ECLI:NL:RBZWB:2025:7972

ECLI:NL:RBZWB:2025:7972, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 21-11-2025, BRE 24/8074

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 21-11-2025
Datum publicatie 28-11-2025
Zaaknummer BRE 24/8074
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Breda
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 2 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001840

Samenvatting

Wht - weigering overname private schulden

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 november 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser,

de minister van Financiën, verweerder.

Samenvatting

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 24/8074

(gemachtigde: mr. R.E. Bogaards),

en

1. Deze uitspraak gaat over de beslissing op eisers aanvraag tot het overnemen van private schulden die onder de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) vallen. Eiser is het niet eens met de gedeeltelijke afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder terecht een schuld van eiser niet heeft overgenomen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eisers aanvraag is met het besluit van 29 mei 2024 (primair besluit) gedeeltelijk afgewezen. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 29 oktober 2024 op het bezwaar van eiser heeft verweerder de afwijzing gehandhaafd.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 4 november 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. Namens verweerder is – zonder bericht – niemand verschenen.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiser is aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Hij heeft aan Sociale Banken Nederland (SBN) een schuldenlijst toegezonden met de bedoeling om in aanmerking te komen voor overname van zijn private schulden. Op de schuldenlijst staan diverse schulden, waaronder ook een privéschuld aan zijn broer, [persoon] .

Met het primaire besluit heeft de bestuurder van SBN, namens de Belastingdienst/Toeslagen, aangegeven dat de opgegeven schulden niet voor overname in aanmerking komen. De schuld aan eisers broer komt niet voor overname is aanmerking, omdat het een onderhandse lening en/of een privé schuld is, zoals een persoonlijke lening zonder notariële akte en/of gerechtelijk vonnis. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt.

Bestreden besluit

Met het bestreden besluit heeft verweerder eisers bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder heeft vastgesteld dat het bezwaar enkel ziet op de schuld van € 15.000,- aan eisers broer. Verweerder heeft overwogen dat deze schuld niet wordt overgenomen, omdat het een informele schuld is. De wetgever heeft bewust gekozen voor het stellen van de eis van een notariële akte bij een informele schuld. Nu de lening bij eisers broer niet is vastgelegd in een geldige notariële akte of waar een gerechtelijk vonnis aan ten grondslag ligt, voldoet deze niet aan de vereiste van artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht.

Daarnaast is niet gebleken dat de schuld vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden zoals bedoeld in artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht. In de overeenkomst van geldlening zijn geen specifieke vervaldata voor de maandtermijnen afgesproken of vastgesteld. Er is ook geen bewijs overgelegd dat het leenbedrag daadwerkelijk is ontvangen en deels/wel/niet is terugbetaald. Eisers broer heeft verklaard dat door emigratie en een scheiding het niet is gelukt om bewijsmiddelen te vinden met betrekking tot de opeising van het leenbedrag. Artikel 5 van de overeenkomst van geldlening bepaald dat de lening te allen tijde opeisbaar is na schriftelijke waarschuwing en/of ingebrekestelling, maar er zijn dus geen schriftelijke waarschuwingen of ingebrekestellingen overgelegd.

Eisers stelling dat artikel 4.1, derde lid, van de Wht geen limitatieve opsomming bevat, volgt verweerder niet. Uit artikel 4.1, tweede lid, van de Wht volgt aan welke algemene voorwaarden een schuld moet voldoen om voor mogelijke overname in aanmerking te komen. Het derde lid stelt vervolgens nadere eisen aan deze schulden om voor overname in aanmerking te komen. Het voerde lid bepaalt de uitzonderingen op de schulden die voldoen aan het tweede en derde lid. Een schuld moet daarom zowel aan de vereisten van het tweede lid, als aan (minimaal een van) de vereisten van het derde lid voldoen. De schuld komt voor overname in aanmerking als aan deze vereisten is voldaan en er geen sprake is van een uitzondering zoals opgenomen in het vierde lid. Er is dus terecht beoordeeld of eisers schulden voldoen aan (minimaal een van) de vereisten uit artikel 4.1, derde lid, van de Wht.

Beroepsgronden

4. Eiser heeft aangevoerd dat de schuld aan zijn broer wel voldoet aan de vereisten van artikel 4.1, tweede lid, van de Wht. Verder heeft eiser gesteld dat artikel 4.1, derde lid, van de Wht de schulden opsomt die altijd worden overgenomen, terwijl artikel 4.1, vierde lid, van de Wht de schulden opsomt die nooit worden overgenomen. Een privéschuld valt volgens eiser niet onder beide leden. Het standpunt van verweerder dat het derde lid een limitatieve opsomming betreft kan eiser niet volgen. Deze lezing zou namelijk tot een interne tegenstrijdigheid leiden. Als artikel 4.1, derde lid, van de Wht limitatief zou zijn, zou het vierde lid overbodig zijn. Ook is het vierde lid niet bedoeld als uitzondering op het derde lid. Als dit het geval zou zijn zou het vierde lid situaties omschrijven waarin de in het derde lid genoemde gevallen niet tot vergoeding zouden leiden. De in het vierde lid genoemde situaties hebben echter geen verband met het derde lid. Als het een uitzondering betrof, zou de wet dat expliciet moeten vermelden. De terminologie die de wetgever hiervoor gebruikt is “in afwijking van”, zoals aangegeven in artikel 3.6, vierde lid, van de Wht. Overigens komt deze terminologie maar liefst 17 keer voor in de Wht. Uit de formulering van artikel 4.1, derde en vier lid, van de Wht blijkt dan ook dat het hier om bewijsrecht gaat. Dit impliceert een breed scala aan mogelijke geldschulden en kosten die niet automatisch worden overgenomen (derde lid) en ook niet automatisch worden afgewezen (vierde lid). Het lijkt erop dat de wetgever de rechtspraktijk een rol heeft toebedeeld om dit grijze gebied nader in te vullen.

In het aanvullend beroepschrift van 24 oktober 2025 heeft eiser een beroep gedaan op de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 februari 2024. Verder heeft eiser aangevoerd dat hij en zijn broer op 16 maart 2009 een schriftelijke overeenkomst van geldlening hebben gesloten en dat deze geldlening is vastgelegd in zijn financiële administratie. De lening is namelijk opgenomen in de grootboekkaarten die door zijn boekhouder zijn opgesteld en de schuld is zichtbaar op de balans over 2009. Met bovenstaande wijze van vastlegging heeft eiser de lening zo officieel en controleerbaar mogelijk vastgelegd binnen zijn mogelijkheden. Eiser is van mening dat hij bij het aangaan van de lening onmogelijk kon voorzien welke formele eisen later aan dergelijke leningen gesteld zouden worden. Als eiser had geweten dat het opstellen van een notariële akte vereist zou zijn, had hij daar uiteraard aan voldaan. Wanneer in dit specifieke geval wordt vastgehouden aan de eis van een notariële akte, zou dit leiden tot een onevenredige uitkomst. De toepassing van deze eis dient daarom achterwege te blijven en kan eiser niet worden tegengeworpen.

Het standpunt van verweerder dat niet is aangetoond dat de schuld vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden, doet geen recht aan de werkelijke gang van zaken tussen familieleden. Uit de schriftelijke verklaring van eisers broer van 14 mei 2024 blijkt dat de lening meerdere malen persoonlijk, telefonisch en per brief is opgeëist. Dat door zijn emigratie naar Turkije en een echtscheiding bepaalde papieren zoekgeraakt zijn, doet aan die feitelijke opeising niet af. Eiser is van mening dat, in lijn met de overwegingen van de rechtbank Amsterdam in voorgenoemde uitspraak, geoordeeld dient te worden dat de lening vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden.

Juridisch kader

5. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

6. De rechtbank beoordeelt of verweerder terecht de schulden van eiser niet heeft overgenomen. Zij doet dit aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen enkel in geschil is of verweerder de informele schuld van eiser bij zijn broer van € 15.000,- terecht niet heeft overgenomen.

Verweerder heeft deze schuld niet overgenomen, omdat deze niet is vastgelegd in een notariële akte of daaraan geen gerechtelijk vonnis ten grondslag ligt. Daarnaast heeft verweerder overwogen dat de schuld niet vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden.

Wat is de strekking van artikel 4.1 van de Wht?

7. De rechtbank is, net als de rechtbank Amsterdam, van oordeel dat uit artikel 4.1, tweede lid, van de Wht volgt aan welke algemene voorwaarden een schuld moet voldoen om voor mogelijke overname in aanmerking te komen. Anders dan eiser, is de rechtbank van oordeel dat het derde lid vervolgens limitatieve nadere eisen stelt aan deze schulden om voor overname in aanmerking te komen. Het vierde lid bepaalt de uitzonderingen op de schulden die voldoen aan het tweede en derde lid. Een schuld moet daarom zowel aan de vereisten van het tweede lid, als aan (minimaal een van) de vereisten van het derde lid voldoen. Als aan deze vereisten is voldaan en er geen sprake is van een uitzondering zoals opgenomen in het vierde lid, dan komt de schuld voor overname in aanmerking. Verweerder heeft daarom terecht beoordeeld of de privé-schulden van eiseres voldoen aan de vereisten van artikel 4.1, derde lid, van de Wht.

Mocht verweerder een notariële akte als bewijs vragen?

8. Voor informele schulden geldt op grond van artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht als voorwaarde voor overname namelijk dat de schuld is vastgelegd in een notariële akte die is opgesteld in de periode tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021. Het bestaan van de schuld kan ook blijken uit een rechterlijke uitspraak, mits de daaraan voorafgaande ingebrekestelling of dagvaarding of het daaraan voorafgaande verzoekschrift dateert van vóór 1 juni 2021.

De eis van een notariële akte is vervat in de Wht, een wet in formele zin. Het zogenoemde toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet staat eraan in de weg dat de rechter een wettelijke bepaling toetst aan algemene rechtsbeginselen. De rechtbank kan dan alleen oordelen dat de toepassing van een wettelijk vereiste in een individueel geval achterwege moet blijven, als er sprake is van bijzondere omstandigheden. Het moet dan gaan om een bijzondere omstandigheid die de wetgever bij de totstandbrenging van de wettelijke bepaling niet of niet ten volle heeft verdisconteerd in zijn afweging. Dat is het geval als die niet verdisconteerde bijzondere omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven.

De eis van een notariële akte als bewijs van het bestaan van een informele schuld en van betalingsafspraken is bewust in de wet opgenomen, om zoveel mogelijk zeker te stellen dat alleen daadwerkelijk bestaande én opeisbare achterstanden worden overgenomen. Uit de parlementaire geschiedenis bij de Wht volgt namelijk dat bij de totstandkoming van de Wht is onderzocht of er een andere invulling gegeven kon worden aan de eis van een notariële akte. Zo heeft het gewijzigd amendement van de leden Omtzigt en Leijten geleid tot het uitvoeren van een uitvoeringstoets door SBN. SBN is na die uitvoeringstoets tot de conclusie gekomen dat het amendement niet uitvoerbaar is vanwege het feit dat informele leningen moeilijk zijn te verifiëren, waarna de staatssecretaris van Financiën het aannemen van het amendement heeft ontraden. Bij de behandeling in de Eerste Kamer is vervolgens een motie ingediend waarin de regering is verzocht om met een regeling te komen waarbij het mogelijk wordt om ook op een andere manier dan een notariële akte bewijs te leveren van de door de ouders aangegane (in)formele leningen. Naar aanleiding van deze motie heeft SBN op 13 januari 2023 een nadere analyse opgesteld. In deze analyse is geconcludeerd dat de bewijslast voor het vaststellen van achterstanden zeer ingewikkeld blijft, dat daar een zeer complex en intensief proces van beoordeling door SBN voor nodig zou zijn en dat een verruiming van de bewijslast zou leiden tot verwachtingen die niet kunnen worden waargemaakt. Bij brief van 18 maart 2024 heeft de staatssecretaris vragen beantwoord naar aanleiding van voorgenoemde uitspraak van de rechtbank Amsterdam. In die brief wordt het dilemma van het vaststellen van de lening en de opeisbare achterstanden op eenduidige, objectieve en uitvoerbare wijze aangehaald. Er wordt verwezen naar voornoemde onderzoeken, waaruit blijkt dat er geen uitvoerbaar alternatief is.

De bij de parlementaire behandeling geuite bezwaren hebben niet geleid tot een wijziging van de in de Wht neergelegde eis van een notariële akte. De rechtbank gaat er daarom van uit dat het de uitdrukkelijke wens van de wetgever is geweest om deze eis in de Wht op te nemen. Er is op het punt van de eis van de notariële akte dan ook geen sprake van een omstandigheid die niet of niet ten volle is verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Dit heeft de Afdeling ook geoordeeld in de uitspraken van 15 mei 2024.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder de eis van een notariële akte heeft mogen stellen om het bestaan van de schulden aan te tonen en om te kunnen beoordelen of sprake is van opeisbare achterstanden.

Omdat zich hier geen bijzondere omstandigheden voordoen die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of toepassing van artikel 4.1, tweede lid en onder b, en derde lid en onder b, van de Wht zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel, dat die toepassing in het voorliggende geval achterwege zou moeten blijven.

Nu eiser de informele schuld niet in een notariële akte heeft neergelegd en ook geen sprake is van een rechterlijke uitspraak, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht gesteld dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor compensatie van deze schuld. De beroepsgrond slaagt niet.

Heeft verweerder terecht overwogen dat de schuld niet opeisbaar was?

9. Artikel 4.1 van de Wht bepaalt onder welke voorwaarden private schulden worden overgenomen. Een van de voorwaarden is dat de schuld vóór 1 juni 2021 opeisbaar was.

Uit de memorie van toelichting van de Wht volgt dat de regeling voor het overnemen van private schulden bedoeld is om gedupeerde ouders zo veel mogelijk kans te bieden op een nieuwe start. Doel is niet om gedupeerden volledig te vrijwaren van betalingsverplichtingen. Doordat opeisbare betalingsachterstanden en hoofdsommen worden overgenomen, wordt beoogd te voorkomen dat een gedupeerde in de problemen komt door incassomaatregelen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht overwogen dat niet is gebleken dat de schuld (vóór 1 juni 2021) opeisbaar is geworden. Eiser en zijn broer hebben immers erkend dat zij geen stukken kunnen aanleveren waaruit blijkt dat een schriftelijke waarschuwing of ingebrekestelling aan eiser is gericht, hetgeen blijkens de overeenkomst van geldlening vereist is om de vordering opeisbaar te maken. Eisers stelling dat de schuld opeisbaar is geworden binnen de referteperiode is niet onderbouwd of toegelicht.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder eisers schuld bij zijn broer van € 15.000,- terecht niet heeft overgenomen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van C.M.A. Groenendaal, griffier, op 21 november 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet hersteloperatie toeslagen

Artikel 4.1

1. Onze Minister van Financiën neemt op aanvraag de geldschulden en kosten over op grond van artikel 155 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek van degene die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 of diens partner, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onderdelen b of c, op wie artikel 4.6 of 4.7 niet van toepassing is.

2. De geldschulden die worden overgenomen:

a. zijn ontstaan na 31 december 2005;

b. waren voor 1 juni 2021 opeisbaar; en

c. zijn niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan.

3. Geldschulden en kosten die worden overgenomen, zijn:

a. een geldschuld die is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser;

b. een geldschuld die niet is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser indien deze is vastgelegd in een notariële akte die is verleden in de periode tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021 of blijkt uit een rechterlijke uitspraak indien de daaraan voorafgaande ingebrekestelling of dagvaarding of het daaraan voorafgaande verzoekschrift dateert van voor 1 juni 2021, waarbij geldt dat de zaak bij de rechtbank binnen een redelijke termijn na de dagtekening van de ingebrekestelling aanhangig moet zijn gemaakt;

c. een geldschuld die voortvloeit uit alimentatieverplichtingen;

d. de bij een geldschuld bijkomende kosten;

e. een geldschuld bij een krachtens publiekrecht ingesteld orgaan van een rechtspersoon in het buitenland; en

f. bestuursrechtelijke geldschulden die niet voor kwijtschelding in aanmerking komen op grond van hoofdstuk 3.

4. Geldschulden en kosten die niet worden overgenomen zijn:

a. de resterende hoofdsom van een hypothecaire lening, ook als die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar is geworden, tenzij het een restschuld betreft na verkoop van of verhaal op de verhypothekeerde zaak;

b. de resterende hoofdsommen van andere leningen, tenzij die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar zijn geworden;

c. een geldschuld die voortvloeit uit een onrechtmatige daad;

d. een percentage van de geldschuld aan een rechtspersoon, vennootschap onder firma, commanditaire vennootschap of maatschap waarin de aanvrager van de schuldoverneming een belang heeft, dat gelijk is aan het percentage van dat belang van de aanvrager van de schuldoverneming; en

e. een geldschuld waarvoor aan de aanvrager van de schuldoverneming reeds compensatie of aanvullende compensatie als bedoeld in artikel 2.1 of een andere niet-forfaitaire vergoeding is toegekend.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?