RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 11651657 \ CV EXPL 25-1807
Vonnis van 29 oktober 2025
in de zaak van
[eiser] H.O.D.N. [handelsnaam],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. H.C.M. Schaeken,
tegen
1. [gedaagde 1] ,
te [plaats 2] ,2. [gedaagde 2],
te [plaats 2] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
procederend in persoon.
1. De zaak in het kort
[gedaagden] hebben [eiser] opdracht gegeven voor het ontwerpen van een woning. [eiser] vordert betaling van zijn daarvoor gestuurde factuur. [gedaagden] betwisten dat zij de factuur moeten betalen. De kantonrechter geeft hen ongelijk.
2. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 28 mei 2025
- de mondelinge behandeling van 30 september 2025, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
Ten slotte heeft de kantonrechter bepaald dat vonnis wordt gewezen.
3. De feiten
De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten:
- [gedaagden] hebben op 24 juni 2024 aan [eiser] opdracht gegeven om een ontwerp te maken voor een door hen nieuw te bouwen woning (voorontwerp en definitief ontwerp), een technische specificatie op te stellen, de contractvorming en gunning te verzorgen en zorg te dragen voor de uitvoering van het gereed ontwerp. Per onderdeel hebben partijen een vaste prijs afgesproken.
- In de overeenkomst zijn de volgende werkzaamheden opgenomen bij het maken van het voorontwerp [verder: VO]:
- In de overeenkomst zijn de volgende werkzaamheden opgenomen bij het maken van het definitief ontwerp [verder: DO]:
- Op de overeenkomst zijn de algemene voorwaarden consument-architect van 2013 van toepassing verklaard.
- [eiser] heeft de werkzaamheden voor het VO met zijn factuur van 19 augustus 2024 bij [gedaagden] in rekening gebracht. [gedaagden] hebben deze factuur na aanmaning betaald op 27 oktober 2024.
- Op 21 augustus 2024 was er overleg tussen partijen over ontwerp 1.3.
- Op 28 augustus 2024 heeft er telefonisch overleg plaatsgevonden tussen partijen in verband met twijfels bij [gedaagden] over de (uitstraling van de) voorgevel.
- [eiser] heeft eind augustus 2024 een ontwerp ingediend bij de Welstandscommissie van de gemeente Waalwijk [verder: Welstand].
- Op 1 september 2024 hebben [gedaagden] een bericht gestuurd aan [eiser] , waarin zij aangeven dat zij niet tevreden zijn over het ontwerpproces en het ontwerp zelf. Zij schrijven daarbij onder andere: “Wij wilden dat het werd stopgezet, hier werd niet op ingegaan. Er werd een voorstel gedaan om de voorgevel aan te passen en dat je die zou doorsturen. Dat heb je ook gedaan. Echter voelen we ons niet serieus genomen in dit stuk. […] Afgelopen week heb ik welstand gebeld om 'on hold' te zetten. […] we geloven dat je zeker een woning kan maken die wij heel mooi vinden en die bij ons past. […] en zijn tot de conclusie gekomen dat we de weg naar een bijzondere woning wel anders moeten gaan bewandelen. Dat betekent dat wij met elkaar moeten gaan bespreken wat wij van jou verwachten en jij van ons.”
- [eiser] heeft op 2 september 2024 een reactie gestuurd aan [gedaagden] . Daarin heeft hij geschreven dat hij verbaasd is over de brief, hoe het proces volgens hem tot dan toe is gelopen en waarom hij het ontwerp bij Welstand heeft ingediend. Tot slot geeft hij aan “als jullie meer tijd nodig hebben om te duiden wat [gedaagde 1] mist in de voorgevel, is dat prima.”
- Op 2 september 2024 hebben [gedaagden] het ontwerp bij Welstand ingetrokken.
- Op 20 september 2024 heeft [eiser] aan [gedaagden] per e-mail een bericht gestuurd. Daarin heeft hij onder meer opgenomen dat [gedaagden] inmiddels de plannen even hebben kunnen laten bezinken, welke werkzaamheden er tot dan zijn uitgevoerd en heeft hij een voorbeeld meegestuurd van een ontwerp met een gevel van een woning die hij voor anderen had ontworpen.
- Op 26 september 2024 hebben [gedaagden] daarop per e-mail gereageerd. In dit bericht hebben zij onder andere geschreven: “Als jou vraag is wat wij graag zouden zien, dan is het de sfeer en uitstraling van dat ontwerp. Als jij zoiets voor ons kan tekenen, en eigenlijk denken wij dat je dat kan, dan zijn we zeer tevreden. De uitstraling van het ontwerp van onze woning, is voor ons totaal verschillend als van het ontwerp wat je ons hebt meegestuurd. Daarnaast vinden we het ook fijn als we na een afspraak de tijd hebben om de tekeningen en de informatie te laten bezinken.[…]” Hierover hebben partijen op 9 oktober 2024 telefonisch overleg.
- Op 18 oktober 2024 hebben [gedaagden] aan [eiser] per e-mail laten weten dat ze gaan stoppen met hem als architect.
- Op 12 november 2024 heeft [eiser] bevestigd dat hij de beëindiging heeft ontvangen en dat op basis van de overeenkomst zal worden afgerekend naar de stand van het werk. Als bijlage heeft [eiser] een factuur gestuurd voor de werkzaamheden aan het DO voor een bedrag van € 4.356,00 inclusief btw. Op de factuur is aangegeven dat hij daarbij een coulancekorting van € 900,00 (20%) heeft toegepast.
- [gedaagden] hebben op 1 december 2024 bezwaar gemaakt tegen de factuur voor het DO.
- In reactie daarop heeft de gemachtigde van [eiser] op 3 december 2024 een sommatie gestuurd voor betaling van de factuur voor het DO.
- [gedaagden] hebben op 14 december 2024 - samengevat - laten weten dat zij volgens hen nog niet uit het VO-proces waren gekomen en dat zij daarom de factuur niet betalen.
4. Het geschil
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagden] tot betaling van € 4.356,00, vermeerderd met rente en kosten.
Daarbij voert hij aan dat hij de overeengekomen werkzaamheden voor het DO heeft verricht. Daarom moeten [gedaagden] voor deze werkzaamheden betalen zoals in de overeenkomst is bepaald. Omdat zij in verzuim zijn, moeten ze ook wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten betalen.
[gedaagden] voeren verweer. Zij zijn van mening dat zij de factuur voor het DO niet hoeven te betalen, omdat ze nog in het traject van het VO zaten. Voor het VO hebben ze betaald, ook al waren ze het nog niet met de voorgevel van het ontwerp eens. Volgens hen zijn in ieder geval niet alle overeengekomen werkzaamheden van het DO uitgevoerd. [gedaagden] zijn van mening dat [eiser] in het proces telkens wat stappen op hen vooruit liep en hen onvoldoende heeft meegenomen in het proces. Daarom hebben ze de overeenkomst beëindigd. Hun conclusie is dat de vorderingen van [eiser] daarom moeten worden afgewezen.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5. De beoordeling
De kantonrechter stelt voorop dat partijen het erover eens zijn dat de overeenkomst mocht worden beëindigd en rechtsgeldig is beëindigd door opzegging door [gedaagden] . Dat betekent dat de kantonrechter geen beoordeling geeft over de (aanleiding van de) beëindiging.
[eiser] mocht de uitgevoerde werkzaamheden voor het DO in rekening brengen
De kantonrechter moet wel beoordelen of [eiser] het bedrag dat in de overeenkomst is opgenomen voor het onderdeel ‘DO’ in rekening mocht brengen bij [gedaagden] .
[eiser] heeft toegelicht dat de werkzaamheden aan het VO geleidelijk zijn overgegaan in de werkzaamheden voor het DO. Hij heeft meerdere VO’s gemaakt en heeft uiteindelijk VO 1.3 verder uitgewerkt in een DO. Het DO was volgens hem zo ver klaar, dat dit naar Welstand kon worden gestuurd. Volgens [eiser] heeft hij alle werkzaamheden zoals op de overeenkomst staan omschreven bij het DO uitgevoerd. Hij is alleen niet bij het nog te plannen gesprek met Welstand geweest. Hoewel dat volgens hem ook niet hoeft, doet hij dat normaal gesproken wel. Daarom heeft hij een korting van 20% gegeven. Ter onderbouwing van de door hem uitgevoerde werkzaamheden heeft [eiser] diverse tekeningen overgelegd en een urenlijst met zijn werkzaamheden vanaf 24 april 2024 tot en met 27 januari 2025.
[gedaagden] hebben aangevoerd dat zij kort na het overleg op 21 augustus 2025 met [eiser] hebben afgesproken dat hij even zou stoppen met de werkzaamheden. Ze waren nog niet tevreden over het VO, omdat er in de voorgevel nog iets miste. Dat was volgens hen een belangrijk punt dat bij Welstand niet zomaar te wijzigen zou zijn. Ze hebben daarom het ontwerp bij Welstand ingetrokken en aan [eiser] laten weten dat ze een en ander wilden laten bezinken. Omdat de factuur van het VO was toegezonden op de dag van het overleg, zijn [gedaagden] van mening dat op dat moment nog steeds sprake was van een VO. Zij betwisten dat [eiser] alle werkzaamheden voor het DO heeft uitgevoerd.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagden] de factuur van [eiser] moeten betalen en overweegt daarover het volgende.
Ten eerste blijkt niet dat [gedaagden] met [eiser] in het gesprek van 21 augustus of kort daarna hebben afgesproken dat hij moest stoppen met alle werkzaamheden. Weliswaar hebben [gedaagden] aan [eiser] eind augustus aangegeven dat zij het ontwerp even wilden laten bezinken, maar zonder nadere toelichting - die ontbreekt - blijkt niet dat [eiser] daaruit heeft moeten begrijpen dat hij op dat moment helemaal geen werkzaamheden meer moest uitvoeren. [gedaagden] hebben ook erkend dat op 28 augustus nog een telefoongesprek heeft plaatsgevonden waarbij hun twijfels over de voorgevel zijn besproken en dat naar aanleiding daarvan het ontwerp nog verder werd aangepast. Dat betekent dat ervan moet worden uitgegaan dat de werkzaamheden die [eiser] heeft uitgevoerd na 21 augustus 2024 ook zijn verricht in het kader van de uitvoering van de opdracht die [gedaagden] hem hadden gegeven.
Ten tweede hebben [gedaagden] onvoldoende gemotiveerd betwist dat [eiser] de overeengekomen werkzaamheden in het kader van het DO, behalve het overleg met Welstand, heeft uitgevoerd. Op zijn urenlijst heeft [eiser] vanaf 16 augustus 2024 werkzaamheden opgenomen die zien op het “definitief ontwerp 1.3”. [gedaagden] hebben niet betwist dat van de diverse door [eiser] gemaakte ontwerpen het ontwerp met nummer 1.3 verder uitgewerkt zou worden door [eiser] en ook daadwerkelijk meerdere keren is aangepast. Weliswaar hebben [gedaagden] betoogd dat volgens hen het VO nog niet in orde was, omdat de voorgevel nog niet aan hun wensen voldeed, maar daaruit volgt niet zondermeer dat daarom nog geen sprake kan zijn van een DO. Dat geldt te meer, omdat zij niet hebben betwist dat zij over alle andere onderdelen van het ontwerp, zowel binnen als buiten, wel tevreden waren.
Op grond hiervan is de kantonechter van oordeel dat inmiddels sprake was van een DO en dat [eiser] de voor het DO afgesproken werkzaamheden, afgezien van het overleg met Welstand, heeft uitgevoerd en mocht factureren. Daarom wijst de kantonrechter de vordering tot betaling van de factuur voor een bedrag van € 4.356,00 toe.
Op grond van artikel 6:119 BW (Burgerlijk Wetboek) is een partij wettelijke rente verschuldigd vanaf de dag van verzuim. Daarvan is sprake als een partij niet op tijd aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan. Omdat vast staat dat [gedaagden] het gevorderde bedrag niet op tijd hebben betaald, zal de kantonrechter de wettelijke rente zoals gevorderd toewijzen.
[eiser] vordert ook vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Deze vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Omdat [gedaagden] consument zijn (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf), moet de kantonrechter ook controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen zoals opgenomen in lid 6 van artikel 6:96 BW. De kantonrechter constateert dat daaraan is voldaan. Ook is de hoogte van het gevorderde bedrag van € 678,33 in overeenstemming met het Besluit. Dat betekent dat de kantonrechter dit bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten zal toewijzen.
[gedaagden] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
122,16
- griffierecht
€
257,00
- salaris gemachtigde
€
678,00
(2 punten × € 339,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.192,16
6. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagden] om aan [eiser] te betalen:
een bedrag van € 4.356,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 18 december 2024, tot de dag van volledige betaling,
een bedrag van € 678,55 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten van € 1.192,16, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Tilman-Knoester en in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2025.