RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/437700 / FA RK 25-3636
Datum uitspraak: 21 oktober 2025
Beschikking van de rechtbank over voogdij
in de zaak van
STICHTING NIDOS,
gevestigd te Utrecht,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),
over de minderjarige:
[minderjarige] , geboren op [geboortedag 1] 2025 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbende aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] .
De rechtbank merkt als informant aan:
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
zonder bij de rechtbank bekende woon- of verblijfplaats.
1. Het verloop van de procedure
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- het verzoek met bijlagen van de GI van 13 maart 2025, ingekomen bij de griffie op
11 juli 2025;
de bereidverklaring van de GI tot aanvaarding van de voogdij over de minderjarige van 13 maart 2025;
de akkoordverklaring van de minderjarige moeder van 25 februari 2025;
de bevestiging van de inschrijving van [minderjarige] in de Basisregistratie Personen (hierna: BRP), ingediend door de GI op 25 juli 2025.
Op 21 oktober 2025 heeft de rechtbank de zaak mondeling behandeld met gesloten deuren. Bij die gelegenheid zijn verschenen en gehoord:
de moeder;
de vader;
een vertegenwoordigster van de GI.
2. De feiten
De moeder is geboren op [geboortedag 2] 2008 te [geboorteplaats 2] ( [geboorteland] ). Zij is zeventien jaar en is dus nog minderjarig.
De moeder is op 16 november 2023 in Nederland aangekomen en staat met ingang van 14 december 2023 onder (tijdelijke) voogdij bij de GI.
De vader is geboren op [geboortedag 3] 2007 in [geboorteplaats 3] ( [geboorteland] ). De vader beschikt niet over een identiteitsbewijs waardoor hij [minderjarige] niet kan erkennen.
3. Het verzoek
De GI verzoekt om als voogd te worden benoemd over [minderjarige] en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De GI voert aan dat [minderjarige] niet onder het wettelijk vereiste gezag staat. De moeder is minderjarig en op grond van artikel 1:246 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) onbevoegd om het gezag over [minderjarige] uit te oefenen. Aangezien [minderjarige] minderjarig is en met zijn minderjarige moeder in Nederland verblijft, dient er in het gezag te worden voorzien door middel van voogdij. De GI is van mening dat de gronden voor de benoeming van een voogd overeenkomstig artikel 1:253r BW jo. 1:253q BW aanwezig zijn en dat het belang van [minderjarige] zich hiertegen niet verzet. De GI heeft de voogdij over de moeder en is ook bereid de voogdij over [minderjarige] op zich te nemen. De ouders hebben daar ook mee ingestemd. De GI is al vanaf de geboorte bij [minderjarige] betrokken en houdt toezicht op de opvoeding en verzorging.
De moeder heeft aangegeven akkoord te gaan met het opdragen van de voogdij aan de GI. Zij heeft ook schriftelijk akkoord gegeven op 25 februari 2025.
De vader stemt eveneens in met het verzoek van de GI.
5. De beoordeling
Bevoegdheid en toepasselijk recht
Uit de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, blijkt dat de ouders vanuit Eritrea naar Nederland zijn gekomen. Dit brengt met zich mee dat deze zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de rechter (ambtshalve) dient te beoordelen of zij in deze zaak internationaal bevoegd is. Indien dit het geval is, dient de rechter het toepasselijk recht te bepalen.
Op grond van het bepaalde in artikel 7 lid 1 van de Brussel II-ter Verordening (nr. 2019/1111) zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Omdat [minderjarige] is geboren in Nederland en hier zijn gewone verblijfplaats heeft, is de Nederlandse rechter internationaal bevoegd om kennis te nemen van het verzoek van de GI.
Nu de Nederlandse rechter bevoegd is op het verzoek te beslissen, zal op grond van het bepaalde in artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Nederlands recht op het verzoek worden toegepast.
Op grond van artikel 265 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) is de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, relatief bevoegd nu het verzoek een minderjarige betreft die woonplaats heeft in het arrondissement van deze rechtbank.
Inhoudelijke beoordeling
De GI baseert haar verzoek op artikel 1:253r BW jo. artikel 1:253q BW. Artikel 1:253q BW geeft een regeling voor het geval één of beide ouders onbevoegd is/zijn tot uitoefening van het gezag. Daarbij moet het gaan om een situatie waarin aanvankelijk één of beide ouders bevoegd was/waren tot het gezag, maar dat nadien op een van de in artikel 1:246 BW genoemde gronden niet meer is/zijn.
De moeder is minderjarig. Dit betekent dat zij op grond van artikel 1:246 BW niet bevoegd is tot het gezag en derhalve ook nooit het gezag over [minderjarige] heeft uitgeoefend. Er is geen andere ouder die het gezag uitoefent; de vader heeft [minderjarige] immers (nog) niet erkend. Artikel 1:253q BW is niet van toepassing, omdat- zoals gezegd- daarvoor sprake moet zijn van de situatie dat de moeder aanvankelijk bevoegd was tot het gezag. Om die reden zal de rechtbank op grond van artikel 25 Rv de rechtsgronden aanvullen en het verzoek beoordelen op basis van de artikelen 1:295 BW en 1:299 BW. Deze artikelen bepalen, voor zover hier van belang, dat de rechtbank op verzoek van een belanghebbende een voogd benoemt over alle minderjarigen die niet onder ouderlijk gezag staan en geen wettige voogd hebben
De rechtbank ziet de GI, als voogd van de minderjarige moeder, als belanghebbende in de zin van artikel 1:299 BW, waardoor de GI kan worden ontvangen in haar verzoek.
Nu de moeder vanwege haar minderjarigheid onbevoegd is om het gezag uit te oefenen en de vader geen gezag heeft, omdat hij [minderjarige] niet heeft erkend, staat [minderjarige] niet onder het wettelijk vereiste gezag. Daarom zal de rechtbank op grond van artikel 1:295 BW in de gezagsuitoefening over [minderjarige] voorzien en de GI benoemen tot voogdes over [minderjarige] . De rechtbank neemt in haar overweging mee dat de GI zich daartoe bereid heeft verklaard en dat de moeder hier schriftelijk in een akkoordverklaring en ter zitting mee in heeft gestemd.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is dat deze beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
6. De beslissing
De rechtbank:
benoemt de gecertificeerde instelling Stichting Nidos, locatie Utrecht, tot voogdes over de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedag 1] 2025 in [geboorteplaats 1] ;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het centraal gezagsregister.
Deze beschikking is gegeven door mr. Struijs, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2025, in aanwezigheid van mr. Van Oorschot als griffier. De schriftelijke uitwerking van deze beslissing is vastgesteld op 4 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.