RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 november 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres,
Dienst Toeslagen (voorheen Belastingdienst/Toeslagen), verweerder.
Samenvatting
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/6003
(gemachtigde: mr. I.M. van den Heuvel),
en
1. Deze uitspraak gaat over de gedeeltelijke afwijzing van de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag over de jaren 2010 en 2011. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de aanvraag voor compensatie terecht heeft afgewezen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor compensatie op grond van de Wht. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 30 augustus 2022 (kenmerk UHT-DC I) voor wat betreft de toeslagjaren 2008 en 2009 toegewezen. Verweerder heeft deze aanvraag met twee besluiten van diezelfde datum (kenmerken UHT-DC-I A en UHT-DH5 A) voor wat betreft de toeslagjaren 2010 en 2011 afgewezen. Met het bestreden besluit van 17 juni 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiseres gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 4 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en mr. [persoon 1] en [persoon 2] namens verweerder.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres heeft twee kinderen. Verweerder heeft bij verschillende besluiten de eerder vastgestelde voorschotten voor kinderopvangtoeslag over de toeslagjaren 2008 tot en met 2011 op nihil vastgesteld.
Op 17 december 2020 heeft eiseres zich bij verweerder gemeld voor een herbeoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag.
Met het besluit van 21 april 2021 heeft verweerder aan eiseres een bedrag van
€ 30.000,- toegekend op basis van de Catshuisregeling.
Met het besluit van 30 augustus 2022 (kenmerk UHT-DC I) heeft verweerder de definitieve compensatie voor de jaren 2008 en 2009 vastgesteld op € 18.723,-, inclusief immateriële schadevergoeding. Omdat aan eiseres al € 30.000,- is uitbetaald, ontvangt zij geen nabetaling.
Met het besluit van 30 augustus 2022 (kenmerk UHT-DC-I A) heeft verweerder overwogen dat eiseres over de jaren 2010 en 2011 geen recht heeft op compensatie vanwege vooringenomen handelen.
Met het besluit van 30 augustus 2022 (kenmerk UHT-DH5 A) heeft verweerder overwogen dat eiseres over de jaren 2010 en 2011 geen recht heeft op compensatie, omdat in haar geval geen sprake is geweest van hardheid bij de toepassing van het toenmalige wettelijke systeem.
Verweerder verwijst in de twee laatst genoemde besluiten naar het oordeel van een commissie van onafhankelijk deskundigen (commissie van wijzen) van 24 juni 2022.
Eiseres heeft tegen deze drie besluiten bezwaar gemaakt. Eiseres heeft het bezwaar kunnen toelichten op de hoorzitting van de bezwaarschriftencommissie op
26 oktober 2023.
Bestreden besluit
Verweerder heeft in het bestreden besluit het bezwaar van eiseres, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie, gegrond verklaard voor wat betreft de hoogte van de compensatie voor de jaren 2008 en 2009. Er is een onjuist bedrag gehanteerd voor wat betreft de rentevergoeding over gemiste kinderopvangtoeslag. Verweerder heeft de compensatie vastgesteld op € 18.853,-. Deze nieuwe berekening heeft echter geen gevolgen, omdat het bedrag onder de reeds ontvangen € 30.000,- blijft.
Voor het overige heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
Met betrekking tot toeslagjaar 2010 heeft verweerder overwogen dat op 5 december 2009 een kinderopvangtoeslag is toegekend voor de kinderen van eiseres voor het hele jaar. Echter, op 2 augustus 2011 heeft verweerder een antwoordformulier van eiseres ontvangen waarin is aangegeven dat er gedurende het jaar 2010 geen opvang heeft plaatsgevonden. Hierdoor is op 16 februari 2012 de kinderopvangtoeslag nihil beschikt. Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt welke ongegrond is verklaard. Er is niet vooringenomen gehandeld door verweerder, omdat het om een reguliere wijziging ging. Ook heeft eiseres daarom geen recht op compensatie vanwege hardheid.
Met betrekking tot toeslagjaar 2011 heeft verweerder overwogen dat eiseres in het kader van de herbeoordeling tijdens een gesprek met haar persoonlijk zaakbehandelaar heeft aangegeven dat er geen kinderopvang is genoten in 2011. Door deze verklaring en de bekende stukken, is er sprake van evident geen recht, waardoor eiseres niet in aanmerking komt voor compensatie op basis van de compensatieregeling. Omdat sprake is van een reguliere wijziging, heeft eiseres ook geen recht op compensatie vanwege hardheid.
Verweerder heeft het verzoek om vergoeding van de proceskosten afgewezen, omdat het besluit van 30 augustus 2022 (kenmerk UHT-DC I) niet wordt herroepen. Het compensatiebedrag blijft namelijk onder € 30.000,-.
Beroepsgronden
4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Voor zover het bestreden besluit is gebaseerd op informatie of het ontbreken van informatie van eiseres inhoudende dat zij geen of minder recht op toeslag zou hebben gehad dan waarop zij rechtens wel aanspraak had stelt eiseres dat zij zodanige informatie niet heeft gegeven of nagelaten.
Daarnaast is het niet juist dat eiseres verklaard heeft dat haar kinderen in 2010 en 2011 geen opvang zouden hebben genoten. Dit is ook niet te rijmen met het advies van de bezwaarschriftenadviescommissie dat in 2010 en 2011 de toeslag is uitbetaald op hetzelfde rekeningnummer als waarop de toeslag in eerdere jaren is uitbetaald.
Eiseres heeft verder geen kinderopvangtoeslag ontvangen over 2010 en 2011, maar zij heeft deze wel terug moeten betalen. De mogelijkheid bestaat dat verweerder inderdaad de toeslagen heeft betaald, maar dat deze (voor een groot deel) door de bank zijn terugbetaald. Eiseres herinnert zich namelijk dat zij in 2010 van de ABN-AMRO bank is overgegaan naar de ING bank. Als een bank geld ontvangt voor iemand die geen klant van die bank is zal de bank het geld terugbetalen aan de afzender.
Ondanks het advies van de bezwaarschriftenadviescommissie heeft verweerder geen proceskostenvergoeding toegekend.
Juridisch kader
5. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling door de rechtbank
6. De rechtbank beoordeelt of verweerder terecht de aanvraag van eiseres voor compensatie over de jaren 2010 en 2011 heeft afgewezen. Zij doet dit aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
De rechtbank stelt vast dat het geschil zich beperkt tot de vraag of aan eiseres compensatie had dienen te worden toegekend over de toeslagjaren 2010 en 2011.
Achtergrond
7. In de uitvoering van de kinderopvangtoeslag in voorgaande jaren zijn fouten
gemaakt, waarvan ouders de dupe zijn geworden. Deze toeslagenaffaire heeft geleid tot verschillende herstelregelingen om burgers te compenseren voor deze fouten. Het uitgangspunt van de hersteloperatie is dat gedupeerde ouders alsnog ontvangen wat ten onrechte is teruggevorderd of onthouden, aangevuld met een vergoeding voor materiële en immateriële schade. De compensatie wordt door verweerder toegekend. De uitvoering van deze regelingen is belegd bij de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT).
De rechtbank stelt vast dat de primaire compensatiebesluiten gebaseerd zijn op de compensatieregeling van artikel 49 en artikel 49b van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) en de beleidsregels zoals neergelegd in het Besluit Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken (Besluit Compensatieregeling). Met ingang van 5 november 2022 is de Wht van kracht. Voornoemde compensatieregeling is met ingang van die datum ondergebracht in artikel 2.1, eerste lid, van de Wht. Op grond van het overgangsrecht worden compensatiebeschikkingen die in het kader van de hersteloperatie toeslagen zijn genomen vóór de inwerkingtreding van de Wht, aangemerkt als beschikkingen die zijn gegeven krachtens de Wht.
Was sprake van institutionele vooringenomenheid en/of hardheid bij de toepassing van het toenmalige wettelijke systeem?
8. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 2.1 van de Wht volgt dat van institutionele vooringenomenheid sprake kan zijn geweest op groepsniveau of op het niveau van een individuele ouder. Bij institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen gaat het om een collectieve stopzetting van de kinderopvangtoeslag zonder voorafgaande individuele beoordeling, het opvragen bij belanghebbenden van grote hoeveelheden bewijsstukken over een of meerdere jaren, gevolgd door een zerotolerance-onderzoek naar fouten, tekortkomingen en ontbrekende bewijsstukken met soms een tweede controle, wanneer bij eerste lezing geen grond voor afwijzing van de aanspraak op kinderopvangtoeslag was gevonden. Ook gaat het om het niet nader opvragen van informatie bij belanghebbenden bij een gebleken tekortkoming daarin en het afwijzen of reduceren van de aanspraak op kinderopvangtoeslag bij de minste of geringste onregelmatigheid in de stukken. Met een zerotolerance-onderzoek wordt een aanpak bedoeld waarbij op excessieve wijze strikt werd gehandhaafd, vanuit de gedachte dat iedere gebleken overtreding of onregelmatigheid een indicatie was van stelselmatig misbruik of fraude. Het gaat niet om de optelsom van de genoemde kenmerken of het afzonderlijk aanwezig zijn daarvan, maar om het in samenhang voorkomen daarvan in een dossier van een belanghebbende. Het betreft geen limitatieve opsomming.
Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 2.1 van de Wht volgt verder dat van hardheid van het stelsel als bedoeld in onderdeel b sprake is als de kinderopvangtoeslag op nihil is vastgesteld in plaats van naar rato van het bedrag van de kosten waarvan de aanvrager van een kinderopvangtoeslag heeft aangetoond dat deze tijdig zijn betaald aan de kinderopvangorganisatie. Ook is er sprake van hardheid van het stelsel bij de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden waarbij de kinderopvangtoeslag in zijn geheel is teruggevorderd en deze terugvordering onevenredig was in verhouding tot de met die terugvordering te dienen doelen.
Op het antwoordformulier van 2 augustus 2011 heeft eiseres verklaard dat geen kinderopvang is genoten in 2010. Eiseres heeft ter zitting bevestigd dat dit antwoordformulier haar handtekening bevat. De enkele ontkenning van eiseres dat in 2010 geen opvang is genoten wordt niet ondersteund door enig objectief bewijsmiddel. Ook heeft eiseres geen objectief bewijsmiddel overgelegd dat er wel opvang is genoten in 2010.
Voor toeslagjaar 2011 heeft verweerder de KOI-viewer, het systeem waarin kinderopvanginstellingen de genoten opvang doorgeven, geraadpleegd. Daaruit is gebleken dat geen kinderopvang is genoten. Verweerder mag van deze gegevens uitgaan. Bovendien heeft eiseres ook over 2011 geen objectief bewijsmiddel overgelegd dat er wel opvang is genoten.
De stelling van eiseres dat zij in 2010 van bankrekening is gewisseld, heeft zij ook niet onderbouwd met objectieve bewijsmiddelen. Eiseres heeft aan verweerder op 17 mei 2013 een wijziging van haar bankrekeningnummer doorgegeven. Het is de verantwoordelijkheid van de aanvrager om tijdig juiste gegevens te verstrekken. Als de kinderopvangtoeslag zou zijn betaald op een rekening die niet aan haar toebehoort, komt dat voor rekening van eiseres. De Wht biedt geen grondslag om schade als gevolg hiervan te vergoeden.
In het beroepschrift worden stellingen ingenomen die niet op objectieve bewijsmiddelen zijn gestoeld. Als kritische vragen hierover worden gesteld, wordt verwezen naar verweerder voor onderbouwing. Zo heeft de gemachtigde van eiseres ter zitting gesteld dat verweerder inzage moet hebben in welke bankrekeningen eiseres heeft. Dat berust op een onjuiste voorstelling van zaken. Het is niet voor niets dat de aanvrager zelf tijdig moet doorgeven op welke rekening hij of zij een toeslag wenst te ontvangen.
Gelet op het voorfgaande is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat verweerder institutioneel vooringenomen heeft gehandeld jegens eiseres of dat sprake is van hardheid bij de toepassing van het toenmalige wettelijke systeem voor wat betreft de toeslagjaren 2010 en 2011.
Had verweerder in bezwaar een proceskostenvergoeding moeten toekennen?
9. In artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt overwogen dat de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend worden vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht geen aanleiding heeft gezien om een proceskostenvergoeding in bezwaar toe te kennen, omdat geen sprake is van het herroepen van de primaire besluiten. De aanpassing van de berekening van de compensatie over de jaren 2008 en 2009 is niet aan te merken als een herroeping. Het bedrag van compensatie blijft namelijk lager dan de toegekende compensatie van € 30.000 op basis van de Catshuisregeling. De rechtsgevolgen zijn dus niet gewijzigd.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanvraag voor compensatie voor de toeslagjaren 2010 en 2011 terecht is afgewezen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van C.M.A. Groenendaal, griffier, op 21 november 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 7:15
(…)
2. De kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, worden door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
(…)
Wet hersteloperatie toeslagen
Artikel 2.1
1. De Dienst Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem:
a. voor 23 oktober 2019 bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen; of
b. de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de Wet kinderopvang of de op die wetten berustende bepalingen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijke systeem.
(…)
Artikel 8.6
Beschikkingen ter zake van compensatie (…) die in het kader van de hersteloperatie toeslagen zijn gegeven voor het tijdstip van inwerkingtreding van de artikelen van afdeling 2.1, 2.4, 3.1, 4.1 onderscheidenlijk 4.2, worden vanaf dat tijdstip aangemerkt als beschikkingen die zijn gegeven krachtens het artikel van afdeling 2.1, 2.4, 3.1, 4.1 of 4.2 waarin de desbetreffende herstelregeling is opgenomen.
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen
Artikel 49 (geldend van 7 juli 2020 tot en met 4 november 2022)
1. In gevallen waarin toepassing van deze wet, de daarop berustende bepalingen of de Wet kinderopvang bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag, bedoeld in de Wet kinderopvang, heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijke systeem, welke onbillijkheden zodanig zijn dat het overduidelijk onredelijk is deze voor rekening van de belanghebbende te laten, is Onze Minister bevoegd in overeenstemming met Onze Ministers die het aangaat bij beschikking een hardheidstegemoetkoming toe te kennen.
2. Toekenning van de hardheidstegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, geschiedt op een voor 1 januari 2024 aan de Belastingdienst/Toeslagen gedaan verzoek van de belanghebbende die geen beroep kan doen op herziening van de beschikking tot vaststelling of tot terugvordering omdat vijf jaren zijn verstreken na de laatste dag van het berekeningsjaar waarop die beschikking betrekking heeft en een jaar na de dagtekening van de beschikking tot toekenning van de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 14, is verstreken.
3. De hardheidstegemoetkoming betreft de voor de belanghebbende nadelige gevolgen van de beschikking tot vaststelling of tot terugvordering, bedoeld in het tweede lid, voor zover die onevenredig zijn in verhouding tot de met die beschikking te dienen doelen. De onevenredigheid van die gevolgen wordt weggenomen door het vaststellen van de beschikking tot toekenning van de hardheidstegemoetkoming overeenkomstig:
a. herziening van de beschikking tot vaststelling waarbij het recht op kinderopvangtoeslag per berekeningsjaar wordt vastgesteld naar rato van het bedrag aan kosten van kinderopvang waarvan aannemelijk is dat het tijdig is betaald, of;
b. herziening van de beschikking tot terugvordering onder bijzondere omstandigheden.
(…)
Artikel 49b (geldend van 7 juli 2020 tot en met 4 november 2022)
1. In bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen kan de rijksbelastingdienst in verband met een samenstel van zijn handelingen waarbij sprake is van institutionele vooringenomenheid bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag, bedoeld in de Wet kinderopvang, volgens bij die regeling te stellen regels en binnen bij die regeling te stellen kaders, aan de belanghebbenden compensatie verlenen. Deze compensatie geschiedt in verband met het door die handelingen door die belanghebbenden ondervonden nadeel, voor zover de reguliere bestuursrechtelijke rechtsmiddelen voor 23 oktober 2019 onvoldoende toereikend werden geacht om dit nadeel geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken en dit nadeel niet is te wijten aan ernstige onregelmatigheden die aan de belanghebbenden toerekenbaar zijn. Het vaststellen van de beschikking tot toekenning van de compensatie geschiedt op een door de belanghebbende voor 1 januari 2024 aan de Belastingdienst/Toeslagen gedaan verzoek. De compensatie blijft achterwege voor zover op andere wijze in een vergoeding of tegemoetkoming ter zake is of wordt voorzien. (…)
Besluit Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken
(geldend van 8 september 2020 tot en met 4 november 2022, vervallen per 2 februari 2023 met terugwerkende kracht tot en met 5 november 2022)
Dit besluit bevat beleidsregels voor de verstrekking van een compensatie aan ouders vanwege de institutioneel vooringenomen handelwijze van de Belastingdienst/Toeslagen in het kader van CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken.
2. Doelgroep
Dit besluit voorziet in een compensatie voor de ouder die deel uitmaakte van het CAF 11-onderzoek (onderdeel 2.1), die deel uitmaakte van een vergelijkbaar (CAF-)onderzoek
(onderdeel 2.2) of die aannemelijk maakt dat de vaststelling van zijn aanspraak op kinderopvangtoeslag in enig jaar onderdeel is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de Belastingdienst/Toeslagen (onderdeel 2.3).
(…)
Vergelijkbare (CAF-)onderzoeken
(…)
De Adviescommissie heeft in haar advies de (CAF-)onderzoeken geïdentificeerd waarin waarschijnlijk sprake is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze of waarin mogelijk sprake is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze. De Belastingdienst/Toeslagen zal voor deze (CAF-)onderzoeken aan de hand van de door de Adviescommissie beschreven kenmerken beoordelen of daadwerkelijk sprake was van een institutioneel vooringenomen handelwijze. Het gaat hierbij om de volgende kenmerken:
1. Een collectieve stopzetting zonder een voorafgaande individuele beoordeling die dit rechtvaardigde (‘zachte stop’).
2. Het breed uitvragen van bewijsstukken over één of meerdere jaren.
3. Een zero tolerance-onderzoek naar fouten, tekortkomingen en ontbrekende bewijsstukken met (soms/veelal) een tweede check wanneer bij eerste lezing geen grond voor afwijzing was gevonden.
4. Het niet nader uitvragen van informatie bij gebleken tekortkoming in de door de ouder verstrekte bewijsstukken.
5. Het afwijzen of reduceren van de aanspraak op kinderopvangtoeslag bij de minste of geringste onregelmatigheid in de door de ouder verstrekte bewijsstukken.
Bij de beoordeling van de (CAF-)onderzoeken aan deze kenmerken gaat het niet om de optelsom van deze kenmerken of het afzonderlijk aanwezig zijn daarvan, maar om het in samenhang voorkomen daarvan in een onderzoek. De afwezigheid van één kenmerk betekent niet dat er geen sprake is van een institutioneel vooringenomen handelwijze evenmin als dat de aanwezigheid van meerdere kenmerken per definitie een institutioneel vooringenomen handelwijze betekent. De beoordeling geschiedt op basis van alle op de zaak betrekking hebbende stukken, inclusief het onderzoeksdossier.
(…)