteld dat VaVa Holding de administratie en betalingen van de deelnemingen regelde, dat de wekelijkse urenopgaven van de medewerkers en de inzage in het automatiseringssysteem PayperOne steeds centraal door en vanuit VaVa Holding plaatsvond, dat crediteringen per vestiging werden berekend en gefactureerd maar op centraal niveau door VaVa Holding als geheel werden afgewikkeld en dat het ziekteverzuim van VaVa als één geheel gezamenlijk in beschouwing werd genomen ter berekening van een bonus of naheffing.

Voormelde wijze waarop werd gecommuniceerd, geadministreerd, gefactureerd en in gezamenlijkheid werd afgerekend, maakt dat de vorderingen niet meer als individueel beschouwd kunnen worden en niet meer afsplitsbaar zijn naar de afzonderlijke deelnemingen en dat er dus sprake van gezamenlijk opdrachtgeverschap in de zin van artikel 4:704 BW. In dit artikel is bepaald dat als er sprake is van twee of meer opdrachtgevers deze hoofdelijk verbonden zijn tegen over de opdrachtnemer. Deze situatie doet zich hier dus voor.

algemene voorwaarden

De beantwoording van de vraag met betrekking tot de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van Payper kan in het midden blijven, gelet op wat hierna wordt overwogen.

vordering Payper

Payper stelt dat zij op grond van de samenwerkingsovereenkomst wegens verleende diensten een vordering heeft op VaVa van € 1.122.455,90 (per 21 augustus 2025). Dit bedrag bestaat uit de volgende componenten:

a. facturen doorbelaste uren tot en met 21 februari 2025: € 924.526,75

b. nog niet eerder doorbelaste uitbetaalde fooien: € 174.524,22

c. kosten medewerkers die VaVa niet heeft overgenomen € 98.908,46

d. gederfde omzet minus loonkosten vanaf 22 februari 2025 tot en met 31mei 2025 € 223.120,10 e. incassokosten € 6.775,00

f. wettelijke (handels)rente € 77.135,86

totaal € 1.504.990,39

minus € 382.534,49

bestaande uit:

- vergoeding ziekteverzuim lager dan 4% € 5.017,00

- algemene korting (kick back) € 279.587,06

- scholingskosten € 31.540,09

21% BTW

algemeen kader

Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande uit een veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De voorzieningenrechter zal daarbij niet alleen moeten onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist.

aannemelijkheid vordering

a. facturen doorbelaste uren tot en met 21 februari 2025

Payper stelt dat zij voor geleverde diensten in totaal nog een bedrag van € 924.526,75 aan facturen heeft open staan, berekend voor kosten van inzet van payrollmedewerkers door Payper bij VaVa tot en met 21 februari 2025 (producties 13 en 14a t/m 14e Payper ). De vordering is gebaseerd op de overeengekomen en gebruikelijke doorbelasting van gewerkte uren maal tarief/factor en inclusief BTW.

VaVa betwist de juistheid van de door Payper toegepaste omrekenfactoren. Zij stelt dat er een te hoog bedrag aan sociale premies aan VaVa is doorberekend omdat Payper is uitgegaan van een te hoog percentage aan sociale premies. Daarnaast heeft Payper de omrekenfactor voor wat betreft het onderdeel “reserveringen”, voor wat betreft loondoorbetaling op feestdagen, onjuist toegepast, aldus VaVa

sociale premies.

De berekening van de tariefstelling voor de inzet van een payrollkracht vindt, samengevat, aldus plaats dat op het brutoloon van de payrollkracht een omrekenfactor wordt toegepast, welke jaarlijks wordt bepaald aan de hand van de werkgeverslasten, reserveringen en contractuele verplichtingen.

Voor het eerste jaar van de looptijd van de overeenkomst (2020) is de factor opgenomen onder artikel 8.2 van de overeenkomst. Voor de daaropvolgende jaren is onder artikel 8.9 van de overeenkomst bepaald dat Payper gerechtigd is eenzijdig de wettelijke verplichtingen krachtens CAO of eigen arbeidsvoorwaardenregeling en/of wijzigingen in het salaris van de payrollkracht te verwerken. Payper heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat dit in de praktijk betekende dat wijzigingen vaak pas aan het eind van het jaar bekend werden, en met ingang van het nieuwe jaar van kracht gingen. Volgens Payper was het gebruikelijk om jaarlijks in november/december in een bijeenkomst met ( [naam 3] ) VaVa Holding de nieuwe tarieven toe te lichten, waarna deze vervolgens met ingang van 1 januari van het volgende jaar gehanteerd gingen worden in die zin dat de facturen met toepassing van die nieuwe tarieven werden uitgebracht en ook door VaVa werden betaald. VaVa heeft dit onvoldoende gemotiveerd weersproken.

Voormelde werkwijze is door VaVa gevolgd tot november 2024, toen [naam 2] , [functie] binnen VaVa Holding de verantwoordelijk portefeuillehouder werd en hij Payper vragen is gaan stellen over de door haar toegepaste omrekenfactoren. Payper heeft vervolgens bij email van 12 december 2024 aan VaVa Holding een toelichting gegeven op de omrekenfactoren. Volgens VaVa was deze toelichting echter niet toereikend.

Payper heeft onweersproken gesteld dat omdat inmiddels door VaVa aan Payper was medegedeeld dat de overeenkomst niet zou worden voorgezet en partijen met elkaar in discussie waren over de openstaande facturen, zij de omrekenfactor voor 2025 niet in een bijeenkomst met VaVa heeft besproken maar dat zij die in een email aan VaVa heeft toegestuurd.

De voorzieningenrechter moet de vraag beantwoorden of het door VaVa gestelde gebrek aan informatie over de berekening van de omrekenfactor als voldoende betwisting van de vordering dient te gelden.

De voorzieningenrechter stelt vast dat Payper over de jaren 2021 tot en met 2024 de door haar berekende omrekenfactor heeft medegedeeld aan VaVa en in meer of mindere mate heeft toegelicht. Niet gebleken is dat VaVa daartegen heeft geprotesteerd. Vervolgens heeft Payper op basis van die omrekenfactoren aan VaVa gefactureerd en heeft VaVa die facturen zonder meer betaald. VaVa heeft pas vanaf november 2024 vragen gesteld over de berekeningswijze van de omrekenfactor.

Bij deze stand van zaken acht de voorzieningenrechter het aannemelijk dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat voor wat betreft de jaren 2021-2024 niet meer teruggekomen kan worden op de berekeningswijze van de omrekenfactor door Payper

Voor wat betreft de omrekeningsfactor voor het jaar 2025 geldt dat VaVa in november 2024 haar bezwaren daartegen kenbaar heeft gemaakt. Weliswaar voorziet de overeenkomst in artikel 8.9 in het eenzijdig vaststellen van de omrekenfactor door Payper , maar de redelijkheid en billijkheid brengen met zich dat Payper desgevraagd inzage dient te geven in de wijze waarop zij deze berekening uitvoert omdat die berekening medebepalend is voor de betalingsverplichting van VaVa op grond van de overeenkomst.

Het is aan VaVa om zonder detailvragen akkoord te gaan met de door Payper opgegeven omrekeningsfactor, zoals zij in de jaren 2021-2024 heeft gedaan, of om wel nadere informatie te verlangen met betrekking tot de berekeningswijze, zoals zij met betrekking tot het jaar 2025 heeft gedaan.

De overeenkomst is door Payper met ingang van 21 februari 2025 met onmiddellijke ingang beëindigd. Tijdens de mondelinge behandeling is door de heer [naam 1] van Payper globaal berekend dat de omrekeningsfactor in 2025 met 0,5% is verhoogd, wat volgens Payper betekent dat het in 2025 (periode 1 januari 2025 tot en met 21 februari 2025) verloonde bedrag met een bedrag van in totaal ongeveer € 5.000,00 is verhoogd.

VaVa stelt zich op het standpunt dat Payper bij haar berekeningswijze uitgaat van een te hoog percentage aan sociale premies. Zo is uit de door VaVa uitgevoerde reconstructie gebleken dat de WHK-premie vele malen hoger is dan voor een bedrijf als Payper verwacht mag worden. VaVa heeft het teveel aan haar in rekening gebrachte bedrag becijferd op omstreeks € 100.000,00 per jaar. Payper heeft op haar beurt de berekenings-wijze van VaVa betwist, waarbij zij heeft aangevoerd dat een aantal door VaVa genoemde premiepercentages niet kloppen.

De voorzieningenrechter stelt vast dat een groot deel van de werkgeverslasten zijn gebaseerd op openbare gegevens, zodat VaVa de wijzigingen op grond daarvan zelf had kunnen berekenen. Partijen zijn het erover eens dat dit niet geldt voor de WHK-premies.

Als uitgegaan wordt van de veronderstelling dat aanpassingen van de sociale premies leiden tot een bedrag van maximaal € 100.000,00 per jaar, zoals VaVa stelt, zou dit, nu in 2025 slechts is verloond tot en met 21 februari 2025 (52 dagen) , slechts leiden tot een verschil van 52/365 maal € 100.000,00 is € 14.246,58. De voorzieningenrechter zal dit bedrag in mindering brengen op het gevorderde voorschot omdat in zoverre de vordering is betwist en de aannemelijkheid van het meerdere in kort geding onvoldoende vast staat..

loondoorbetaling op feestdagen

Vast staat dat een reservering voor “loondoorbetaling op feestdagen” onderdeel is van de omrekenfactor.

Vava stelt dat Payper de lonen van payrollkrachten die op feestdagen gewerkt hebben op reguliere wijze aan VaVa heeft gefactureerd op basis van de omrekenfactor, maar dat dit loon al betaald was via de reservering. Daarmee heeft Payper de inzet van payrollkrachten op feestdagen tweemaal aan VaVa in rekening gebracht.

Payper stelt dat deze reservering bedoeld is om situaties af te dekken waarin een payrollkracht niet kan werken vanwege een feestdag, bijvoorbeeld als een vestiging gesloten is, maar wel recht heeft op salaris omdat de feestdag valt op een reguliere werkdag. In dat geval moet de werkgever het loon doorbetalen en biedt de reservering hiervoor dekking. Als een payrollkracht wel werkt op de feestdag -wat bij VaVa meestal het geval was- dan is er volgens Payper sprake van reguliere loonbetaling voor gewerkte uren, welke normaal worden gefactureerd, vermeerderd met de toepasselijke cao-toeslagen (indien van toepassing. Deze kosten vallen dus buiten de context van de reservering.

VaVa heeft onvoldoende onderbouwd dat sprake is van het dubbel in rekening brengen van loon dat verschuldigd is tijdens de feestdagen. Bovendien heeft VaVa tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat reservering slechts betrekking had op 1 dag per jaar, omdat de filialen van Vapiano alleen op eerste kerstdag gesloten zijn. Dit heeft gevolgen voor de hoogte van de reservering die een onderdeel is van de omrekenfactor. VaVa heeft de omrekenfactor over de jaren 2020-2024 geaccepteerd. De invloed van de reservering op de omrekenfactor 2025 zal van zeer beperkte omvang zijn. Gelet op dit alles leidt dit verweer er niet toe dat het door Payper gevorderde voorschot dient te worden afgewezen of te worden verlaagd.

feestdagentoeslag op basis van de CAO

VaVa stelt dat Payper alle op feestdagen ingezette payrollkrachten heeft doorbelast op basis van een feestdagentoeslag (50% op het reguliere loon), terwijl de toekenning van een feestdagentoeslag had moeten plaatsvinden op basis van de Horeca-CAO. De toeslag had alleen aan vakkrachten toegekend moeten worden. Volgens VaVa lag het op de weg van Payper om de juiste CAO-voorwaarden toe te passen. Daarnaast heeft Payper een te hoge omrekenfactor toegepast, aldus VaVa .

Payper erkent dat de feestdagtoeslag van 50-% uitsluitend verschuldigd is aan mede- werkers die als vakkracht zijn aangemerkt. Zij wijst erop dat binnen het samen-werkings-verband VaVa zelf zorgdroeg voor de werving en selectie van haar medewerkers en de gegevens van die medewerkers (inclusief loon- en functiegegevens) invoerde binnen PayperOne (de omgeving die Payper voor haar opdrachtgevers en payrollmedewerkers heeft gecreëerd). Vanaf het begin heeft VaVa iedere medewerker gedurende de eerste jaren van de samenwerking abusievelijk als vakkracht aangemerkt. VaVa kon via PayperOne bij alle (loon)informatie en zij is wekelijks akkoord gegaan met de wekelijkse verloning van haar payrollmedewerkers en de daarop gebaseerde facturering. VaVa kon de wekelijkse loonstroken inzien en zo de loonbetalingen aan alle payrollmedewerkers controleren.

Payper betwist dat zij een te hoge omrekenfactor over feestdagen heeft toegepast. Zij stelt dat uren die op een feestdag zijn gewerkt aangemerkt worden als regulier gewerkte uren die volledig onder dezelfde voorwaarden en verplichtingen vallen als ieder ander gewerkt uur, zodat daarop de reguliere, hogere omrekenfactor van toepassing is. De lagere toeslagfactor is alleen van toepassing op het toeslagdeel van het loon, aldus Payper .

VaVa heeft voormeld standpunt van Payper slechts algemeen en daarmee onvoldoende gemotiveerd weersproken. Het verweer van Vava slaagt dan ook niet leidt en dit verweer leidt er niet toe dat het door Payper gevorderde voorschot dient te worden afgewezen of te worden verlaagd.

slotsom

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat Payper haar vordering uit hoofde van verleende diensten zoals zij die heeft gefactureerd tot een bedrag van (€ 924.526,75 minus

€ 14.426,58 is) € 910.280,17 in het kader van dit kort geding voldoende aannemelijk heeft gemaakt.

b. nog niet eerder doorbelaste uitbetaalde fooien

Payper stelt dat eens per (half) jaar aan de payrollkrachten de door Vapiano ontvangen fooien, die aan hen toekomen, op netto basis worden uitbetaald. Achteraf is gebleken dat de doorbelasting van de netto uitbetaalde fooien over 2022 en een aanzienlijk deel van de fooien over 2023 aan VaVa niet heeft plaatsgevonden. VaVa moet haar daarom nog een bedrag van € 174.524,22 voldoen (productie 14f).

VaVa betwist dat en stelt dat voormeld bedrag zonder enige onderbouwing door Payper aan haar wordt doorbast..

Vast staat dat de doorbelasting van de uitbetaalde fooien gebeurt aan de hand van door VaVa zelf aangeleverde gegevens. Door Payper is onweersproken gesteld dat VaVa aan haar een Excel bestand aanlevert met de ontvangen fooien en dat die vervolgens één-op-éen netto doorbelast moeten worden. Het had dus op de weg gelegen van VaVa om in haar eigen administratie na te gaan of de opgegeven bedragen aan te doorbelaste fooien juist zijn en of deze al niet eerder zijn verloond. Het volstaat niet als betwisting om te stellen dat er onvoldoende wetenschap is waar het gaat om door VaVa zelf aangeleverde gegevens. Daarmee is in kort geding deze vordering onvoldoende gemotiveerd betwist en zal de vordering als voorschot toegewezen worden.

c. kosten medewerkers die VaVa niet heeft overgenomen

VaVa heeft volgens Payper in strijd gehandeld met haar verplichtingen om bij beëindiging van de overeenkomst de payrollmedewerkers over te nemen en/of elders in dienst te laten treden, door dit met betrekking tot 12 medewerkers niet te doen. Payper wijst er in dit verband op dat de medewerkers door en ten behoeve van VaVa zijn geworven en dat zijzelf geen allocatiefunctie heeft. Zij is geen uitzendbureau en heeft geen andere inzetmogelijkheden voor de betreffende werknemers. Payper stelt dat zij daarom na 21 februari 2025 een bedrag aan bruto loonkosten van tenminste totaal € 98.908,46 heeft gemaakt voor deze payroll-medewerkers (productie 25).

VaVa stelt dat partijen hebben afgesproken dat zij in beginsel zou trachten om payrollkrachten over te nemen of elders te plaatsen, maar dat het uiteindelijk aan Payper (als werkgever) is om de verplichtingen jegens de payrollkracht na te blijven komen en -indien herplaatsing niet mogelijk zou zijn- voor haar rekening afscheid te nemen van de betreffende payrollkrachten. In de Samenwerkingsovereenkomst is daartoe onder 8.3. expliciet een regeling omtrent transitievergoedingen opgenomen, als gevolg waarvan Payper voor de payrollkrachten die het betreft kan putten uit een reservering voor

transitievergoedingen die door VaVa is betaald. De ter zake opgevoerde kosten komen

dan ook niet voor vergoeding in aanmerking, te meer nu Payper er zelf voor heeft

gekozen om de Samenwerkingsovereenkomst eenzijdig en zonder grond met

onmiddellijke ingang te beëindigen.

Payper heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat het alleen gaat om de loonkosten van de payrollkrachten die na de beëindiging van de overeenkomst door VaVa nog zijn ingezet ten behoeve van Vapiano, maar die daarna niet door VaVa zijn overgenomen. Payper heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat partijen hebben afgesproken dat bij beëindiging van de overeenkomst getracht wordt de medewerkers elders onder te brengen en dat als dat niet lukt, deze voor rekening van Payper komen.

Gelet op deze erkenning en het gemotiveerde verweer van VaVa is op dit moment onduidelijk welke partij het loon moet dragen en voor welke periode. Daarmee is nu ook onvoldoende aannemelijk dat de bodemrechter het gevorderde bedrag zal toewijzen.

.

d. gederfde omzet minus loonkosten vanaf 22 februari 2025 tot en met 31mei 2025

Payper stelt dat zij de samenwerkingsovereenkomst met VaVa heeft beëindigd op grond van de structurele toerekenbare tekortkoming van de betalingsverplichtingen door Vava , De gemiddeld gederfde omzet bedroeg € 15.613,72 per week (berekend over de laatste drie weken voor beëindiging overeenkomst). Tot de contractuele einddatum 31 mei 2025 komt dit neer op 14,29 weken maal € 15.613.72 is € 223.120,10 (productie 16). VaVa is voor deze schade hoofdelijk aansprakelijk.

Vava betwist dat Payper gerechtigd was om de samenwerkingsovereenkomst met onmiddellijke ingang te beëindigen. VaVa heeft steeds met inachtneming van de tussen partijen bestaande betalingsafspraak gehandeld. Bovendien verkeerde Payper zelf reeds geruime tijd in verzuim ter zake de nakoming van haar verplichtingen tot verantwoording van de door haar in rekening gebrachte bedragen. VaVa was daarom gerechtigd om haar betalingsverplichting jegens Payper op te schorten, Daarnaast beroept zij zich op verrekening, aangezien VaVa een tegenvordering heeft op Payper die enig door Payper te vorderen bedrag overtreft.

De voorzieningenrechter acht voorstelbaar dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat de onmiddellijke beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst door Payper gelet op de duur van de overeenkomst en de belangen van partijen, de toets der kritiek niet kunnen doorstaan. Anders dan VaVa meent heeft zij structureel niet aan haar betalingsverplichtingen voldaan. Voor zover zij zich beroept op een gewijzigde betalingsafspraak van 30 dagen heeft te gelden dat deze door Payper is ingetrokken, terwijl voorts heeft te gelden dat VaVa ook die termijn van 30 dagen structureel heeft overschreden.

Gelet op deze voortdurende tekortkoming van VaVa om de facturen tijdig te betalen en het risico dat Payper liep door de verloning desondanks voort te zetten, komt de voorzieningenrechter een opzegtermijn van 1 week redelijk voor. Bij gebreke van een betwisting van de door Payper toegepaste berekeningswijze dient dan uitgegaan te worden van een gemist positief contractsbelang van (13,29 weken maal € 15.613,72 is)

€ 207.506,34. De voorzieningenrechter verwerpt het beroep van VaVa op opschorting of verrekening nu de vordering van Payper , nu VaVa als eerste in verzuim was met de tijdige betaling van de facturen en van een tegenvordering voorshands niet is gebleken.

e. incassokosten

De kosten zijn aangezegd in de brief van 21 februari 2025. VaVa heeft de door Payper gevorderde incassokosten van € 6.775,00 niet inhoudelijk betwist, zodat die kunnen worden toegewezen.

f. wettelijke rente.

VaVa heeft de door Payper gevorderde de wettelijke (handels)rente niet inhoudelijk betwist, zodat die kan worden toegewezen.

Aangezien vordering van Payper voor wat betreft een bedrag van € 14.426,58 onvoldoende aannemelijk is geworden, leidt dat tot een verlaging van een bedrag aan de gevorderde wettelijke rente met een bedrag van € 865,59 (6% maal € 14.426,58) zodat deze vordering tot een bedrag van € 76.281,07 voldoende aannemelijk is geworden.

Tussenconclusie

Dit alles leidt ertoe dat de vordering van Payper , exclusief de jaarlijks vast te stellen korting en bonussen die in mindering strekken, tot een bedrag van

- € 910.280,17 (ad a: rov 6.33)

- € 174.524,22 (ad b: rov 6.36)

- € 207.506,34 ( ad d: rov 6.43)

- € 6.775,00 (ad e: rov 6.44)

- € 76.270,48 76.281,07 (ad f, rov 6.46)

en derhalve tot een totaalbedrag van € 1.375.366,80 voldoende aannemelijk is gemaakt.

Thans moet nog besproken worden de door Payper op haar vordering in mindering te brengen posten.

g. vergoeding ziekteverzuim lager dan 4%, algemene korting (kick back) en scholingskosten.

Payper stelt dat zij de verzuimbonus (€ 5.017,00), de korting (€ 279.587,06) en de scholingsbonus (€ 31.540,09) over het kalenderjaar 2024 heeft berekend en aan VaVa heeft toegekend, wat een bedrag van € 316.144,21 exclusief btw betekent en € 382.534,49 inclusief btw. Zij heeft dit met VaVa gedeeld. Zij heeft de nacalculatie uitgevoerd conform de systematiek die contractueel is overeengekomen en die ook in voorgaande jaren zonder enig bezwaar door VaVa is geaccepteerd.

Volgens Vava bedraagt de verzuimbonus € 117.436,52, de algemene korting € 333.396,55 en de scholingsbonus € 38.356,37, zodat haar in totaal exclusief btw een bedrag toekomt van € 489.189,44.

De voorzieningenrechter stelt vast dat partijen de kortingen en bonussen verschillend berekenen. Wat daarvan zij: dit gaat het bestek van het kort geding te boven nu aanknopingspunten voor de juistheid van de ene of de andere berekening ontbreken. De voorzieningenrechter zal daarom voorshands uitgaan van het door VaVa berekende bedrag, nu dit in mindering strekt op het te vorderen bedrag.

Dit betekent dat rekening wordt gehouden met een bedrag van € 489.189,44, te vermeerderen met 21 % BTW is € 591.919,22

Daarnaast stelt VaVa terecht dat zij ook aanspraak heeft op deze kortingen en bonus over 2025. De stelling van Payper dat het kalenderjaar 2025 nog niet afgesloten is en dat in de overeenkomst is bepaald dat deze kortingen en bonus op basis van nacalculatie na afloop van het kalenderjaar - dus in het eerste kwartaal van 2026 - worden vastgesteld, slaagt niet. De overeenkomst tussen partijen is immers beëindigd, zodat er in 2025 geen payrollkracht meer door Payper voor Vava werkzaam zal zijn en alle voor de berekening van de bonussen benodigde informatie is bekend.

Uitgaande van het door VaVa begrote bedrag voor 2025 van € 480.000,00 zal dit worden becijferd op 52/365 maal € 480.000,00 is € 68.383,56 . Payper betwist weliswaar de hoogte van dit bedrag, maar het had op haar weg gelegen om de kortingen en bonussen cijfermatig te onderbouwen, nu de benodigde informatie hierover bij haar bekend is.

Dit betekent dat in totaal een bedrag van ( € 591.919,22 + € 68.383,56 is)

€ 660.302,78 aan kortingen en bonussen in aanmerking moet worden genomen.

conclusie

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het bestaan van een vordering van Payper op VaVa van een bedrag van ( € 1.375.366,80 (6.47) minus € 660.302,78 (6.53) is € 715.063,22 in dit kort geding voldoende aannemelijk is geworden. De voorzieningenrechter zal dat bedrag zoals gevorderd bij wijze van voorschot toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 1 mei 2025.

Payper heeft ook voldoende spoedeisend belang hierbij. Zij heeft in dit verband gesteld dat zij heeft zorggedragen voor de uitbetaling van de lonen aan de payrollkrachten en voor de afdracht van de verschuldigde sociale lasten, loonheffingen en de btw over de facturen. Zij heeft dit uit eigen middelen voorgeschoten. Omdat Vapiano haar grootste klant is, is aannemelijk dat dit drukt op de resultaten van Payper .

Gelet op de aannemelijkheid van de vordering van Payper acht de voorzieningen-rechter het restitutierisico gering. Voorts geldt dat ondanks dat er al langer een groot bedrag open staat, Payper , anders dan één van de Vapiano-vestigingen, niet failliet is gegaan.

in reconventie

VaVa stelt dat het van essentieel belang is dat zij inzicht verkrijgt in de wijzigingen

die door Payper zijn doorgevoerd in de omrekenfactoren per 1 januari van de jaren

2021, 2022, 2023, 2024 en 2025, omdat dat de enige manier is waarop zij kan controleren of de door Payper doorgevoerde wijzigingen daarin ook terecht zijn.

De vordering wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang. De bodemprocedure tussen partijen is immers aangekondigd. Wegens gebrek aan onderbouwing door VaVa valt niet in te zien waarom zij overlegging van deze gegevens niet in de bodemprocedure kan vorderen. Van veel van deze gegevens en dan met name over de periode 2020 tot en met 2024 zal eerst moeten blijken of deze nog relevant zijn nu over die jaren de omrekenfactoren door VaVa zijn geaccepteerd.

proceskosten

VaVa is zowel in conventie als in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.

De proceskosten van Payper worden begroot op:

- kosten dagvaarding € 145,95

- griffierecht € 10.188,00

- salaris advocaat € 1.660,50 (1,5 maal liquidatietarief van € 1.107,00)

- nakosten € 278,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal € 12.272,45

De gevorderde handelsrente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

7. De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

veroordeelt gedaagden hoofdelijk, dat de één betaald heeft de ander bevrijd zal zijn, tot betaling bij wijze van voorschot van een bedrag van € 715.063,22 (zegge: zevenhonderdvijftien duizend en drieënzestig euro en tweeëntwintig eurocent), vermeerderd met de wettelijke handelsrente hierover vanaf 1 mei 2025 tot de dag der algehele voldoening,

wijst af het meer of anders gevorderde,

in reconventie

wijst de vordering af,

in conventie en in reconventie,

veroordeelt gedaagden in conventie/eisers in reconventie hoofdelijk in de proceskosten van € 12.272,45 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als zij niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, en veroordeelt hen tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over deze proceskosten als die niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

verklaart dit vonnis voor wat betreft de onder 7.1 en 7.4. gegeven veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van den Heuvel en in het openbaar uitgesproken op 4 september 2025.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?