RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaakgegevens: C/02/439217 / FA RK 25-4409
Datum uitspraak: 4 november 2025
Beschikking op de vraag van de minderjarige naar aanleiding van een informele rechtsingang
in de zaak van de minderjarige
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
wonende in [plaats 1] .
De kinderrechter merkt in deze zaak als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
ingeschreven op een adres in de gemeente Breda, maar verblijvende in [land] ,
advocaat: mr. S.J.C. Marijnissen te Breda,
[de pleegvader] ,
de halfbroer van [minderjarige] , als pleegvader van [minderjarige] ,
hierna te noemen: de pleegvader,
wonende te [plaats 1] ,
[de pleegmoeder] ,
de partner van de halfbroer van [minderjarige] , als pleegmoeder van [minderjarige] ,
hierna te noemen: de pleegmoeder,
wonende te [plaats 1] .
De kinderrechter merkt daarnaast in deze zaak als informant aan:
[de pleegzorgwerker] ,
als pleegzorgwerker werkzaam bij [pleegzorg] ,
hierna te noemen: de pleegzorgwerker.
De Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, is op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) betrokken in de zaak om de kinderrechter over de vraag van de minderjarige te adviseren.
1. Het verloop van de zaak
De rechtbank heeft op 28 augustus 2025 een brief van [minderjarige] ontvangen.
Op 9 september 2025 heeft de kinderrechter met [minderjarige] gesproken over haar brief.
Naar aanleiding van dit gesprek heeft de kinderrechter de moeder, de pleegvader, de pleegmoeder en de pleegzorgwerker uitgenodigd voor een zitting om te worden gehoord en hun mening te geven in deze zaak. De zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2025.
Bij die zitting zijn verschenen en gehoord:
de moeder (digitaal via een tweezijdige beeld- en geluidsverbinding via MS Teams), bijgestaan door mr. Marijnissen die wel fysiek in de zittingszaal aanwezig was;
de pleegvader en de pleegmoeder;
een vertegenwoordigster namens de Raad.
Daarnaast heeft de rechtbank bijzondere toestemming verleend aan een vertegenwoordigster van de Raad om de zitting als toehoorder bij te wonen.
De pleegzorgwerker is opgeroepen voor de zitting, maar zij heeft zich afgemeld en is niet verschenen.
2. De feiten
De moeder heeft het eenhoofdig gezag over [minderjarige] .
De vader van [minderjarige] is op 9 mei 2024 overleden.
[minderjarige] woont inmiddels ruim een jaar bij haar pleegouders.
De moeder verblijft momenteel voor onbepaalde tijd in [land] .
3. De vraag van [minderjarige]
vraagt aan de kinderrechter om het ouderlijk gezag van de moeder over haar te beëindigen en te bepalen dat haar pleegouders met de voogdij over haar worden belast.
[minderjarige] heeft hierover in voormelde brief en tijdens het gesprek met de kinderrechter, samengevat, onder meer het volgende aangegeven.
[minderjarige] was 9 jaar oud toen haar ouders uit elkaar gingen. [minderjarige] is toen bij haar moeder gaan wonen. Dit was volgens [minderjarige] de ergste periode uit haar leven. [minderjarige] stelt dat zij vroeger door haar moeder is mishandeld. Voornamelijk werd er kleinerend over haar gepraat. Alsof [minderjarige] er niet toe doet en zij dom is. De moeder heeft [minderjarige] ook fysiek mishandeld en (seksueel) grensoverschrijdend gedrag vertoond. Ook werd [minderjarige] niet goed verzorgd en zij moest vaak alleen eten. Na twee jaren is [minderjarige] bij haar vader gaan wonen. [minderjarige] is toen wat tot rust gekomen. De vader zorgde wel goed voor haar. Hij had wel een alcoholprobleem. Haar vader werd echter ziek, waarna zij bij haar (half)broer is gaan wonen. Hun vader is op een gegeven moment overleden. Inmiddels woont [minderjarige] ruim een jaar bij haar pleegouders. Tijdens het ziekbed van haar vader, verbleef [minderjarige] ook al bij hen. Volgens [minderjarige] zorgen de pleegouders goed voor haar. [minderjarige] zit bij hen dan ook op een goede plek. [minderjarige] stelt dat de moeder haar na het overlijden van haar vader niet heeft getroost en dat zij weinig moeite heeft gedaan om bij belangrijke dingen aanwezig te zijn, zoals de eindmusical. Sinds mei 2025 verblijft de moeder in [land] . Doordat de moeder is belast met eenhoofdig ouderlijk gezag over haar, kunnen volgens [minderjarige] bepaalde belangrijke (gezags)zaken niet worden geregeld, zoals de afwikkeling van de erfenis van haar vader. [minderjarige] wil daarom dat haar pleegouders met het gezag over haar worden belast, zodat zij voortaan de belangrijke (gezags)beslissingen over haar kunnen nemen. [minderjarige] heeft het telefoonnummer van haar moeder, maar zij weet niet waar haar moeder woont. [minderjarige] heeft wel af en toe contact met haar moeder via beeldbellen. De moeder stuurt soms berichten met lieve woorden, maar daar reageert [minderjarige] niet op.
4. De standpunten
Namens en door de moeder is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. De moeder is gechoqueerd door wat er is gezegd. De moeder betwist dat zij [minderjarige] heeft mishandeld. Meer heeft de moeder hierover niet te zeggen. Over de uitoefening van het gezag, stelt de moeder dat zij in Nederland alles voor [minderjarige] regelde. De moeder had echter een problematische relatie met haar inmiddels ex-partner. Nadat deze relatie was verbroken, had de moeder geen eigen woning in Nederland. De moeder is daarom noodgedwongen teruggekeerd naar haar eigen moeder in [land] . De moeder heeft [minderjarige] toen achtergelaten bij de pleegouders, dus bij voor [minderjarige] bekende mensen en op een veilige plek. De moeder verblijft momenteel voor onbepaalde tijd in [land] , mits de veiligheidssituatie dit toelaat. De moeder heeft in ieder geval geen concrete plannen en mogelijkheden om terug te keren naar Nederland. De moeder is en blijft altijd de moeder van [minderjarige] . De moeder stelt dat zij de belangrijke (gezags)beslissingen over [minderjarige] nooit heeft tegengewerkt en zij wil daar graag aan blijven meewerken, zoals het behartigen van de belangen van [minderjarige] bij de afwikkeling van de erfenis van haar vader. De moeder stelt dat zij hierover contact heeft gehad met de betrokken hulpverlening van [minderjarige] , maar dat zij hier niets meer over heeft gehoord. De moeder stelt tot slot dat zij eventueel openstaat voor een vorm van gedeeld gezag met de ouders.
De pleegouders hebben, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. [minderjarige] heeft haar brief aan de kinderrechter zelf geschreven met behulp van de pleegzorgbegeleiding. De pleegouders waren niet bekend met de inhoud van de brief. Volgens de pleegouders staat [minderjarige] open voor de noodzakelijk geachte hulpverlening en behandeling. Naar aanleiding van de gesprekken die zij onder andere heeft gevoerd met de pleegzorgbegeleiding, het CJG en De Viersprong, is bij [minderjarige] echter het besef gekomen dat haar moeder de bron van haar trauma’s is en dat het voor het verdere verloop van de behandeling van belang is dat [minderjarige] haar trauma’s bij de bron aanpakt. [minderjarige] wil daarom dat haar moeder niet langer de belangrijke (gezags)beslissingen over haar kan en zal nemen.
De Raad heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. Gezien alles wat er is gebeurd en wat [minderjarige] heeft meegemaakt, zoals het overlijden van haar vader en het vertrek van haar moeder naar [land] waarbij [minderjarige] is achtergelaten in Nederland, vindt de Raad het bijzonder dat [minderjarige] niet bekend is bij de Raad. De Raad ziet daarom aanleiding om een onderzoek te verrichten naar [minderjarige] . De Raad heeft daarbij toegezegd dat hij dit onderzoek zal uitbreiden, in die zin dat er ook onderzoek zal worden verricht naar de gewenste gezagssituatie over [minderjarige] , waarbij de vraag van [minderjarige] in deze zaak als uitgangspunt heeft te gelden. Er is echter een wachtlijst van vier tot vijf maanden voordat het onderzoek kan starten. De Raad adviseert daarnaast om een bijzondere curator te benoemen om [minderjarige] te helpen bij de afwikkeling van de erfenis van haar vader.
De pleegzorgwerker is uitgenodigd om als informant te verschijnen tijdens de zitting. Zij heeft zich echter afgemeld. Wel heeft zij het verslag van Vigere met daarin de conclusie van het netwerkonderzoek overgelegd. Daaruit blijkt dat er - met voorwaarden - positief wordt geadviseerd over het verblijf van [minderjarige] bij de pleegouders.
5. De beoordeling
Beëindiging eenhoofdig gezag en benoeming voogd
[minderjarige] heeft de kinderrechter een vraag gesteld via de zogenaamde ‘informele rechtsingang’. De informele rechtsingang biedt een kind van twaalf jaar en ouder een eigen toegang tot de rechtbank. Op informele wijze, bijvoorbeeld met een e-mailbericht of een brief, kan een kind een vraag aan de rechter stellen. De rechter kan, als zij dat wil, op de vraag van het kind, nadat de vraag is behandeld en alle belanghebbenden in staat zijn gesteld om hun mening daarover te geven, ambtshalve een beslissing geven.
Niet alle vragen van een kind kunnen door de rechter via de informele rechtsingang worden behandeld. In de wet is bepaald dat de rechter op een vraag van een kind van twaalf jaar of ouder alleen ambtshalve een beslissing kan nemen over bepaalde vragen zoals vragen over een omgangsregeling, over de informatieregeling, de benoeming van een bijzondere curator en in speciale gevallen het toekennen van eenhoofdig gezag.
De vraag van [minderjarige] om het eenhoofdig ouderlijk gezag van haar moeder te beëindigen en haar pleegouders te belasten met het gezag over haar (in dit geval in de vorm van een voogdij), valt niet onder één van deze onderwerpen. Het is daarom voor de rechter niet mogelijk om een beslissing over de vraag van [minderjarige] te nemen. De rechter begrijpt wel dat [minderjarige] de vraag heeft gesteld en heeft daarom besloten om de moeder, de pleegouders en de Raad toch uit te nodigen voor een gesprek daarover. De rechter wilde daarbij vooral ook de Raad de mogelijkheid geven om een onderzoek in te stellen naar de noodzaak om aan de rechter te vragen om een beslissing over het gezag te nemen.
De Raad heeft tijdens de zitting aangegeven dat hij ambtshalve een onderzoek zal doen naar de tijdens de zitting gebleken feiten en omstandigheden. [minderjarige] verblijft inmiddels ruim een jaar bij haar pleegouders, terwijl haar moeder voor onbepaalde tijd in [land] verblijft. De moeder heeft in ieder geval geen concrete plannen en mogelijkheden om weer in Nederland te komen wonen. Gezien deze omstandigheden kan bovendien de vraag gesteld worden of het in het belang van [minderjarige] is dat de moeder als enige gezagdragende ouder het gezag over haar blijft uitoefenen. De Raad heeft tijdens de zitting aangegeven dat hij bereid is om hier ook onderzoek naar te doen.
Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter naar aanleiding van de vraag van [minderjarige] niet overgaan tot een ambtshalve beslissing over het gezag.
Benoeming bijzondere curator
Artikel 1:250 van het Burgerlijk Wetboek (BW) luidt als volgt. Wanneer in aangelegenheden betreffende diens verzorging en opvoeding, dan wel het vermogen van de minderjarige, de belangen van de met het gezag belaste ouders of een van hen dan wel van de voogd of de beide voogden in strijd zijn met die van de minderjarige, benoemt de rechtbank, dan wel, indien het een aangelegenheid inzake het vermogen van de minderjarige betreft, de kantonrechter, of, indien de zaak reeds aanhangig is, de desbetreffende rechter, indien hij dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk acht, daarbij in het bijzonder de aard van deze belangenstrijd in aanmerking genomen, op verzoek van een belanghebbende of ambtshalve een bijzondere curator om de minderjarige ter zake, zowel in als buiten rechte, te vertegenwoordigen.
Gebleken is dat het tot nu toe niet lukt om voor [minderjarige] de afwikkeling van de erfenis van haar vader te regelen. Volgens [minderjarige] komt dit doordat de moeder met het gezag over haar is belast. De moeder stelt daarentegen dat zij wel wil meewerken, maar dat zij niet precies weet wat zij nu moet doen. Hoewel de moeder hierover contact heeft gehad met de betrokken hulpverlening van [minderjarige] , heeft zij sindsdien hierover niets meer gehoord.
De kinderrechter stelt vast dat het de betrokken volwassenen tot nu toe niet is gelukt om voor [minderjarige] de afwikkeling van de erfenis van haar vader te regelen, daarbij rekeninghoudend met de wensen en de belangen van [minderjarige] . Gelet hierop is er, naar het oordeel van de rechtbank, sprake van een belangenstrijd als bedoeld in voormeld artikel. Deze strijd ziet dan ook niet enkel op de relatie tussen [minderjarige] en haar moeder die met het eenhoofdig ouderlijk gezag over haar is belast, maar ook tussen [minderjarige] en haar pleegvader die naast haar feitelijk verzorger en opvoeder ook haar halfbroer is en dus waarschijnlijk ook rechten heeft terzake van de erfenis.
De kinderrechter vindt het daarom in het belang van [minderjarige] dat een bijzondere curator haar belangen gaat behartigen, zowel binnen als buiten rechte, met betrekking tot de afwikkeling van de erfenis van haar vader.
Hoewel in zaken die het vermogen van een kind raken de benoeming van een bijzondere curator normaal gesproken gebeurt door de kantonrechter, kan de kinderrechter, nu de benoeming gebeurt in deze zaak die is ontstaan naar aanleiding van de vraag van [minderjarige] over het gezag, op grond van voormeld artikel de benoeming zelf doen. Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter dan ook een bijzondere curator voor [minderjarige] benoemen.
Namens en door de moeder en de pleegouders is tijdens de zitting ingestemd met het benoemen van een bijzondere curator voor [minderjarige] .
Mevrouw mr. [persoon] , advocaat, kantoorhoudende te [plaats 2] , heeft aangegeven bereid en beschikbaar te zijn om in deze zaak op te treden als bijzondere curator. De kinderrechter zal haar daarom benoemen tot bijzondere curator over [minderjarige] . De rechtbank zal de bij haar bekende contactgegevens van [minderjarige] , de moeder en de pleegouders met de bijzondere curator delen. De bijzondere curator zal dan binnen een korte termijn contact met hen opnemen.
Indien de bijzondere curator daartoe aanleiding ziet, dan staat het haar vrij om een advies uit te brengen over andere zaken die zij in het belang van [minderjarige] noodzakelijk acht.
Indien de bijzondere curator niet buiten rechte een oplossing weet te bereiken, kan zij [minderjarige] in rechte vertegenwoordigen en een advies aan de rechtbank uitbrengen in de vorm van een verslag van bevindingen. Desgewenst kan de bijzondere curator als vertegenwoordiger van de minderjarige een zelfstandig verzoek indienen.
De bijzondere curator wordt verzocht om afzonderlijke gesprekken te voeren met [minderjarige] , de moeder en de pleegouders. Het staat de bijzondere curator vrij gesprekken te voeren met andere personen die relevante informatie kunnen verschaffen.
De bijzondere curator wordt verzocht om uiterlijk op de hierna te noemen pro forma datum een schriftelijk verslag over te leggen van haar werkzaamheden.
De kinderrechter wijst de moeder en de pleegouders erop dat zij de verplichting hebben aan de door de bijzondere curator te geven instructies gevolg te geven. De kinderrechter verzoekt tot slot aan de bijzondere curator om de leidraad werkwijze en verslag bijzondere curatoren ex artikel 1:250 van het Burgerlijk Wetboek in acht te nemen. Dit brengt mee dat als volgt wordt beslist. Daarbij behoudt de rechtbank zich iedere verdere beslissing voor.
6. De beslissing
De rechtbank
neemt naar aanleiding van de vraag van [minderjarige] geen ambtshalve beslissing over het gezag van de moeder;
benoemt mr. [persoon] , advocaat, kantoorhoudende te [plaats 2] , als bijzondere curator over [minderjarige] , met inachtneming van hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 5.6 tot en met 5.17 is overwogen;
verzoekt de bijzondere curator om uiterlijk op dinsdag 20 januari 2026 PRO FORMA, een schriftelijk verslag over te leggen van haar werkzaamheden;
verstaat dat de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda een onderzoek zal verrichten naar [minderjarige], met inachtneming van hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 5.4 is overwogen;
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2025 door mr. Van Triest, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. Wallerbos als griffier.
Mededeling van de griffier:
Voor zover in deze beschikking één of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, kan tegen deze beschikking hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof:
namens de minderjarige door zijn wettelijk vertegenwoordiger of de bijzondere curator: binnen 3 maanden na de dag van de beschikking;
door de minderjarige zelf als zijn aanvraag ziet op de benoeming van een bijzondere curator: binnen 3 maanden na de dag van de beschikking;
door de anderen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden: binnen 3 maanden na de dag van de beschikking;
door andere belanghebbenden: binnen 3 maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op een andere manier bekend is geworden. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.