RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 11835662 \ VV EXPL 25-68
Vonnis in kort geding van 17 november 2025
in de zaak van
NHVP B.V.
te Breda
eisende partij
hierna te noemen: NHVP
gemachtigde: mr. Y.H.P.M.J. Willems
tegen
1. [gedaagde 1]
zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen en buiten Nederland
gedaagde partij
hierna te noemen: [gedaagde 1]
procederend in persoon
en
2. 2. [gedaagde 2]
te [plaats]3. [gedaagde 3]
te [plaats]
gedaagde partijen
hierna aangeduid als gedaagden 2 en 3
niet in de procedure verschenen
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding
de mondelinge behandeling van 3 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
de spreekaantekeningen van NHVP.
2. De zaak in het kort
In deze kort gedingprocedure wil de verhuurder van een woning dat de huurder wordt veroordeeld om die woning te ontruimen aangezien de huurder al vele maanden geen huur meer heeft betaald. Ook de (volwassen) kinderen van huurder moeten van de verhuurder de woning ontruimen aangezien zij daarin zonder recht of titel verblijven. Daarnaast wil de verhuurder dat de huurder wordt veroordeeld om een deel van het openstaande bedrag te betalen, als voorschot op de betalingsachterstand die (mogelijk nog) bestaat op het moment dat in een eventueel nog te voeren bodemprocedure de huurovereenkomst wordt ontbonden.
3. De feiten
NHVP heeft met [gedaagde 1] een huurovereenkomst gesloten op basis waarvan [gedaagde 1] met ingang van 1 september 2024 de woning die is gelegen aan [adres] van NHVP huurt.
De huurprijs, inclusief een voorschot op de servicekosten, bedroeg bij aanvang
€ 2.370,00 per maand en is op grond van de huurovereenkomst met ingang van 1 juli 2025 verhoogd tot € 2.467,00 per maand. Overeengekomen is dat de huurprijs vóór de eerste dag van elke maand wordt betaald.
[gedaagde 1] heeft na februari 2025 een huurachterstand laten ontstaan. Nadat hij al meerdere betalingstoezeggingen had gedaan en die niet nakwam, werd [gedaagde 1] bij brief van 7 juli 2025 gesommeerd de volledige achterstand binnen 14 dagen te voldoen.
Op 23 juli 2025 heeft NHVP ten aanzien van [gedaagde 1] aan de gemeente [plaats] melding gedaan als bedoeld in artikel 2 van het Besluit gemeentelijke schuldhulpverlening.
In antwoord op vragen van NHVP heeft een deurwaarder op 30 juli 2025 bericht dat (in de BRP) gedaagden 2 en 3 staan ingeschreven op het adres van het gehuurde en dat [gedaagde 1] op dat adres nooit ingeschreven heeft gestaan.
4. Het geschil
NHVP vordert samengevat - ontruiming van het pand aan [adres] , alsmede betaling door [gedaagde 1] van een voorschot op de huurachterstand. Tevens vordert NHVP de hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 1] en gedaagden 2 en 3 in de proceskosten.
Ter onderbouwing van die vorderingen voert NHVP aan dat [gedaagde 1] niet voldoet aan zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst. Na februari 2025 heeft hij geen huur meer betaald. Hij heeft eenmalig een betaling in mindering op het verschuldigde gedaan nadat met hem een betalingsregeling was overeengekomen, die hij verder ook niet meer is nagekomen. De betalingsachterstand tot en met november 2025 bedraagt
€ 17.393,90. Een zodanige achterstand is voldoende ernstig om aan te nemen dat de bodemrechter de huurovereenkomst zal ontbinden. [gedaagde 1] handelt verder in strijd met de huurovereenkomst doordat hij volgens de gemeentelijke basisadministratie niet is ingeschreven op het adres van het gehuurde en hij, hoewel hij daar zelf niet woont, het gehuurde aan zijn kinderen, gedaagden 2 en 3, in gebruik heeft gegeven. Die verblijven daar zonder recht of titel en zijn daarom eveneens gedagvaard.
[gedaagde 1] voert geen inhoudelijk verweer. Hij erkent het bestaan en de hoogte van de betalingsachterstand en hoopt dat een eventuele gedwongen ontruiming niet op zeer korte termijn moet plaatsvinden. Hij woont wel in het gehuurde en staat op het adres daarvan ingeschreven. Gedaagde 2 woont er inmiddels niet meer; gedaagde 3 heeft er nooit feitelijk gewoond, aldus [gedaagde 1] .
5. De beoordeling
Alvorens toe te komen aan de inhoudelijke beoordeling van het geschil wordt vast-gesteld dat gedaagden 2 en 3, hoewel zij behoorlijk werden gedagvaard met inachtneming van de voorgeschreven termijn en formaliteiten, niet ter zitting zijn verschenen en ook anderszins niet hebben gereageerd of om uitstel van de behandeling van de zaak hebben verzocht. Daarom wordt tegen hen verstek verleend. Niettemin geldt dit vonnis, gelet op het bepaalde in artikel 140 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), als een vonnis op tegenspraak tegen zowel [gedaagde 1] , als tegen gedaagden 2 en 3.
Bij de beoordeling van de zaak staat voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet - volgens vaste jurisprudentie - grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een
- diepgaand - onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.
Niettemin wordt vastgesteld dat [gedaagde 1] tijdens de mondelinge behandeling heeft erkend dat sprake is van een betalingsachterstand die inclusief de inmiddels verschenen huur voor de maand november 2025 is opgelopen tot een bedrag van
€ 17.393,90. Gerekend met de huidige huurprijs is die achterstand gelijk aan de huur voor ruim zeven maanden.
Geoordeeld wordt dat een betalingsachterstand van ruim zeven huurtermijnen reeds voldoende is om aannemelijk te achten dat een rechter die in een bodemprocedure moet oordelen over een op die grond gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst, die ontbinding ook zou uitspreken en [gedaagde 1] tot ontruiming van het gehuurde zou veroordelen. Gelet hierop en waar door [gedaagde 1] niet is gesteld, noch is gebleken dat de betalingsachterstand op korte termijn zal worden ingelopen en de toekomstige betalingsverplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst worden nagekomen, zal hij worden veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde.
Ook gedaagden 2 en 3 worden veroordeeld om het gehuurde te ontruimen. Welis-waar heeft [gedaagde 1] aangevoerd dat zij niet (meer) in het gehuurde woonachtig zijn maar volgens van de deurwaarder verkregen inlichtingen hadden beiden op 30 juli 2025 wél formeel woonplaats (in de zin van artikel 1:10 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW)) in het gehuurde en blijkens de op 27 augustus 2025 aan hen uitgebrachte dagvaarding was op die dag daarin nog geen verandering gekomen. Omdat niet is kunnen worden vastgesteld dat gedaagde 2 en/of gedaagde 3 inmiddels elders woonachtig is of zijn geldt de veroordeling tot ontruimen ook tegen hen.
De dag waarop het gehuurde moet zijn ontruimd zal conform de vordering van NHVP en hetgeen in de rechtspraak gebruikelijk is worden bepaald op 14 dagen na de betekening van dit vonnis. Daarmee wordt [gedaagde 1] geacht voldoende tijd te hebben om elders woonruimte te betrekken en zijn inboedel onder te brengen.
De gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van justitie wordt afgewezen, omdat zij ingevolge artikel 556 lid 1 en artikel 557 Rv overbodig is.
[gedaagde 1] zal tevens worden veroordeeld om € 14.414,00 als voorschot op de totale huurachterstand aan NHVP te betalen. Aangezien hij de huurder van de woning is en hij de verschuldigdheid van in totaal € 17.393,90 wegens huurachterstand erkent is aannemelijk dat de rechter in een eventuele bodemprocedure in gelijke zin zou oordelen.
6. De proceskosten
Gezien de uitkomst van de procedure moeten [gedaagde 1] en gedaagden 2 en 3 de kosten daarvan (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van NHVP worden vastgesteld op:
- kosten van de dagvaarding
€
164,95
- griffierecht
€
1.461,00
- salaris gemachtigde
€
543,00
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.303,95
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De veroordeling tot betaling van de proceskosten wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat wil zeggen dat [gedaagde 1] en gedaagden 2 en 3 gehouden zijn om het gehele bedrag en de rente daarover te betalen, maar wanneer één van hen een bedrag in mindering betaalt, dan hoeft de ander dat bedrag niet nogmaals aan NHVP te betalen.
7. De beslissing
De kantonrechter, recht sprekend in kort geding:
veroordeelt [gedaagde 1] en gedaagde 2 en gedaagde 3 om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het pand aan de [adres] met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van NHVP zijn, te ontruimen en ontruimd te houden en alle bij dit pand horende sleutels aan NHVP af te geven;
veroordeelt [gedaagde 1] om een bedrag van € 14.414,00 aan NHVP te betalen, als voorschot op de verschuldigde huurachterstand;
veroordeelt [gedaagde 1] , gedaagde 2 en gedaagde 3 hoofdelijk in de proceskosten van € 2.303,95, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening indien niet tijdig aan de veroordeling wordt voldaan en het vonnis daarna wordt betekend;
veroordeelt [gedaagde 1] , gedaagde 2 en gedaagde 3 hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten wanneer deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan NHVP zijn betaald;
verklaart dit vonnis wat betreft de bij 7.2, 7.3 en 7.4 vermelde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Eijssen-Vruwink en is in het openbaar uitgesproken op 17 november 2025.