ECLI:NL:RBZWB:2025:7942

ECLI:NL:RBZWB:2025:7942, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 29-10-2025, C/02/433048 / HA ZA 25-149

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 29-10-2025
Datum publicatie 19-12-2025
Zaaknummer C/02/433048 / HA ZA 25-149
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Geschil over meerdere overeenkomsten van geldlening en uitleg van gemaakte afspraken (Haviltex). Bevrijdende betaling op derdengeldenrekening advocaat. Vorderingen tot terugbetaling geldleningen gedeeltelijk toegewezen. Gelegde beslagen gedeeltelijk opgeheven. Schending artikel 21 Rv heeft gevolgen voor (buiten)gerechtelijke kosten.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht

Zittingsplaats Breda

Zaaknummer: C/02/433048 / HA ZA 25-149

Vonnis van 29 oktober 2025

in de zaak van

1. [persoon 1] ,

te [plaats 1] , hierna te noemen [persoon 1] ,2. [b.v. 1] B.V.,

te [plaats 1] , hierna te noemen [b.v. 1]

eisende partijen in conventie,

verwerende partijen in reconventie,

hierna samen te noemen: [b.v. 1] c.s.,

advocaten: mr. M.C.J. Oonk-Pallandt en mr. T. Deegens,

tegen

1. I AM AUTHENTIC B.V.,

te Breda, hierna te noemen IAA2. [persoon 2],

te [plaats 2] , hierna te noemen [persoon 2]3. [persoon 3],

te [plaats 2] , hierna te noemen [persoon 3]

gedaagde partijen in conventie,

eisende partijen in reconventie,

hierna samen te noemen: IAA c.s.,

advocaat: mr. A.M.C.C. Verblackt.

1. De zaak in het kort

[b.v. 1] heeft een geldlening verstrekt aan [persoon 2] en [persoon 3] . Daarnaast hebben [b.v. 1] en [b.v. 1] meerdere geldleningen verstrekt aan IAA. [b.v. 1] c.s. vorderen kortweg terugbetaling van deze geldleningen, vermeerderd met rente en boetes. In dit vonnis wijst de rechtbank deze vorderingen gedeeltelijk toe. De rechtbank is namelijk van oordeel dat IAA en [persoon 2] verplicht zijn een bedrag van € 43.000,- aan [b.v. 1] terug te betalen (met rente en eventuele boetes) en dat IAA verplicht is (bij elkaar) € 43.000,- aan [b.v. 1] en [b.v. 1] terug te betalen (met rente). De overige vorderingen van [b.v. 1] c.s. wijst de rechtbank echter af. Verder oordeelt de rechtbank dat [b.v. 1] c.s. hun waarheids- en volledigheidsplicht hebben geschonden. Dit werkt door in de vorderingen die zien op de (buiten)gerechtelijke kosten.

De vorderingen in reconventie tot opheffing van conservatoire beslagen wijst de rechtbank gedeeltelijk toe. Op de voorwaardelijke eis in reconventie hoeft de rechtbank niet te beslissen, omdat de voorwaarde daarvan niet is vervuld.

De rechtbank licht haar oordeel hierna toe onder het kopje ‘De beoordeling’. Daarvoor gaat zij in op het procesverloop, de feiten en het geschil. Aan het einde van dit vonnis volgen de beslissingen van de rechtbank.

2. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 25 juni 2025 en de daarin genoemde stukken

- de conclusie van antwoord in reconventie ook houdende akte vermindering van eis in conventie met producties van 30 juli 2025 van [b.v. 1] c.s.

- de akte van 2 september 2025 met producties van IAA c.s.- de mondelinge behandeling van 11 september 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

Vervolgens heeft de rechtbank besloten in deze zaak vonnis te wijzen

3. De feiten

[persoon 1] is bestuurder van [b.v. 1] . [b.v. 1] drijft een onderneming die advies geeft op het gebied van management en bedrijfsvoering.

[persoon 2] is bestuurder en enig aandeelhouder van [b.v. 2] (hierna: [b.v. 2] ). [b.v. 2] is (enig) bestuurder van IAA. [persoon 3] is de echtgenote van [persoon 2] en voormalig werknemer van IAA.

Op 22 juni 2020 is IAA opgericht met als voornaamste doel om luxe ontbijtgranen onder de naam ‘Moodfood’ op de markt te brengen. Oprichters van IAA zijn [b.v. 2] , de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ) en [b.v. 3] (hierna: [b.v. 3] ), de vennootschap van [naam 2] . Bij oprichting verkreeg [b.v. 2] de helft van de aandelen in het kapitaal van IAA. [naam 1] en [b.v. 3] verkregen samen de andere helft van de aandelen (ieder 25%).

In de periode 2020-2023 hebben [naam 1] en [b.v. 3] uit hoofde van geldleningen (werkkapitaal) vorderingen op IAA verkregen van respectievelijk € 46.885,- en € 75.535,-.

Vanaf 2021 raken [persoon 2] en [persoon 3] bevriend met [b.v. 1] . IAA is op dat moment nog niet winstgevend. Omdat [naam 1] niet meer in de vennootschap wil investeren, heeft IAA een nieuwe investeerder nodig.

Begin 2023 raken [persoon 2] en [persoon 3] met [b.v. 1] in gesprek over Moodfood.

Op 13 maart 2023 verstrekt [b.v. 1] (in persoon) een geldlening van € 30.000,- aan [persoon 2] en [persoon 3] (in persoon). Deze geldlening ligt vast in een overeenkomst van geldlening van 14 maart 2023. Volgens deze geldleningsovereenkomst moet de geldlening in twee jaar worden afgelost in 24 maandelijkse termijnen en bedraagt de rente over de geldlening 4% per jaar. Verder bepaalt de overeenkomst – voor zover van belang:

(…)

Artikel 2: rente

(…)

2. Indien het door de schuldenaar aan de schuldeiser verschuldigde bedrag niet op verschijndag mocht zijn voldaan, kan de schuldeiser aan de schuldenaar over het niet tijdig betaalde bedrag een boete in rekening brengen van ten hoogste 10% per maand.”

(…)

Artikel 4: zekerheden

1. Schuldenaren heer [persoon 2] en Mevrouw [persoon 3] zijn persoonlijk hoofdelijk aansprakelijk en als zekerheid wordt als onderpand mee verbonden de Iveco Camper [kenteken] bouwjaar 2019.

(…)

Artikel 6:

De leningsovereenkomst eindigt van rechtswege en het door de Schuldenaar als dan verschuldigde (met rente en kosten) is terstond en zonder opzegging, ingebrekestelling of andere formaliteit opeisbaar in de volgende gevallen:

Indien de Schuldenaar verzuimt met het nakomen van enige verplichting uit hoofde van deze overeenkomst

(…)

Vanaf eind maart 2023 spreken partijen via Whatsapp over de overname van de aandelen [naam 1] en [b.v. 3] door [b.v. 4] (hierna: [b.v. 4] ). [b.v. 4] is in 2015 aanvankelijk opgericht door (de vennootschappen van) [b.v. 1] , zijn zoon [zoon] ( [zoon] ) en de heer [naam 3] ( [naam 3] ). [naam 3] en [zoon] zijn (indirect) bestuurders van [b.v. 4] . Bij de onderhandelingen over de overname is ook [naam 4] ( [naam 4] ) betrokken, een bevriende relatie van [b.v. 1] .

Met het oog op de beoogde uitkoop van [naam 1] en [b.v. 3] richt [persoon 3] op 5 april 2023 een Whatsapp-groep op met onder meer [b.v. 1] , [zoon] , [naam 3] , [naam 4] en [persoon 2] .

Bij koopovereenkomst van 14 april 2023 koopt [b.v. 4] de door [naam 1] en [b.v. 3] gehouden aandelen in het kapitaal IAA voor een koopprijs van € 1,-. Daarnaast koopt [b.v. 4] de volledige vorderingen van [naam 1] en [b.v. 3] (zie 3.14) voor een koopprijs van bij elkaar € 100.000,-. De koop/overdracht van deze vorderingen wordt vervolgens (ook) vastgelegd in twee akten van cessie.

Bij overeenkomst van 26 april 2023 komen [b.v. 4] en IAA overeen dat [b.v. 4] een bedrag van € 100.000,- gaat lenen aan IAA. Deze overeenkomst luidt, voor zover van belang, als volgt:

(…)

2. De lening zal worden verstrekt voor een periode van 5 jaren. Geldlener zal uiterlijk op 27-04-2028 de lening aflossen, eerder aflossen is boetevrij toegestaan. Geldgever kan besluiten de lening eenmalig te verlengen onder dan afgesproken condities.

3. Over de lening is geldlener aan geldgever een rentevergoeding verschuldigd van 4% zegge vier procent per jaar ten gunste van [b.v. 4] Financieel Management. De rentevergoeding zal tegelijk worden overgemaakt bij het aflossen van de lening.

(…)

Bij notariële akte van 1 mei 2023 leveren [naam 1] en [b.v. 3] hun aandelen in het kapitaal van IAA aan [b.v. 4] . Daarmee verkrijgt [b.v. 4] de helft van de aandelen in het kapitaal van IAA.

Op verzoek van [b.v. 1] wordt IAFA B.V., waarvan [b.v. 1] enig bestuurder en aandeelhouder is, op 12 mei 2023 in het handelsregister ingeschreven als bestuurder van IAA.

In de periode van 23 mei 2023 tot en met 31 juli 2023 maakt [b.v. 1] via een aantal betalingen bij elkaar € 43.000,- over aan IAA.

Ondertussen dient IAA een financieringsaanvraag in bij Collin Crowdfund voor een crowdfundlening van € 200.000,-. [persoon 2] en [persoon 3] stellen zich persoonlijk borg voor dit bedrag en verstrekken als zekerheid een recht van hypotheek ten behoeve van de investeerders van Collin Crowdfund. Verder vermeldt de crowdfundaanvraag voor zover van belang:

(…)

De lening van [b.v. 4] ter hoogte van € 100.000,- wordt achtergesteld ten behoeve van de investeerders van Collin Crowdfund. Gedurende de looptijd van de lening zal er geen aflossing plaatsvinden op de achtergestelde lening. De rente wordt wel betaald.

(…)

Uit hoofde van de crowdfundaanvraag ontvangt IAA op 4 augustus 2023 een bedrag van € 191.869,28. Diezelfde dag schrijft [b.v. 1] via Whatsapp het volgende aan [persoon 3] :

[persoon 3]

Wil jij 100.000 overmaken met omschrijving aflossing Lening naar [b.v. 4] (…). Zoals afgesproken indien nodig komt er weer bedrag terug.

In lijn met dit verzoek maakt IAA op 4 augustus 2023 een bedrag van € 100.000,- over naar [b.v. 4] met als omschrijving ‘Aflossing Lening’.

In een geldleningsovereenkomst van 1 september 2023 leggen [b.v. 1] en IAA vast dat [b.v. 1] met de onder 3.14. genoemde betalingen aan IAA een lening heeft verstrekt van totaal € 43.000,- tegen een maandelijks te betalen rente van 4%.

Op 23 januari 2024 schrijft [persoon 3] per e-mail aan [b.v. 1] dat zij wil weten “wanneer er geld teruggestort wordt i.v.m. de verplichtingen van de zaak”. Hierop reageert [b.v. 1] op 24 januari 2024 voor zover van belang als volgt:

(…) [b.v. 4] heeft de leningen van de heren overgenomen bij Authentic. Dit is teruggestort met Crowdfund geld. Saldo richting [b.v. 4] is dus op dit moment 0 euro

Ik hoop dat je kunt begrijpen dat ik dat geld wat van mijn zoon en zijn compagnon is niet verder in gevaar wil brengen.

Ik zal deze verplichting van 100.000 overnemen.

Maakt voor de positie van authentic niets uit blijft precies hetzelfde. (…)

Vanaf 25 januari 2024 maakt [b.v. 1] de volgende bedragen over op de bankrekening van IAA met ‘lening’ als betalingsomschrijving:

€ 16.000,- op 25 januari 2024

€ 16.000,- op 23 februari 2024

€ 14.000,- op 21 maart 2024

€ 14.000,- op 15 mei 2024

€ 9.000,- op 25 juni 2024

€ 4.000,- op 27 juni 2024

€ 4.500,- op 28 juni 2024

€ 4.500 op 29 juni 2024

€ 7.000,- op 27 juli 2024

€ 14.000,- op 27 augustus 2024

€ 8.000,- op 30 september 2024.

Totaal: € 111.000,-

Vanaf 28 oktober 2024 maakt [b.v. 1] (vanaf zijn persoonlijke rekening) de volgende bedragen over op de bankrekening van IAA, eveneens met ‘lening’ als betalingsomschrijving:

€ 15.000,- op 28 oktober 2024

€ 7.000,- op 25 november 2024

€ 10.000,- op 2 december 2024

Totaal: € 32.000,-

Samen maken [b.v. 1] en [b.v. 1] in de periode van 25 januari 2024 tot en met 2 december 2024 dus € 143.000,- over aan IAA.

Eind 2024 legt [b.v. 1] twee (nieuwe) schriftelijke geldleningsovereenkomsten ter ondertekening voor aan [persoon 2] , één voor een bedrag van € 43.000,- en één voor een totaalbedrag van € 100.000,-. [persoon 2] stemt niet in met deze geldleningsovereenkomst en ondertekent deze niet.

Tussen partijen ontstaat eind december 2024 onenigheid over de toekomst van IAA en de besteding van de door [b.v. 1] c.s. aan IAA c.s. betaalde bedragen.

Op verzoek van Fishert c.s. verleent de voorzieningenrechter van deze rechtbank op 10 februari 2025 aan [b.v. 1] c.s. verlof om conservatoir verhaalsbeslag te doen leggen voor door [b.v. 1] c.s. begrote/gestelde vorderingen van € 39.000,- op [persoon 3] , € 280.800,- op [persoon 2] en € 241.800,- op IAA.

Op 10 en 11 februari 2025 laten [b.v. 1] c.s. kortweg de volgende conservatoire verhaalsbeslagen leggen ten laste van IAA c.s.:

op de eigendom van de woning van [persoon 2] en [persoon 3] ;

onder de Rabobank op de bankrekening(en) van [persoon 2] ;

op een bedrijfsauto van IAA van het merk/type Land Rover Discovery 4;

onder Bunq op de bankrekening(en) van IAA.

Bij e-mail van 10 februari 2025 verzoekt/sommeert de advocaat van [b.v. 1] c.s. IAA c.s. om binnen 14 dagen een bedrag van € 216.000 aan leningsbedragen én verschuldigde rente en boetebedragen aan [b.v. 1] c.s. (terug) te betalen.

Als communicatie hierover tussen de advocaten van partijen niet tot een oplossing leidt, worden IAA c.s. op verzoek van [b.v. 1] c.s. op 21 februari 2025 gedagvaard. Daarna doen de advocaten van partijen over en weer schikkingsvoorstellen. Bij e-mail van 11 april 2025 schrijft de advocaat van [b.v. 1] c.s. voor zover van belang het volgende aan de advocaat van IAA c.s.:

(…)

Schikkingsvoorstel

(…)

Het is goed om te lezen dat uw cliënten klaarblijkelijk weer iemand bereid hebben gevonden hun verdere bedragen te lenen en dat deze persoon het volledige bedrag van de privé-lening inclusief rente en kosten wil betalen. Graag hoor ik van u of dit bedrag inmiddels op uw derdengeldrekening staat. Enkel bij betaling van het in de dagvaarding gevorderde onder 1), zijnde het door uw cliënten ter zake verschuldigde bedrag van Euro 35.344,- voor 1 mei a.s. zal worden afgezien van de vanaf maart 2025 additioneel verschuldigd geworden rente en boetes.

(…)

Op 30 april 2025 wordt een bedrag van € 35.344,- overgemaakt op de derdengeldenrekening van de advocaat van [b.v. 1] c.s. Diezelfde dag schrijft de advocaat van IAA c.s. aan de advocaat van [b.v. 1] c.s. “dat het door u in uw brief van 11 april 2025 genoemde bedrag ad. 35.344,00 euro inmiddels is overgemaakt naar uw derdenrekening, ter voorkoming dat dit bedrag verder zal oplopen”.

In mei en juni 2025 verzoeken de advocaten van [b.v. 1] c.s. de advocaat van IAA c.s. om te bevestigen dat het bedrag van € 35.344,- kan worden doorbetaald van de derdengeldenrekening naar [b.v. 1] . Die doorbetaling vindt uiteindelijk plaats op 19 juni 2025, waarna [b.v. 1] c.s. hun eis hebben gewijzigd.

IAA heeft haar activiteiten inmiddels gestaakt.

4. Het geschil

in conventie

Na eiswijziging vorderen [b.v. 1] c.s. in conventie – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

[persoon 2] en [persoon 3] hoofdelijk, dan wel [persoon 2] en/of [persoon 3] , veroordeelt tot betaling van 4% rente per maand over € 32.344,- of € 30.000,- over de periode 1 maart 2025 tot 19 juni 2025, vermeerderd met de boete van 10% per maand over € 30.000,- over de periode 1 maart 2025 tot 19 juni 2025,

IAA en [persoon 2] hoofdelijk, dan wel IAA en/of [persoon 2] , veroordeelt tot betaling van € 206.093,18 (€ 186.000,- hoofdsom, € 1.493,18 rente en € 18.600 boete),

- vermeerderd met 4% rente over € 192.838,- of € 186.000,-

- vermeerderd met een boete van 10% over de hoofdsom per maand vanaf maart 2025 tot de dag van betaling,

3. IAA c.s. hoofdelijk, althans voor gelijke delen, althans pro rata, veroordeelt tot betaling van de daadwerkelijke buitengerechtelijke incassokosten inclusief beslagkosten van € 4.160,71, dan wel € 2.982,19, vermeerderd met de wettelijke rente,

4. IAA c.s. hoofdelijk, althans voor gelijke delen, althans pro rata, veroordeelt tot betaling van de proceskosten, inclusief de kosten van de gelegde beslagen (voor zover deze niet onder 3) zijn toegewezen).

[b.v. 1] c.s. leggen hieraan kortweg ten grondslag dat IAA c.s. geld hebben geleend van [b.v. 1] c.s. Volgens [b.v. 1] c.s. zijn deze geldleningen opeisbaar (geworden) en zijn IAA c.s. daarover ook rente en boetes verschuldigd. Daarbij baseren [b.v. 1] c.s. zich op twee schriftelijke geldleningsovereenkomsten, één tussen [b.v. 1] (in persoon) en [persoon 2] en [persoon 3] (in persoon) en één tussen [b.v. 1] en IAA.

IAA c.s. voeren verweer. IAA c.s. concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [b.v. 1] c.s., dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [b.v. 1] c.s., met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [b.v. 1] c.s. in de kosten van de procedure in conventie.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

in reconventie

IAA, [persoon 2] en [persoon 3] vorderen in reconventie – samengevat – om, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. [b.v. 1] c.s. te veroordelen om de door hen gelegde beslagen ten laste van IAA c.s. op te heffen, onder verbeurte van een dwangsom;

2. voor recht te verklaren dat [b.v. 1] onrechtmatig heeft gehandeld tegenover IAA;

3. [b.v. 1] te veroordelen om aan IAA een bedrag van € 100.000,00 te betalen als schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente;

4. gedaagde te veroordelen in de kosten van deze procedure inclusief nakosten en te vermeerderen met wettelijke (handels)rente vanaf de tiende dag na dagtekening van dit vonnis.

Aan hun vordering onder 1 leggen IAA c.s. kortweg ten grondslag dat [b.v. 1] c.s. geen rechtmatig belang hebben bij de ten laste van hen gelegde conservatoire beslagen en de vorderingen waarvoor beslag is gelegd ondeugdelijk zijn. De vorderingen onder 2 en 3 hebben IAA c.s. voorwaardelijk ingesteld, namelijk als IAA veroordeeld wordt tot betaling van het volledige bedrag dat door [b.v. 1] c.s. vanaf januari 2024 is betaald. Vorderingen 2n en 3 zien op het bedrag van € 100.000,- dat IAA op verzoek van [b.v. 1] , die op dat moment bestuurder was van IAA, heeft overgemaakt aan [b.v. 4] . Volgens IAA heeft [b.v. 1] toegezegd dit bedrag terug te betalen. IAA vordert nakoming van die toezegging. Subsidiair meent IAA dat [b.v. 1] in verband met de betaling van € 100.000,- zijn taken als bestuurder onbehoorlijk heeft vervuld en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld.

[b.v. 1] c.s. voeren verweer en concluderen tot niet-ontvankelijkheid van IAA c.s. dan wel tot afwijzing van de vorderingen van IAA c.s., met veroordeling van IAA c.s. in de kosten van de procedure in reconventie.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5. De beoordeling

Beoordeling in conventie

Waarheids- en volledigheidsplicht (art. 21 Rv)

Het meest verstrekkende verweer van IAA c.s. tegen de vorderingen van [b.v. 1] c.s. in conventie is hun beroep op de waarheids- en volledigheidsplicht van artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Volgens IAA c.s. hebben [b.v. 1] c.s. in de dagvaarding bewust een onjuiste voorstelling van zaken gegeven en ervoor gekozen om van belang zijnde feiten en bewijsstukken achter te houden. IAA c.s. stellen dat sprake is van een ernstige schending van de waarheidsplicht en vinden dat de vorderingen in conventie om die reden integraal moeten worden afgewezen. [b.v. 1] c.s. betwisten dit.

De rechtbank overweegt hierover als volgt. Artikel 21 Rv bepaalt dat partijen verplicht zijn de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht. Kernachtig komt dit erop neer dat partijen (i)

geen feiten stellen waarvan zij weten dat die feiten niet juist zijn of niet juist kunnen zijn,

(ii) geen feiten ontkennen waarvan zij weten dat die juist zijn en (iii)

geen feiten achterhouden waardoor de rechter (en de wederpartij) op het verkeerde been wordt gezet. Onder dit laatste valt ook het geval dat een partij slechts een deel van het verhaal vertelt en enkel de daarbij behorende stukken overlegt. De verplichting tot volledigheid is immers een belangrijk aspect van de waarheidsplicht.

De rechtbank is van oordeel dat [b.v. 1] c.s. artikel 21 Rv niet zijn nagekomen. [b.v. 1] c.s. hebben in hun dagvaarding relevante feiten weggelaten waarvan zij wel op de hoogte waren of worden geacht. Als voorbeelden noemt de rechtbank:

de betrokkenheid van [b.v. 1] bij de overname van aandelen in IAA door [b.v. 4] , de vennootschap van (onder meer) de zoon van [b.v. 1] ;

de (voorwaarden van de) geldleningsovereenkomst tussen [b.v. 4] en IAA voor een bedrag van € 100.000,-;

dat [b.v. 1] een periode ingeschreven is geweest als (indirect) bestuurder van IAA;

dat in die periode op verzoek van [b.v. 1] door IAA een betaling is verricht van € 100.000,- aan [b.v. 4] ;

de toezegging van [b.v. 1] om de verplichting van [b.v. 4] over te nemen.

Zoals de rechtbank hierna toelicht, gaat het hier om feiten die relevant zijn voor de inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van [b.v. 1] c.s. Door deze in de dagvaarding weg te laten, hebben [b.v. 1] c.s. de taak van de rechter om een juiste beslissing te geven bemoeilijkt. Ook hebben zij het IAA c.s. moeilijker gemaakt om verweer te voeren. Omdat [b.v. 1] c.s. in de dagvaarding maar een deel van het verhaal vertellen, hebben IAA c.s. zich namelijk genoodzaakt gezien om weggelaten feiten zelf aan te voeren. De handelwijze van [b.v. 1] c.s. is daarmee in strijd met artikel 21 Rv.

De rechtbank is echter niet van oordeel dat dit moet leiden tot afwijzing van de vorderingen van [b.v. 1] c.s., zoals IAA c.s. bepleiten. De rechtbank acht het geraden om in de beoordeling van de gevorderde buitengerechtelijke kosten en proceskosten rekening te houden met de schending van artikel 21 Rv (zie overwegingen 5.58 en 5.59).

Vordering 1) - geldlening € 30.000,- aan [persoon 2] en [persoon 3]

Als het gaat om de geldlening van € 30.000,- aan [persoon 2] en [persoon 3] vordert [b.v. 1] na zijn eiswijziging alleen rente en boetes over deze geldlening over de periode 1 maart 2025 tot 19 juni 2025. De rechtbank zal deze vordering afwijzen en legt uit waarom.

Tussen partijen staat niet ter discussie dat [b.v. 1] aan [persoon 2] en [persoon 3] een geldlening heeft verstrekt van € 30.000,-. [b.v. 1] heeft deze geldlening op 10 februari 2025 opgeëist. Volgens [b.v. 1] was de geldlening op dat moment opeisbaar, omdat [persoon 2] en [persoon 3] hun renteverplichting niet waren nagekomen. [persoon 2] en [persoon 3] zijn het hier niet mee eens en voeren aan dat met [b.v. 1] was afgesproken dat er tussentijds geen rente hoefde te worden betaald over de geldlening. Daarom was de geldlening volgens [persoon 2] en [persoon 3] op 10 februari 2025 nog niet opeisbaar. Hierover hebben de advocaten van partijen met elkaar gecorrespondeerd. Dit heeft geleid tot het schikkingsvoorstel van de advocaat van [b.v. 1] van 11 april 2025, inhoudende dat [b.v. 1] zou afzien van vanaf maart 2025 verschuldigd geworden rente en boetes als [persoon 2] en [persoon 3] vóór 1 mei 2025 een bedrag van bedrag van € 35.344,- zouden betalen (zie 3.28.).

Vervolgens hebben [persoon 2] en [persoon 3] op 30 april 2025 via de derdengeldenrekening van hun advocaat het bedrag van € 35.344,- overgemaakt naar de derdengeldenrekening van de advocaat van [b.v. 1] . Hierna hebben de advocaten van [b.v. 1] de advocaat van [persoon 2] en [persoon 3] per e-mail gevraagd of het bedrag kon worden doorbetaald aan [b.v. 1] . Op 19 juni 2025 is het bedrag doorbetaald aan [b.v. 1] .

Zoals ook tijdens de mondelinge behandeling duidelijk naar voren kwam, spitst de discussie tussen partijen zich op dit punt toe op de vraag of de betaling van 30 april 2025 geldt als een (bevrijdende) betaling aan [b.v. 1] . [persoon 2] en [persoon 3] stellen dat dit het geval is. [b.v. 1] betwist dit. Volgens hem geldt het pas als een betaling aan hem als het zijn vermogen heeft bereikt. Hij voert aan dat het geld niet aan hem kon worden overgemaakt vanaf de derdengeldenrekening voordat de advocaat van [persoon 2] en [persoon 3] de instructie daartoe gaf.

De rechtbank is van oordeel dat de betaling van 30 april 2025 op de derdengeldenrekening van de advocaat van [b.v. 1] geldt als een (bevrijdende) betaling aan [b.v. 1] . De rechtbank licht dit toe.

Tussen partijen is geen onderwerp van debat dat [persoon 2] en [persoon 3] het bedrag van € 35.344,- mochten betalen op de derdengeldenrekening van de advocaat van [b.v. 1] . Een stichting derdengelden van een advocatenkantoor heeft ook nadrukkelijk als doelstelling om gelden te ontvangen ten behoeve van een rechthebbende, in dit geval [b.v. 1] . Daarbij was het naar het oordeel van de rechtbank voor de advocaten van [b.v. 1] (meer dan) voldoende kenbaar dat de betaling op de derdengeldenrekening betrekking had op het schikkingsvoorstel van de advocaat van [b.v. 1] van 11 april 2025. Het gaat namelijk om exact hetzelfde bedrag, de betalingsomschrijving vermeldt ‘dossier [b.v. 1] /I am authentic’ (zie productie 30 van IAA c.s.) én de advocaat van [persoon 2] en [persoon 3] bevestigde op 30 april 2025 per e-mail aan de advocaat van [b.v. 1] “dat het door u in uw brief van 11 april 2025 genoemde bedrag ad 35.344,00 euro inmiddels is overgemaakt naar uw derdenrekening, ter voorkoming dat dit bedrag verder zal oplopen”. De advocaten van [b.v. 1] (en daarmee de stichting derdengelden) wisten dus precies waar de betaling op zag en aan welke zaak die gerelateerd kon worden.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de stichting derdengelden bevoegd was om de betaling ten behoeve van [b.v. 1] te ontvangen. Dat betekent dat [persoon 2] en [persoon 3] op 30 april 2025 aan een bevoegde ontvanger betaald hebben. Daarmee geldt deze betaling als een bevrijdende betaling. Dat de advocaten van [b.v. 1] naderhand in afwachting van een nadere instructie gewacht hebben met het doorbetalen van dit bedrag aan [b.v. 1] , doet hier niet aan af en kan [persoon 2] en [persoon 3] niet worden aangerekend.

De rechtbank stelt dan ook vast dat [persoon 2] en [persoon 3] voldaan hebben aan het voorstel van de advocaat van [b.v. 1] van 11 april 2025. Immers hebben zij het bedrag van € 35.344,- vóór 1 mei 2025 (bevrijdend) betaald. Aangezien [b.v. 1] volgens zijn eigen voorstel in dat geval zou afzien van het vorderen van (eventueel) vanaf maart 2025 additioneel verschuldigde rente en boetes over de geldlening (zie 3.28.), mochten [persoon 2] en [persoon 3] daar (minst genomen) gerechtvaardigd op vertrouwen.

Met andere woorden: [b.v. 1] kan over de periode vanaf 1 maart 2025 geen aanspraak meer maken op eventueel verschuldigde rente en boetes over de geldlening van € 30.000,-. Hierop strandt de vordering van [b.v. 1] onder 1).

Vordering 2) – € 186.000,- plus rente en boetes

Onder 2) vorderen [b.v. 1] c.s. kortweg betaling van € 206.093,18, bestaande uit een hoofdsom van € 186.000,-, en rentebedrag van € 1.493,18 en een boete van € 18.600,- (vermeerderd met aanvullende rente en een boete). De gevorderde hoofdsom bestaat volgens [b.v. 1] c.s. uit een aanvankelijke geldlening van € 43.000,- aan IAA en de vanaf januari 2024 door [b.v. 1] en [b.v. 1] aan IAA betaalde bedragen die optellen tot € 143.000,-. Volgens [b.v. 1] c.s. betreffen deze betalingen allen geldleningen uit hoofde van de geldleningsovereenkomst van 1 september 2023 die IAA moet terugbetalen en waarvoor [persoon 2] hoofdelijk aansprakelijk is.

IAA c.s. betwisten niet dat op grond van deze geldleningsovereenkomst aan haar een geldlening is verstrekt van € 43.000,-. Wel betwisten zij dat deze vordering opeisbaar was en dat de overige betalingen ook onder deze geldleningsovereenkomst zouden vallen. Volgens IAA hebben [b.v. 1] c.s. die betalingen verricht ter naleving van de verplichting van [b.v. 4] om € 100.000,- aan IAA te lenen.

Reikwijdte geldleningsovereenkomst 1 september 2023

[b.v. 1] c.s. stellen dat alle hiervoor genoemde bedragen zijn betaald onder de voorwaarden als bedoeld in de geldleningsovereenkomst van 1 september 2023. De rechtbank gaat hier niet in mee en is van oordeel dat alleen de geldlening van € 43.000,- onder de reikwijdte van die geldleningsovereenkomst valt. Dit bedrag is immers nadrukkelijk genoemd in artikel 1 van deze overeenkomst. Dat ook de aanvullende betalingen van [b.v. 1] c.s. onder (de voorwaarden van) deze geldleningsovereenkomst zouden vallen, volgt niet uit de overeenkomst en hebben [b.v. 1] c.s. verder niet onderbouwd met concrete feitelijke stellingen of aanknopingspunten. Gezien de gemotiveerde betwisting van IAA c.s. lag dit wel op hun weg. [b.v. 1] c.s. beroepen zich immers op de rechtsgevolgen van die stelling (art. 150 Rv). Zoals de rechtbank hierna verder uitlegt (zie overwegingen 5.36.-5.50.), past de stelling van [b.v. 1] c.s. ook niet bij (de uitleg van) de afspraak tussen partijen over het bedrag van € 100.000,- dat door IAA is betaald aan [b.v. 4] . Verder kan de rechtbank het standpunt van [b.v. 1] c.s. niet rijmen met het feit dat [b.v. 1] eind 2024 voor een bedrag van € 143.000,- (nieuwe) schriftelijke geldleningsovereenkomsten ter ondertekening aan [persoon 2] heeft voorgelegd. Als de betalingen vanaf januari 2024 (ook) onder de eerdere geldleningsovereenkomst zouden vallen, zoals [b.v. 1] c.s. stellen, dan was dat namelijk niet nodig geweest. Aan die stelling van [b.v. 1] c.s. gaat de rechtbank dan ook voorbij.

In haar verdere beoordeling van de vordering onder 2) maakt de rechtbank daarom eerst een onderscheid tussen enerzijds de geldlening van € 43.000,- en anderzijds de betalingen van [b.v. 1] c.s. vanaf januari 2024.

Geldlening van € 43.000,-

Tussen partijen is niet in geschil dat [b.v. 1] in de periode mei tot en met juli 2023 bij elkaar € 43.000,- aan IAA heeft geleend en dat deze geldlening is vastgelegd in de geldleningsovereenkomst van 1 september 2023. Ook zijn partijen het erover eens dat uit deze geldleningsovereenkomst volgt dat:

de geldlening een looptijd had tot maximaal 1 september 2025;

aflossing zou plaatsvinden bij nader overleg, maar in ieder geval binnen twee jaar;

IAA over de geldlening een jaarlijkse rente van 4% verschuldigd was die per maand moest worden betaald;

[persoon 2] persoonlijk hoofdelijk aansprakelijk is voor de verplichtingen van IAA onder de geldleningsovereenkomst.

Partijen zijn het er niet over eens of deze geldlening op het moment van dagvaarding (en de daaraan voorafgaande sommatie en beslaglegging) al opeisbaar was. [b.v. 1] c.s. stellen hierover dat de maandelijkse verplichting tot het betalen van de overeengekomen rente over de geldlening niet volledig is nagekomen. Daarom zou de geldlening terstond opeisbaar zijn geworden. IAA c.s. betwisten dit en voeren aan dat IAA over het bedrag van € 43.000,- per maand (minimaal) de overeengekomen rente heeft betaald. Volgens IAA c.s. is van een tekortkoming geen sprake en zou de geldlening pas op 1 september 2025 opeisbaar worden, bij het verstrijken van de overeengekomen looptijd.

De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Opeisbaarheid van de geldlening

[b.v. 1] c.s. hebben een renteberekening overgelegd (productie 16 bij dagvaarding). Daaruit volgt dat [b.v. 1] c.s. tot en met januari 2024 rekenen met een rente van € 143,- per maand, wat neerkomt op de jaarlijkse rente van 4% over het bedrag van € 43.000,-. Vanaf februari 2024 rekenen [b.v. 1] c.s. ook 4% rente over de vanaf januari 2024 aan IAA betaalde (aanvullende) bedragen. Dit baseren [b.v. 1] c.s. op hun stelling dat ook deze betalingen onder de voorwaarden van de geldleningsovereenkomst van 1 september 2023 zouden vallen. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, gaat die stelling echter niet op. Dat IAA geen rente heeft betaald over de vanaf januari 2024 ontvangen bedragen, maakt dus niet dat zij haar verplichtingen onder de geldleningsovereenkomst van 1 september 2023 niet (volledig) is nagekomen. Het gaat erom of IAA over het bedrag € 43.000,- per maand (minimaal) de overeengekomen rente heeft betaald. Dat dit het geval is, staat vast. Niet alleen volgt dit uit de renteberekening van [b.v. 1] c.s., ook heeft [b.v. 1] tijdens de mondelinge behandeling nadrukkelijk erkend dat IAA de rente over de geldlening van € 43.000,- altijd heeft betaald.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat IAA niet tekort is geschoten in de nakoming van haar renteverplichting onder de geldleningsovereenkomst van 1 september 2023. Anders dan [b.v. 1] c.s. stellen is de geldlening van € 43.000,- dan ook niet vóór 1 september 2025 terstond opeisbaar geworden. Dit betekent dat de geldlening nog niet opeisbaar was toen [b.v. 1] c.s. op 10 februari 2025 terugbetaling sommeerden en (onder meer) op grond van deze geldlening conservatoir beslag lieten leggen. Ook was de geldlening nog niet opeisbaar toen [b.v. 1] c.s. op 21 februari 2025 de dagvaarding uitbrachten.

Hoewel [b.v. 1] c.s. IAA c.s. dus hebben gedagvaard voor een niet-opeisbare vordering, staat wel vast dat de geldlening van € 43.000,- op 1 september 2025 (alsnog) opeisbaar is geworden. IAA en [persoon 2] (als hoofdelijk aansprakelijke) zijn dus inmiddels wel verplicht tot terugbetaling van het bedrag van deze geldlening.

Beslag en pandrecht op camper: schuldeisersverzuim?

Vast staat dat IAA en/of [persoon 2] de geldlening nog niet hebben afgelost. Volgens IAA c.s. kan de geldlening afgelost worden door de verkoop van de camper waarop [b.v. 1] c.s. een pandrecht hebben. Omdat [b.v. 1] c.s. beslag hebben laten leggen op de camper, kan deze volgens IAA c.s. niet verkocht worden. Voor zover IAA c.s. daarmee bedoelen dat [b.v. 1] c.s. de aflossing van de geldlening zelf verhinderen of beletten (schuldeisersverzuim), gaat de rechtbank daar niet in mee. Tijdens de mondelinge behandeling kwam namelijk vast te staan dat er geen beslag kon worden gelegd op de camper, omdat deze nog in eigendom is van een leasemaatschappij. Het stond [persoon 2] dan ook vrij om – na afkoop van de lease – de camper te verkopen en de opbrengst te gebruiken om de geldlening af te lossen.

IAA en [persoon 2] verplicht tot terugbetaling geldlening

Het voorgaande brengt mee dat IAA en [persoon 2] hoofdelijk gehouden zijn de geldlening van € 43.000,- terug te betalen. Hoewel [b.v. 1] c.s. in hun dagvaarding en hun vorderingen niet goed duidelijk maken wie van hen ( [b.v. 1] of [b.v. 1] ) de uitlener is en terugbetaling kan vorderen van de geldlening, gaat de rechtbank ervan uit dat [b.v. 1] de uitlener is van dit bedrag. Immers heeft [b.v. 1] het bedrag van € 43.000,- aan IAA betaald. De rechtbank zal IAA en [persoon 2] dan ook hoofdelijk veroordelen dit bedrag aan [b.v. 1] terug te betalen.

Rente

Als onderdeel van de vordering onder 2) vorderen [b.v. 1] c.s. ook betaling van de contractuele rente van 4% vanaf maart 2025. Aangezien de geldlening van € 43.000,- vanaf 1 september 2025 opeisbaar is, zal de rechtbank deze rentevordering toewijzen met ingang van die datum.

Boete en matiging

Verder vorderen Fishert c.s. betaling van een boete van 10% over de hoofdsom van de geldlening vanaf maart 2025 voor iedere maand dat IAA en [persoon 2] in gebreke blijven met de terugbetaling van de geldlening. Volgens [b.v. 1] c.s. is deze boete verschuldigd omdat IAA haar renteverplichting niet volledig zou zijn nagekomen en vervolgens niet voldaan heeft aan de sommatie tot terugbetaling van de geldlening. IAA c.s. betwisten dit en doen daarnaast een beroep op matiging van de boetes.

De rechtbank oordeelt als volgt. Aangezien de geldlening pas op 1 september 2025 opeisbaar is geworden, kan [b.v. 1] over de periode daarvoor geen boetes vorderen. Omdat IAA en/of [persoon 2] de geldlening niet op de verschijndag van 1 september 2025 hebben betaald, is [b.v. 1] volgens de geldleningsovereenkomst in beginsel gerechtigd om een boete in rekening te brengen van ten hoogste 10% per maand over het niet-tijdig betaalde bedrag. Daarbij gaat de rechtbank voorbij aan het standpunt van IAA c.s. dat de boete alleen berekend zou kunnen worden over niet-tijdig betaalde rente en niet over de niet-tijdig betaalde hoofdsom. Die beperking volgt namelijk niet uit het boetebeding. In de gegeven omstandigheden ziet de rechtbank echter wel aanleiding om de contractuele boete te matigen. De rechtbank licht dit toe.

Matiging van een contractuele boete is toegestaan indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist (artikel 6:94 BW). Volgens vaste rechtspraak brengt die maatstaf mee dat matiging alleen aan de orde is als toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij zal niet alleen moeten worden gelet op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen. De omstandigheden van het geval zijn uiteindelijk beslissend, waarbij ook de omstandigheden waaronder de tekortkoming tot stand kwam van belang zijn.

In dit geval hebben [b.v. 1] c.s. de geldlening op 10 februari 2025 opgeëist en IAA c.s. op 21 februari 2025 gedagvaard, terwijl de geldlening pas op 1 september 2025 opeisbaar was. Op het moment van dagvaarding hebben [b.v. 1] c.s. het boetebeding dus ten onrechte ingeroepen. Daarbij zijn [b.v. 1] c.s. ook nog eens uitgegaan van een veel hoger bedrag aan geldleningen dan waar de geldleningsovereenkomst van 1 september 2023 voor is gesloten. Het is begrijpelijk dat IAA c.s. zich hiertegen in rechte hebben verweerd. Pas nadat de geldlening van € 43.000,- hangende deze procedure alsnog opeisbaar werd, is de tekortkoming van IAA en [persoon 2] ontstaan. Onder deze bijzondere omstandigheden vindt de rechtbank het onredelijk dat [b.v. 1] c.s. de volledige boete van 10% van de hoofdsom per maand vordert. Daarin betrekt de rechtbank ook dat volgens de overeenkomst ten hoogste een boete van 10% in rekening kan worden gebracht. De overeenkomst laat dus ook toe dat een lagere boete in rekening wordt gebracht. Waarom een boete van 10% onder de gegeven omstandigheden passend is, hebben [b.v. 1] c.s. niet toegelicht. Verder is het onduidelijk welke schade [b.v. 1] daadwerkelijk leidt als gevolg van het niet-tijdig aflossen van de geldlening. Gelet op al deze omstandigheden zou een boete van 10% per maand naar het oordeel van de rechtbank tot een buitensporig en onaanvaardbaar resultaat leiden.

Om deze redenen matigt de rechtbank de contractuele boete tot een boete van 2,5% per maand over de resterende hoofdsom van de geldlening. Gezien de wijze waarop deze procedure is aangevangen en hoe de tekortkoming tijdens deze procedure is ontstaan, acht de rechtbank het daarnaast billijk dat IAA en [persoon 2] eerst nog de kans krijgen om dit vonnis na te leven voordat zij contractuele boetes verschuldigd worden. Daarom zal de rechtbank beslissen dat de contractuele boetes pas verschuldigd kunnen worden met ingang van 1 december 2025.

Onbevoegde verpanding camper: onrechtmatige daad?

In haar spreekaantekeningen heeft de advocaat van [b.v. 1] c.s. verder nog bepleit dat [persoon 2] onrechtmatig heeft gehandeld omdat hij niet bevoegd was tot verpanding van de camper. Daarom baseren [b.v. 1] c.s. de vordering tot terugbetaling van de geldlening mede op onrechtmatige daad. Volgens [b.v. 1] c.s. geldt dit in ieder geval tot de waarde van de camper van € 77.500,-. IAA c.s. betwisten dat sprake is geweest van een onrechtmatige daad. Wie gelijk heeft op dit punt, kan naar het oordeel van de rechtbank in het midden blijven. Uit het voorgaande volgt namelijk dat [b.v. 1] op grond van de geldleningsovereenkomst al recht heeft op terugbetaling van de geldlening (met rente) waarvoor de camper als onderpand had moeten dienen.

Voor zover [b.v. 1] bedoelt dat zij op grond van onrechtmatige daad recht zou hebben op een hogere schadevergoeding dan € 43.000,- (vermeerderd met rente) gaat dat niet op. Immers zou de camper alleen als onderpand dienen voor de geldlening als bedoeld in de geldleningsovereenkomst van 1 september 2023. Aangezien die geldlening niet meer dan € 43.000,- bedraagt (vermeerderd met rente), zou [b.v. 1] ook niet meer schade dan dat bedrag lijden door het ontbreken van een geldig pandrecht op de camper.

Conclusie geldlening € 43.000

Het voorgaande betekent dat de rechtbank IAA en [persoon 2] hoofdelijk zal veroordelen tot betaling van € 43.000,- aan [b.v. 1] :

met ingang van 1 september 2025 te vermeerderen met een rente van 4% per jaar per maand (voor de toekomst) achteraf te voldoen; en

met ingang van 1 december 2025 te vermeerderen met een boete van 2,5% over de nog resterende hoofdsom van de geldlening voor iedere maand dat IAA en [persoon 2] in gebreke blijven hieraan te voldoen.

Betalingen vanaf januari 2024 tot € 100.000,-

De vorderingen van [b.v. 1] c.s. zien verder op de betalingen van [b.v. 1] en [b.v. 1] aan IAA vanaf januari 2024. Op grond van de stukken en wat partijen tijdens de mondelinge behandeling naar voren brachten, stelt de rechtbank vast dat deze betalingen deels verband houden met de betaling door IAA aan [b.v. 4] van € 100.000,- en de afspraak tussen partijen dat [b.v. 1] de verplichting van € 100.000,- zou overnemen. Deze afspraak volgt uit het WhatsApp-bericht van [b.v. 1] aan [persoon 3] van 4 augustus 2023 en uit de e-mail van [b.v. 1] van 24 januari 2024 (zie 3.16 en 3.19). Over de exacte uitleg van deze afspraak en de juridische gevolgen daarvan zijn partijen het echter niet eens.

Standpunt [b.v. 1] c.s.

[b.v. 1] c.s. leggen – als gezegd – alle betalingen vanaf januari 2024 uit als geldleningen onder (de voorwaarden van) de geldleningsovereenkomst van 1 september 2023. Tijdens de mondelinge behandeling voegde [b.v. 1] hieraan toe dat de geldlening van [b.v. 4] aan IAA van € 100.000,- rechtstreeks voortkomt uit het feit dat [b.v. 4] de vorderingen van de voormalig aandeelhouders op de vennootschap heeft overgenomen voor een bedrag van € 100.000,-. Het gaat volgens [b.v. 1] c.s. dus niet om een (extra) geldlening die [b.v. 4] aan IAA zou verstrekken. Volgens [b.v. 1] is afgesproken dat IAA na ontvangst van de crowdfundlening een bedrag van € 100.000,- aan [b.v. 4] zou (terug)betalen. Daarom heeft hij [persoon 3] op 4 augustus 2023 verzocht om dit bedrag van de rekening van IAA over te maken aan [b.v. 4] , waarmee – aldus [b.v. 1] – de geldlening van [b.v. 4] aan IAA is afgelost. Daarbij heeft [b.v. 1] wel toegezegd dat hij tot eenzelfde bedrag van € 100.000,- gelden (als geldlening) aan de vennootschap ter beschikking zou stellen, niet ineens, maar waar nodig.

Standpunt IAA c.s.

IAA c.s. betwisten – als gezegd – dat de vanaf januari 2024 betaalde bedragen vallen onder (de voorwaarden van) de geldleningsovereenkomst van 1 september 2023. IAA c.s. voeren aan dat deze betalingen zijn verricht ter effectuering van de tussen [b.v. 4] en IAA gesloten geldleningsovereenkomst op grond waarvan [b.v. 4] aan IAA een lening zou verstrekken van €100.000,-. Volgens IAA c.s. heeft [b.v. 4] zich daarmee verplicht om € 100.000,- extra aan de vennootschap uit te lenen. Dit bedrag was volgens IAA c.s. bedoeld als werkkapitaal en voor de aankoop van een inpakmachine en een bestelbus. Deze extra lening stond los van de aandelenoverdracht en IAA c.s. betwisten dat dit bedrag uit de crowdfundlening zou worden (terug)betaald aan [b.v. 4] . Toen [b.v. 1] (indirect) bestuurder was van IAA heeft hij dit bedrag zonder grondslag laten betalen aan [b.v. 4] , aldus IAA c.s. In hun ogen hebben [b.v. 1] c.s. de betalingen vanaf januari 2024 ten behoeve van [b.v. 4] verricht ter nakoming van de geldleningsovereenkomst tussen IAA en [b.v. 4] , althans mocht IAA daarvan uitgaan. IAA c.s. betwisten dat er sprake is van geldleningen van [b.v. 1] c.s. aan IAA. Er is geen geldleningsovereenkomst getekend voor deze betalingen. [b.v. 1] c.s. hebben daarom geen vordering op de vennootschap uit hoofde van deze betalingen en [persoon 2] heeft zich daar ook niet hoofdelijk voor verbonden.

Uitleg afspraak € 100.000,-: Haviltex

Omdat partijen het niet eens zijn over de uitleg van de tussen hen gemaakte afspraak over het bedrag van € 100.000,- zal de rechtbank deze afspraak zelfstandig uitleggen. Dit doet de rechtbank aan de hand van de betekenis die partijen redelijkerwijze daaraan mochten toekennen en wat zij redelijkerwijze van elkaar mochten verwachten (de Haviltex-maatstaf). Kortweg betekent dit dat de rechtbank moet onderzoeken wat de bedoeling van deze afspraak is geweest. Daarbij kijkt de rechtbank naar alle relevante omstandigheden, waaronder de hiervoor genoemde berichten van [b.v. 1] en de (feitelijke) context waarin deze zijn verstuurd. De rechtbank kan ook tot een uitleg komen die geen van partijen heeft verdedigd.

Aard geldlening [b.v. 4] aan IAA

Omdat de afspraak tussen partijen ziet op een verplichting van [b.v. 4] uit hoofde van de geldleningsovereenkomst met IAA en partijen daar een andere uitleg aan geven, gaat de rechtbank daar eerst op in. De rechtbank gaat ervan uit dat de in de geldleningsovereenkomst tussen [b.v. 4] en IAA genoemde geldlening van € 100.000,- ziet op de vordering die [b.v. 4] uit hoofde van de cessies op IAA heeft verkregen. De rechtbank licht dit toe.

Op 14 april 2023 verkochten [naam 1] en [b.v. 3] hun aandelen in IAA aan [b.v. 4] verkochten voor € 1,-. Daarbij cedeerden zij ook hun vorderingen uit hoofde van geldlening op IAA aan [b.v. 4] voor een bedrag van (bij elkaar) € 100.000,-. Dit is vastgelegd in akten van cessie. [b.v. 4] verkreeg via deze cessies dus een vordering uit hoofde van geldlening op IAA van € 100.000,-. Kort daarna sloten [b.v. 4] en IAA op 26 april 2023 voor hetzelfde bedrag van € 100.000,- een geldleningsovereenkomst. Deze geldleningsovereenkomst sluit daarmee zowel in tijd als in bedrag aan op de akten van cessie. Verder staat vast dat [b.v. 4] het bedrag van € 100.000,- niet feitelijk heeft overgemaakt aan IAA. IAA heeft [b.v. 4] daar ook niet om verzocht. Uit deze gang van zaken maakt de rechtbank op dat de geldleningsovereenkomst tussen [b.v. 4] en IAA ziet op de vastlegging van (afspraken over) de (geldlenings)vorderingen die [b.v. 4] van [naam 1] van [b.v. 3] heeft overgenomen.

De rechtbank gaat dan ook voorbij aan het standpunt van IAA c.s. dat het hier om een extra geldlening van [b.v. 4] zou gaan. Immers mocht in dat geval verwacht worden dat IAA [b.v. 4] zou hebben gemaand tot feitelijke betaling van € 100.000,-. Zeker gezien de gestelde kapitaalsbehoefte van IAA. IAA heeft – als gezegd – echter nooit om betaling hiervan gevraagd. Daarbij voeren IAA c.s. zelf aan dat het bedrag van € 100.000,- geld betreft dat [b.v. 4] in de vennootschap heeft geïnvesteerd door de aandelen over te nemen (conclusie van antwoord, randnummer 54). Ook dat strookt niet met het standpunt dat het ging om een extra geldlening die losstond van de aandelenoverdracht (en de daaraan verbonden cessies).

Betaling € 100.000,- aan [b.v. 4]

Vast staat verder dat IAA op instructie van [b.v. 1] – toen ingeschreven als (indirect) bestuurder van IAA – op 4 augustus 2023 een bedrag van € 100.000,- aan [b.v. 4] heeft betaald. Volgens [b.v. 1] c.s. was deze betaling conform de afspraak dat de lening van [b.v. 4] uit de crowdfundgelden zou worden terugbetaald. IAA c.s. betwisten deze afspraak. Volgens hen was de betaling aan [b.v. 4] onverschuldigd. De juridische duiding en gevolgen van deze betaling acht de rechtbank van belang voor de uitleg van de rechtsverhouding tussen partijen.

De rechtbank is van oordeel dat IAA met de betaling aan [b.v. 4] de geldlening van € 100.000,- als bedoeld in de geldleningsovereenkomst tussen [b.v. 4] en IAA heeft afgelost. Immers heeft [b.v. 1] – als ingeschreven bestuurder IAA – verzocht dit bedrag aan [b.v. 4] over te maken “met omschrijving aflossing Lening”. In zijn e-mail van 24 januari 2024 bevestigde [b.v. 1] ook dat de lening van [b.v. 4] “(…) is teruggestort met crowdfundgeld”. Los van de vraag of IAA op 4 augustus 2023 verplicht was tot aflossing van de lening van [b.v. 4] , heeft IAA dus een betaling verricht ter aflossing daarvan en was aflossing volgens de overeenkomst ook toegestaan (zie 3.11). De betaling was dus op zich niet onverschuldigd. Het rechtsgevolg hiervan is dat de vordering van [b.v. 4] uit hoofde van de geldleningsovereenkomst met IAA als gevolg van de verrichte betaling teniet is gegaan.

De rechtbank gaat er echter niet in mee dat IAA op grond van een afspraak ook verplicht was de lening van [b.v. 4] direct uit de crowdfundgelden terug te betalen, zoals [b.v. 1] c.s. stellen. Een deugdelijke onderbouwing van die stelling ontbreekt. Daarbij staat deze stelling haaks op de inhoud van de geldleningsovereenkomst en de crowdfundaanvraag, waarin duidelijk staat dat de lening was verstrekt voor een periode van vijf jaar en IAA deze uiterlijk op 27 april 2028 moest aflossen én de lening wordt achtergesteld ten behoeve van de crowdfundinvesteerders. Ook dat rijmt niet met de door [b.v. 1] c.s. gestelde afspraak. Tot slot gaf [b.v. 1] in zijn e-mail van 24 januari 2024 over de betaling aan [b.v. 4] aan dat hij het geld van zijn zoon en zijn compagnon niet in gevaar wilde brengen. Hij repte daarbij niet over enige afspraak dat de lening van [b.v. 4] direct uit de crowdfundgelden zou worden afgelost.

De rechtbank gaat er dan ook van uit dat er geen andere afspraken zijn gemaakt over de terugbetaling van de geldlening van [b.v. 4] dan die zijn opgenomen in de geldleningsovereenkomst tussen [b.v. 4] en IAA. Op grond van die geldleningsovereenkomst had [b.v. 4] de geldlening in ieder geval niet eerder dan 27 april 2028 kunnen opeisen en zou de rente tegelijk met aflossing van de lening worden overgemaakt. Verder bevat de geldleningsovereenkomst tussen [b.v. 4] en IAA geen boetebeding.

E-mail [b.v. 1] 24 januari 2024

Het voorgaande is van belang voor de uitleg van de afspraak tussen partijen dat [b.v. 1] , al dan niet via [b.v. 1] , de verplichting van € 100.000,- zou overnemen. Hierover schreef [b.v. 1] in zijn e-mail van 24 januari 2024 namelijk expliciet: “Maakt voor de positie van autenthic niets uit blijft precies hetzelfde”. Naar het oordeel van de rechtbank heeft IAA dit niet anders kunnen opvatten dan dat zij als gevolg van de afspraak met [b.v. 1] ten opzichte van [b.v. 1] en/of [b.v. 1] dezelfde rechten en plichten zou houden die zij ook had op grond van de geldleningsovereenkomst met [b.v. 4] . Onderdeel daarvan was – als gezegd – dat er sprake was van een geldlening van € 100.000,- die niet eerder dan 27 april 2028 kon worden opgeëist en de jaarlijkse rente van 4% tegelijk bij het aflossen van de lening zou worden overgemaakt.

Daarbij gaat de rechtbank voorbij aan de (blote) stelling van [b.v. 1] c.s. dat er (andere) voorwaarden zouden zijn afgesproken over de ter beschikking gestelde bedragen (conclusie van antwoord in reconventie, randnummer 17 en verder). Iedere onderbouwing voor die stelling, die IAA c.s. gemotiveerd betwisten, ontbreekt namelijk, zodat aan bewijslevering op dit punt ook niet wordt toegekomen.

Conclusie betalingen tot € 100.000,-

In het licht van de hiervoor geschetste context legt de rechtbank de afspraak tussen partijen dan ook zo uit dat partijen er redelijkerwijze van uit mochten gaan:

dat [b.v. 1] , althans [b.v. 1] , in plaats van [b.v. 4] een eigen verplichting op zich nam om aan IAA een geldlening te verstrekken van € 100.000,-;

dat [b.v. 1] , althans [b.v. 1] , daarbij gebonden zijn aan dezelfde voorwaarden als bedoeld in geldleningsovereenkomst tussen [b.v. 4] en IAA van 26 april 2023;

dat de betalingen van [b.v. 1] vanaf januari 2024 tot een bedrag van € 100.000,- strekken tot nakoming van deze verplichting;

dat [b.v. 1] daarmee een vordering uit hoofde van geldlening heeft verkregen op IAA van € 100.000,-; en

dat [b.v. 1] deze geldlening van € 100.000,- en de daarover verschuldigde rente niet eerder dan 27 april 2028 kan opeisen.

Gelet op deze uitleg heeft [b.v. 1] weliswaar een vordering uit hoofde van geldlening op IAA van € 100.000,-, maar is deze vordering en de daarover verschuldigde rente (nog) niet opeisbaar. Om die reden zal de rechtbank dit deel van de vorderingen van [b.v. 1] c.s. afwijzen. Dit geldt ook voor de gevorderde boetes over dit bedrag. Afgezien daarvan dat de geldlening (en rente) nog niet opeisbaar is en IAA op dit punt dus niet tekort is geschoten tegenover [b.v. 1] , gold tussen [b.v. 4] en IAA geen boetebeding en ontbreekt dus ook een juridische grondslag voor de gevorderde boetes die zien op het bedrag van € 100.000,-.

Overige betalingen [b.v. 1] c.s. van € 43.000,-

Boven op het bedrag van € 100.000,- hebben [b.v. 1] c.s. in de periode vanaf januari 2024 samen nog een bedrag van € 43.000,- aan IAA betaald:

[b.v. 1] heeft een bedrag van € 11.000,- aan IAA betaald, waarvan € 3.000,- als onderdeel van de betaling van 27 augustus 2024 en € 8.000,- op 30 september 2023;

[b.v. 1] heeft (in privé) een bedrag van € 32.000,- aan IAA betaald, waarvan € 15.000,- op 28 oktober 2024, € 7.000,- op 25 november 2024 en € 10.000,- op 2 december 2024.

Ook hiervan vorderen [b.v. 1] c.s. (terug)betaling, vermeerderd met rente en boetes.

Dit deel van de betalingen van [b.v. 1] c.s. kan de rechtbank echter niet terugleiden naar specifieke afspraken tussen partijen. De stelling van [b.v. 1] c.s. dat (al) deze betalingen vallen onder de geldleningsovereenkomst van 1 september 2023, heeft de rechtbank al verworpen. De stelling van IAA c.s. dat ook deze overige betalingen zouden zien op de van [b.v. 4] overgenomen verplichting, kan de rechtbank niet volgen. Die verplichting gold namelijk voor niet meer dan € 100.000,-. Vast staat wel dat [b.v. 1] c.s. deze overige betalingen met de omschrijving ‘Lening’ hebben overgemaakt naar IAA. IAA c.s. hebben ook onvoldoende gemotiveerd waarom deze betalingen niet als geldleningen zouden gelden. In het licht hiervan en het feit dat alle andere betalingen van [b.v. 1] c.s. aan IAA c.s. als geldleningen kwalificeren, gaat de rechtbank ervan uit dat ook deze overige betalingen aan IAA geldleningen betreffen.

De vraag is vervolgens of deze geldleningen opeisbaar zijn. Bij gebrek aan contractuele afspraken hierover geldt dat IAA (als lener) verplicht is het uitgeleende bedrag terug te geven binnen zes weken nadat de [b.v. 1] c.s. (als uitleners) hebben medegedeeld tot opeising over te gaan (artikel 7:129e BW). Bij e-mail van 10 februari 2025 hebben [b.v. 1] c.s. terugbetaling gevorderd van alle aan IAA c.s. betaalde bedragen. Daarmee hebben zij naar het oordeel van de rechtbank ook de geldleningen van [b.v. 1] van € 11.000,- en van [b.v. 1] van € 32.000,- opgeëist. IAA hadden deze bedragen dus binnen zes weken na 10 februari 2025 aan [b.v. 1] c.s. moeten terugbetalen. Die termijn is verstreken zonder dat deze bedragen zijn terugbetaald. Dit betekent dat de geldleningen van [b.v. 1] van € 11.000,- en van [b.v. 1] van € 32.000,- opeisbaar zijn.

De rechtbank begrijpt de vorderingen van [b.v. 1] c.s. verder zo dat zij contractuele rente en boetes over deze bedragen vorderen. Omdat de hoogte van de rente – bij gebrek aan contractuele afspraken – niet door partijen is bepaald, is IAA volgens de wet over deze geldleningen de rente verschuldigd ter hoogte van de wettelijke rente (artikel 7:129d BW). Deze rente loopt vanaf het moment van ontvangst van de betreffende geldleningen. Omdat er geen afspraken zijn gemaakt over de geldleningen, bestaat er voor de gevorderde boetes naar het oordeel van de rechtbank geen grondslag.

Concreet betekent dit dat de rechtbank IAA zal veroordelen tot betaling van € 11.000,- aan [b.v. 1] en tot betaling van € 32.000,- aan [b.v. 1] , te vermeerderen met de rente ter hoogte van de wettelijke rente zoals vermeld in de beslissing.

Geen hoofdelijkheid [persoon 2]

[b.v. 1] c.s. stellen dat [persoon 2] zich hoofdelijk verbonden tot terugbetaling van de geldleningen die door de betalingen vanaf januari 2024 zijn ontstaan. IAA c.s. betwisten dit gemotiveerd. [b.v. 1] c.s. berusten de gestelde hoofdelijkheid – kennelijk – op de stelling dat deze betalingen zijn verricht onder (de voorwaarden van) de geldleningsovereenkomst van 1 september 2023. Die stelling heeft de rechtbank echter verworpen. Dat en waarom er ten aanzien van de betalingen vanaf januari 2024 anderszins sprake zou zijn van hoofdelijke verbondenheid van [persoon 2] , hebben [b.v. 1] niet (voldoende) duidelijk gemaakt. Anders dan [b.v. 1] c.s. lijken te suggereren, bevat de conclusie van antwoord ook geen erkenning hiervan. Daarin wordt de hoofdelijke aansprakelijkheid van [persoon 2] juist uitdrukkelijk betwist als het gaat om de betalingen vanaf januari 2024 (conclusie van antwoord, randnummer 128). Voor zover het gaat om die betalingen is er dan ook geen grond voor een hoofdelijke veroordeling van [persoon 2] . Dit deel van de vorderingen van [b.v. 1] c.s. zal de rechtbank dus afwijzen.

Geen beroep op verrekening

De rechtbank gaat tot slot voorbij aan het verrekeningsverweer van IAA. Dit verweer berust op de stelling dat [b.v. 1] als bestuurder aansprakelijk is voor de schade die IAA zou lijden als gevolg van de betaling van € 100.000,- aan [b.v. 4] . Daargelaten dat de rechtbank de vorderingen van [b.v. 1] c.s. die verband houden met dit bedrag zal afwijzen, ontgaat het de rechtbank welke schade IAA zou hebben geleden. Immers heeft [b.v. 1] het bedrag van € 100.000,- als eigen verplichting en onder dezelfde voorwaarden aan IAA ter beschikking gesteld. IAA verkeert financieel dus niet in een slechtere positie (zie overweging 5.49).

Buitengerechtelijke kosten

[b.v. 1] c.s. vorderen verder nog de daadwerkelijke buitengerechtelijke incassokosten, waaronder beslagkosten, althans forfaitaire (wettelijke) incassokosten. Zoals hiervoor overwogen zal de rechtbank deze vordering afwijzen wegens de schending van artikel 21 Rv.

Proceskosten in conventie

De rechtbank zal de proceskosten (waaronder de beslagkosten) in conventie compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Uit het voorgaande volgt dat [b.v. 1] c.s. gedeeltelijk in het gelijk zijn gesteld. Hoewel dit niet zonder meer reden is om de proceskosten te compenseren, acht de rechtbank dit wel in dit geval wel geraden. Daarin betrekt de rechtbank dat [b.v. 1] c.s. deels bovenmatige vorderingen hebben ingesteld, de toegewezen vorderingen ten tijde van dagvaarding (deels) nog niet opeisbaar waren en [b.v. 1] c.s. in hun dagvaarding niet aan hun waarheids- en volledigheidsplicht hebben voldaan (art. 21 Rv).

Bezwaar tegen uitvoerbaarheid bij voorraad

Tijdens de mondelinge behandeling hebben IAA c.s. bezwaar gemaakt tegen de door [b.v. 1] c.s. gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad. Gelet op dit bezwaar van IAA c.s. moet de rechtbank de wederzijdse belangen van partijen afwegen als het gaat om de tenuitvoerlegging van dit vonnis. Het gaat daarbij enerzijds om het belang van [b.v. 1] c.s. om dit vonnis te kunnen ten uitvoer te leggen, ook als IAA c.s. in hoger beroep gaan. Anderzijds gaat het om het belang van IAA c.s. dat het vonnis niet ten uitvoer wordt gelegd zolang er in een eventueel hoger beroep nog niet over de zaak is beslist. IAA c.s. stellen in dat verband dat zij geen zekerheid hebben dat zij hun geld terugkrijgen als de veroordelingen in hoger beroep worden teruggedraaid, omdat [b.v. 1] meerdere vennootschappen heeft en gelden van de ene naar de andere vennootschap schuift. IAA c.s. hebben deze stellingen echter niet onderbouwd. Dat sprake is van een concreet restitutierisico hebben IAA c.s. naar het oordeel van de rechtbank dan ook onvoldoende duidelijk gemaakt. Laat staan dat sprake zou zijn van een restitutierisico dat zou opwegen tegen het belang van [b.v. 1] c.s. om ook tijdens een eventueel hoger beroep naleving van dit vonnis af te dwingen. De rechtbank gaat dus voorbij aan het bezwaar van IAA c.s. en zal de veroordelingen in conventie uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

Vorderingen in reconventie

Opheffing van beslagen

IAA c.s. vorderen in reconventie kortweg veroordeling van [b.v. 1] c.s. tot opheffing van de ten laste van IAA c.s. gelegde beslagen, op straffe van een dwangsom. Uit de beslagstukken maakt de rechtbank op dat:

ten laste van [persoon 2] en [persoon 3] beslag is gelegd op de eigendom van hun woning;

ten laste van [persoon 2] beslag is gelegd onder de Rabobank op de bankrekening(en) van [persoon 2] ;

ten laste van IAA beslag is gelegd:

o op de bedrijfsauto van het merk/type Land Rover Discovery 4;

o onder Bunq-bank op de bankrekening(en) van IAA.

Artikel 705 Rv bepaalt dat opheffing van conservatoire beslagen onder meer kan worden uitgesproken bij verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid wordt gesteld. Deze gronden zijn niet limitatief. De rechtbank kan ook in andere gronden aanleiding vinden om beslagen op te heffen, waaronder de schending van de waarheids- en volledigheidsplicht. Bij de beoordeling van de opheffingsvordering moet de rechtbank verder de wederzijdse belangen van partijen afwegen.

Schending waarheids- en volledigheidsplicht

De rechtbank stelt voorop dat haar overwegingen ten aanzien van de schending van de waarheids- en volledigheidsplicht onverkort gelden voor het verzoekschrift waarmee [b.v. 1] c.s. verlof hebben verkregen om ten laste van IAA c.s. beslag te leggen. Ook daarin ontbreken feitelijke stellingen die [b.v. 1] c.s. bekend waren en die relevant zijn voor de (summierlijke) beoordeling van hun vorderingen. Zo presenteerden [b.v. 1] c.s. ook in het verzoekschrift de betalingen vanaf januari 2024 als geldleningen onder dezelfde voorwaarden van de geldleningsovereenkomst van 1 september 2023, zonder melding te maken van (de context van) de afspraak die partijen over het bedrag van € 100.000,- hebben gemaakt. Waar de rechtbank dit geraden acht, zal zij deze gang van zaken betrekken in haar oordeel over de gelegde beslagen.

Beslag op woning door [b.v. 1]

[b.v. 1] heeft ten laste van [persoon 2] en [persoon 3] beslag laten leggen de eigendom van op hun woning, de onroerende zaak gelegen aan de [adres] [plaats 2] . Uit dit vonnis volgt echter dat [b.v. 1] persoonlijk geen vordering(en) (meer) heeft op [persoon 2] en [persoon 3] . Het door [b.v. 1] tegen [persoon 2] en [persoon 3] in geroepen recht is dan ook ondeugdelijk. [b.v. 1] heeft verder geen belang gesteld bij handhaving van zijn beslag op de woning van [persoon 2] en [persoon 3] . De rechtbank zal [b.v. 1] dan ook veroordelen tot opheffing van dit beslag, op straffe van de gevorderde dwangsom.

Beslag op woning door [b.v. 1]

Ook op verzoek van [b.v. 1] is ten laste van [persoon 2] en [persoon 3] beslag gelegd op de eigendom van hun woning. Ten aanzien van [persoon 3] is dit beslag ondeugdelijk. Immers heeft [b.v. 1] geen vordering op [persoon 3] en deze ook niet gehad. [b.v. 1] heeft dan ook geen belang bij handhaving van het ten laste van [persoon 3] gelegde beslag op de eigendom van de woning. Om die reden moet [b.v. 1] dit beslag opheffen.

Hoewel [b.v. 1] wel een vordering op [persoon 2] heeft van € 43.000,- (vermeerderd met rente en eventuele boetes) (zie overweging 5.35), is de rechtbank van oordeel dat ook het ten laste van [persoon 2] gelegde beslag op de eigendom van de woning niet in stand kan blijven. De rechtbank licht dit als volgt toe.

[persoon 2] en [persoon 3] stellen dat het beslag op de onroerende zaak geen doel treft. Zij voeren het volgende aan. Er rusten twee hypotheekrechten op de onroerende zaak, één van ING Bank en één voor de crowdfundlening waarvoor [persoon 2] en [persoon 3] zich hoofdelijk hebben verbonden. Uit de overgelegde (hypotheek)stukken (producties 41-44 van IAA c.s.) volgt dat er bij aflossing van de geldlening van ING Bank een bedrag van € 269.650,49 resteert en dat de uitstaande crowdfundlening op 31 december 2024 € 181.428,60 bedroeg. Bij elkaar gaat het om een bedrag van € 451.079,09, terwijl de marktwaarde van de woning maximaal € 450.000,- bedraagt. In december 2023 is de naastgelegen woning namelijk voor € 400.000,- verkocht. Na een executoriale verkoop van de woning blijft er dus niets of nauwelijks iets over voor de betaling van de vordering van [b.v. 1] . Daarbij kan [b.v. 1] zich maximaal op de helft van de overwaarde van de woning verhalen, omdat [b.v. 1] alleen een vordering heeft op [persoon 2] en niet op [persoon 3] .

Volgens [b.v. 1] c.s. vertegenwoordigt de woning wel overwaarde die door het beslag is getroffen. Zij voeren aan dat de woning volgens Huispedia een waarde heeft van tussen € 481.000,- en € 520.000,- en dat het een feit van algemene bekendheid is dat er doorgaans nog wordt overboden. Ook voeren [b.v. 1] c.s. aan dat ervan uit mag worden gegaan dat in 2025 is afgelost op de lening van ING Bank en de crowdfundlening.

Naar het oordeel van de rechtbank is het reëel dat het ten laste van [persoon 2] gelegde beslag niet of nauwelijks doel zal treffen. Hoewel een taxatierapport over de woning ontbreekt, acht de rechtbank de door [persoon 2] en [persoon 3] onderbouwde (vrije) marktwaarde van de woning waarschijnlijker dan een geautomatiseerde inschatting op de website Huispedia. Daarbij is het een feit van algemene bekendheid dat de executiewaarde van een woning vaak (fors) lager is dan de marktwaarde en dat er kosten gemoeid zijn met de executie. [b.v. 1] betwist verder niet dat zij zich slechts op de helft van de (eventuele) overwaarde kan verhalen nu zij alleen een vordering op [persoon 2] heeft. Ook als rekening wordt gehouden met eventuele aflossingen op hypothecaire geldleningen acht de rechtbank het bij deze stand van zaken aannemelijk dat er na executie niet of nauwelijks overwaarde zal overblijven om de vordering van [b.v. 1] op [persoon 2] van te voldoen.

Voor zover er wel (enige) overwaarde zou blijken te zijn, rechtvaardigt de afweging van de wederzijdse belangen naar het oordeel van de rechtbank het beslag op de woning wordt opgeheven. De executieverkoop van de woning zal namelijk ingrijpende gevolgen hebben voor zowel [persoon 2] als [persoon 3] , terwijl tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat er ook minder bezwarende mogelijkheden zijn om de vordering van [b.v. 1] op [persoon 2] te voldoen. Immers heeft [persoon 2] toegelicht dat de verkoop van de camper (na afkoop van het leasecontract) € 52.000,- oplevert en van dit bedrag de vordering van [b.v. 1] uit hoofde van de geldleningsovereenkomst van 1 september 2023 kan worden voldaan. Dit heeft [b.v. 1] niet (voldoende) weersproken. Onder deze omstandigheden (en gelet op overweging 5.69) weegt het belang van [b.v. 1] bij handhaving van het beslag niet op tegen de belangen van [persoon 2] en [persoon 3] bij opheffing ervan.

In haar oordeel betrekt de rechtbank tot slot dat [b.v. 1] voor dit beslag verlof heeft gevraagd zonder de voorzieningenrechter volledig voor te lichten en vervolgens op grond van dat verlof beslag heeft gelegd nog voordat haar vordering op [persoon 2] opeisbaar was (zie overwegingen 5.63 en 5.22.).

De rechtbank zal [b.v. 1] dan ook veroordelen tot opheffing van het ten laste van [persoon 2] en [persoon 3] gelegde beslag op de eigendom van hun woning, op straffe van de gevorderde dwangsom.

Beslag(en) op de bankrekening van [persoon 2]

De rechtbank zal [b.v. 1] c.s. ook veroordelen tot opheffing van het ten laste van [persoon 2] onder Rabobank gelegde derdenbeslag. Vast staat dat alleen [b.v. 1] een vordering op [persoon 2] heeft. [b.v. 1] heeft geen vordering op [persoon 2] . Het door hem ingeroepen recht is dus ondeugdelijk. Daarnaast volgt uit de overgelegde derdenverklaring van Rabobank dat het beslag geen doel treft. [b.v. 1] heeft dus geen belang bij handhaving van dit beslag.

Beslag(en) op de bankrekening van IAA

[b.v. 1] c.s. hebben wel belang bij handhaving van het ten laste van IAA onder Bunq gelegde derdenbeslag. Zowel [b.v. 1] als [b.v. 1] heeft namelijk een of meer (opeisbare) vorderingen op IAA (zie overwegingen 5.35. en 5.55.). Uit de overgelegde derdenverklaring van Bunq blijkt ook dat dit beslag voor een beperkt bedrag doel heeft getroffen. Mede gelet op de beperkte hoogte van het getroffen saldo, is onvoldoende gesteld of gebleken dat de belangen van IAA aan handhaving van dit beslag in de weg staan. Daarom ziet de rechtbank geen grond voor opheffing van dit beslag.

Beslag op de bedrijfsauto van IAA

De rechtbank ziet ook geen grond voor opheffing van het beslag op de bedrijfsauto van IAA. Als gezegd heeft zowel [b.v. 1] als [b.v. 1] een of meerdere (opeisbare) vorderingen op IAA en daarmee belang bij handhaving van het beslag op de bedrijfsauto. Dat IAA een zwaarder wegend belang zou hebben bij opheffing ervan, heeft IAA naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende gesteld.

Voorwaardelijke vorderingen in reconventie

IAA vordert in voorwaardelijke reconventie een verklaring voor recht dat [b.v. 1] onrechtmatig heeft gehandeld en betaling van € 100.000,- door [b.v. 1] . Deze vorderingen heeft IAA ingesteld voor zover de rechtbank IAA (en [persoon 2] ) zou veroordelen tot betaling van het volledige bedrag dat door [b.v. 1] c.s. vanaf januari 2024 is betaald. De rechtbank zal de vordering van [b.v. 1] c.s. die ziet op het bedrag van € 100.000,- (als gezegd) echter afwijzen. Daarmee is de voorwaarde van de voorwaardelijke vorderingen in reconventie niet vervuld. Dat betekent dat de rechtbank niet op de voorwaardelijke vorderingen in reconventie hoeft te beslissen.

Proceskosten in reconventie

In reconventie zijn IAA c.s. grotendeels in het gelijk gesteld. Daarom moeten [b.v. 1] c.s. de proceskosten (inclusief nakosten) in reconventie betalen. De proceskosten van IAA c.s. worden begroot op:

- salaris advocaat

1.228,00

(2 punten × € 614)

- nakosten

178,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

1.406,00

6. De beslissing

De rechtbank

in conventie

veroordeelt IAA en [persoon 2] hoofdelijk tot betaling aan [b.v. 1] van € 43.000,-:

- met ingang van 1 september 2025 te vermeerderen met een rente van 4% per jaar (voor de toekomst) per maand achteraf te voldoen tot de dag van volledige betaling; en

- met ingang van 1 december 2025 te vermeerderen met een boete van 2,5% van over de resterende hoofdsom van de geldlening voor iedere maand dat IAA en [persoon 2] in gebreke blijven hieraan te voldoen,

veroordeelt IAA tot betaling aan [b.v. 1] van € 11.000,-, te vermeerderen met:

- een rente ter hoogte van de wettelijke rente over € 3.000,- vanaf 7 augustus 2024 tot de dag van volledige betaling; en

- een rente ter hoogte van de wettelijke rente over € 8.000,- vanaf 30 september 2023 tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt IAA tot betaling aan [b.v. 1] van € 32.000,- aan [b.v. 1] , te vermeerderen met:

- een rente ter hoogte van de wettelijke rente over € 15.000,- vanaf 28 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling;

- een rente ter hoogte van de wettelijke rente over € 7.000,- vanaf 25 november 2024 tot de dag van volledige betaling;

- een rente ter hoogte van de wettelijke rente over € 10.000,- vanaf 2 december 2024 tot de dag van volledige betaling,

verklaart de beslissingen onder 6.1 tot en met 6.3 uitvoerbaar bij voorraad,

compenseert de proceskosten (inclusief de beslagkosten) in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

wijst het meer of anders gevorderde af.

in reconventie

veroordeelt [b.v. 1] en [b.v. 1] om:

- het op 10 februari 2025 ten laste van [persoon 2] en [persoon 3] gelegde conservatoire beslag op de eigendom van de onroerende zaak staande en gelegen te [adres] ; en

- het op 10 februari 2025 ten laste van [persoon 2] gelegde conservatoire derdenbeslag onder Coöperatieve Rabobank U.A.,

binnen drie dagen na de datum van dit vonnis op te (doen) heffen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat zij niet aan deze veroordeling voldoen,

veroordeelt [b.v. 1] en [b.v. 1] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.406,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [b.v. 1] en [b.v. 1] niet tijdig aan deze proceskostenveroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,

verklaart de beslissingen onder 6.7 en 6.8 uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. De Vlieger en in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2025.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?