ECLI:NL:RBZWB:2025:7998

ECLI:NL:RBZWB:2025:7998, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 20-11-2025, 25/3623

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 20-11-2025
Datum publicatie 28-11-2025
Zaaknummer 25/3623
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Breda
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854

Samenvatting

Verzoek om naturalisatie afgewezen wegens ernstig vermoeden gevaar voor de openbare orde. Geen bijzondere omstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 november 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

Samenvatting

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 25/3623

(gemachtigde: mr. D.T. Stoof),

en

(gemachtigde: mr. S. Brock).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eiser om verkrijging van het Nederlanderschap (naturalisatie). Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de staatssecretaris het verzoek van eiser op goede gronden heeft afgewezen.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de staatssecretaris het verzoek van eiser op goede gronden heeft afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 7. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiser heeft een verzoek om naturalisatie ingediend. De staatssecretaris heeft dit verzoek met het besluit van 28 mei 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van

3 juli 2025 op het bezwaar van eiser is de staatssecretaris bij de afwijzing van het verzoek gebleven.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De staatssecretaris heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 13 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen de gemachtigde van de staatssecretaris. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiser heeft de Syrische nationaliteit. Hij verblijft in Nederland met een verblijfsvergunning.

Op 4 februari 2025 heeft eiser een verzoek om naturalisatie en medenaturalisatie van zijn minderjarige kind ( [naam] , geboren [2020] ) ingediend bij de staatssecretaris.

Op 19 mei 2025 heeft de staatssecretaris laten weten voornemens te zijn om dit verzoek af te wijzen. Eiser heeft een zienswijze ingediend.

Bij besluit van 28 mei 2025 (primaire besluit) heeft de staatssecretaris, met inachtneming van de zienswijze, het naturalisatieverzoek van eiser en zijn kind afgewezen, omdat ernstige vermoedens bestaan dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). De reden hiervoor is dat eiser bij vonnis van 23 januari 2023 (onherroepelijk op diezelfde datum) door de politierechter van deze rechtbank is veroordeeld tot een taakstraf van 70 uren, waarvan 30 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, wegens mishandeling (artikel 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht). Op 20 maart 2023 heeft eiser de taakstraf voltooid.

Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Met het bestreden besluit heeft de staatssecretaris het bezwaar (kennelijk) ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

Juridisch kader

4. Op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN wordt het verzoek om naturalisatie van een vreemdeling die voldoet aan de artikel 7 en 8 van de RWN niettemin afgewezen, indien op grond van het gedrag van de verzoeker ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden, of de veiligheid van het Koninkrijk.

In de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de Handleiding) is het beleid van de staatssecretaris beschreven, waarin staat wanneer er dergelijke ernstige vermoedens zijn. In de Handleiding staat dat een naturalisatieverzoek wordt geweigerd, indien in de periode van vijf jaar direct voorafgaande aan het verzoek of de beslissing daarop, een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer is gelegd. De periode van vijf jaar wordt de rehabilitatietermijn genoemd. Deze termijn vangt aan op het moment dat de sanctionering onherroepelijk is geworden, of op het moment dat de opgelegde sanctie is uitgevoerd.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), de hoogste bestuursrechter in dit soort zaken, dient het beleid neergelegd in de Handleiding als uitgangspunt bij de beoordeling of sprake is van ernstige vermoedens dat eiser gevaar oplevert voor de openbare orde.

Uit paragraaf 6 van de toelichting op artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN in de Handleiding volgt dat zich in een concreet individueel geval heel bijzondere feiten en omstandigheden kunnen voordoen, die tot gevolg hebben dat alleen maar tot een juiste wetstoepassing kan worden gekomen door van de regels in de Handleiding af te wijken.

Beroepsgronden

5. Eiser stelt dat sprake is van bijzondere omstandigheden die een afwijking van het beleid zoals neergelegd in de Handleiding rechtvaardigen.

Eiser stelt daartoe dat sinds de veroordeling sprake is geweest van een gedragsverandering, dat hij de hem opgelegde taakstraf volledig en binnen de gestelde termijn heeft verricht en dat geen sprake is van recidive.

Eiser voert verder aan dat hij actief bezig is geweest met zijn maatschappelijke integratie en arbeidsparticipatie, nu hij sinds kort werkzaam is in de kledingreparatiesector en daarmee in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien. Naturalisatie zou zijn arbeidspositie versterken, zijn rechtszekerheid vergroten en hem betere perspectieven bieden op langdurige en stabiele economische participatie.

Eiser stelt ook nog dat naturalisatie van wezenlijk belang is gelet op zijn rol als vader van twee reeds genaturaliseerde kinderen. Een ongelijke rechtspositie binnen het gezin belemmert zijn rol als ouder en opvoeder en zet het gezinsleven structureel onder druk, aldus eiser.

6. Daarnaast stelt eiser dat het besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, nu volgens hem geen evenwichtige belangenafweging heeft plaatsgevonden.

Overwegingen van de rechtbank

7. Niet in geschil is dat eiser bij vonnis van 23 januari 2023 door de politierechter van deze rechtbank is veroordeeld tot een taakstraf van 70 uren, waarvan 30 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, wegens mishandeling en dat hij op

20 maart 2023 de aan hem opgelegde taakstraf heeft voltooid. Dat betekent dat de rehabilitatietermijn ten tijde van het indienen van het verzoek nog liep en ook nu nog niet is verstreken.. Evenmin in geschil is dat eiser daarmee op grond van het beleid zoals neergelegd in de Handleiding op dit moment niet in aanmerking komt voor naturalisatie, omdat op basis van het voorgaande ernstige vermoedens bestaan dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde.

8. Eiser heeft aangevoerd dat sprake is van bijzondere omstandigheden die een afwijking van het beleid rechtvaardigen en dat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.

9. De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak van de ABRvS volgt dat de beoordeling van de evenredigheid in het kader van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in het geval van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN, samenvalt met de beoordeling in het kader van de Handleiding, paragraaf 6 van het beleid voor artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN. In het kader van paragraaf 6 kan een verzoeker bijzondere feiten en omstandigheden naar voren brengen die al dan niet leiden tot de conclusie dat hij geen gevaar vormt voor de openbare orde. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris zich in dit geval terecht op het standpunt heeft gesteld dat de omstandigheden die eiser heeft aangevoerd niet zodanig bijzonder zijn dat de staatssecretaris van het beleid in de Handleiding had moeten afwijken.

10. De rechtbank stelt voorop dat het volgens paragraaf 6 van de Handleiding van het grootste belang is voor de eenduidigheid, de rechtszekerheid en de rechtsgelijkheid dat niet snel van de regels wordt afgeweken en dat hierbij zeer grote terughoudendheid moet worden betracht. Daarbij worden in de Handleiding uitdrukkelijk een aantal omstandigheden genoemd die volgens rechtspraak van de ABRvS in het algemeen niet als bijzondere omstandigheden kunnen worden aangemerkt, zoals de omstandigheid dat iemand lering heeft getrokken uit het gebeurde, en/of thans ieder strafbaar gedrag poogt te vermijden, en/of inmiddels zijn leven aanzienlijk heeft verbeterd en/of als enige binnen het gezin geen Nederlander is. De rechtbank is van oordeel dat de door eiser aangevoerde omstandigheden hieronder kunnen worden geschaard. Deze door eiser genoemde omstandigheden kunnen niet als zodanig bijzonder worden aangemerkt dat deze tot de conclusie zouden kunnen leiden dat eiser geen gevaar meer vormt voor de openbare orde. Eiser heeft ook niet nader onderbouwd waarom deze omstandigheden in zijn geval wel tot deze conclusie zouden moeten leiden.

Conclusie en gevolgen

11. Gelet op het voorgaande verklaart de rechtbank het beroep van eiser ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, rechter, in aanwezigheid van mr. C.F.E.M. Mes, griffier, op 20 novemer 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Artikel 4:84

Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN)

Artikel 7

1. Met inachtneming van de bepalingen van dit Hoofdstuk verlenen Wij op voordracht van Onze Minister het Nederlanderschap aan vreemdelingen die daarom verzoeken.

(…)

Artikel 8

1. Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker

a. die meerderjarig is;

b. tegen wiens verblijf voor onbepaalde tijd in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, geen bedenkingen bestaan;

c. die tenminste sedert vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, toelating en hoofdverblijf heeft;

d. die in het Koninkrijk en het land van ingezetenschap als ingeburgerd kan worden beschouwd op grond van het feit dat hij beschikt over een bij algemene maatregel van rijksbestuur te bepalen mate van kennis van de Nederlandse taal en – indien hij in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba hoofdverblijf heeft – de taal die op het eiland van het hoofdverblijf gangbaar is, alsmede van de staatsinrichting en maatschappij van het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, en hij zich ook overigens in een van deze samenlevingen heeft doen opnemen; en

e. die verklaart bereid te zijn bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen. Het besluit tot verlening wordt niet bekend gemaakt dan nadat de verklaring daadwerkelijk is afgelegd.

(…)

Artikel 9

1. Het verzoek van een vreemdeling die voldoet aan de artikelen 7 en 8 wordt niettemin afgewezen, indien

a. op grond van het gedrag van de verzoeker ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden, of de veiligheid van het Koninkrijk;

b. de verzoeker die een andere nationaliteit bezit, niet het mogelijke heeft gedaan om die nationaliteit te verliezen dan wel niet bereid is het mogelijke te zullen doen om, na de totstandkoming van de naturalisatie, die nationaliteit te verliezen, tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden verlangd;

c. de verzoeker op wie een van de uitzonderingen van artikel 8, tweede lid, van toepassing is, zijn hoofdverblijf heeft in het land waarvan hij onderdaan is.

(…)

De Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de Handleiding)

9. 1-a. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a

(…)

Paragraaf 1. Samenvatting openbare-ordebeleid

Hieronder wordt uiteengezet wanneer ernstige vermoedens bestaan dat de vreemdeling een gevaar oplevert voor de openbare orde of de veiligheid van het Koninkrijk. Daarbij staan centraal de verwachtingen over het toekomstige gedrag van de vreemdeling. Die verwachtingen worden gebaseerd op zijn gedrag in het heden en het recente verleden. Samengevat komt het beleid erop neer dat de naturalisatie of optie wordt geweigerd, als:

(…)

4. in de periode van vijf jaar direct voorafgaande aan de indiening van het verzoek/de afgelegde optieverklaring of de beslissing daarop, een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer is gelegd (zie paragraaf 5). Met sanctie wordt hier ook bedoeld iedere:

(…)

b. taakstraf van 36 uur of meer, dan wel meerdere taakstraffen van 18 uur of meer, met een totaal van 54 uur of meer;

(…)

Paragraaf 5. Afwijzing als in de periode van vijf jaar direct voorafgaande aan het verzoek om naturalisatie of optieverklaring (of de beslissing daarop) een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer gelegd

De vreemdeling mag in de periode van vijf jaren (de zogenaamde rehabilitatietermijn van vijf jaar) direct voorafgaande aan het verzoek om naturalisatie of optieverklaring of de beslissing daarop niet onderworpen zijn geweest aan sanctionering van een misdrijf of aan de gevolgen daarvan. Daarbij geldt dat de volgende sancties leiden tot weigering van naturalisatie of optie:

(…)

b. iedere taakstraf van 36 uur of meer, dan wel meerdere taakstraffen van 18 uur of meer, met een totaal van 54 uur of meer;

(…)

De naturalisatie of optie wordt ook geweigerd, als er in die periode van vijf jaar een sanctie ten uitvoer is gelegd. De sanctie is tenuitvoergelegd:

a. ingeval van vrijheidsbenemende straf of maatregel: op de datum van invrijheidstelling;

b. ingeval van taakstraf: op de datum waarop de taakstraf is voltooid;

(…)

Paragraaf 6. Afwijking slechts mogelijk in geval van zeer bijzondere omstandigheden

Bovenstaande regels geven een nadere invulling van het criterium ‘ernstig gevaar voor de openbare orde’ (in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN en artikel 6, vierde lid, RWN). Zij moeten door iedereen op dezelfde wijze worden uitgevoerd. Deze regels vervangen de genoemde artikelen niet. Zij sluiten dus ook niet uit dat zich in een concreet individueel geval heel bijzondere feiten of omstandigheden kunnen voordoen, die tot gevolg hebben dat alleen maar tot een juiste wetstoepassing kan worden gekomen door van deze regels af te wijken. Bij de toepassing van deze regels moet men er dus altijd op bedacht zijn dat zich in een concreet individueel geval heel bijzondere feiten of omstandigheden kunnen voordoen, die afwijking noodzakelijk kunnen maken.

Het is in zeer bijzondere gevallen dus mogelijk dat een naturalisatie of optie dat op grond van bovenstaande regels zou moeten worden geweigerd, toch moet worden ingewilligd of worden bevestigd. Anderzijds is het in zeer bijzondere gevallen dus ook mogelijk dat een bepaald verzoek of optie dat niet onder een van bovenstaande regels kan worden gebracht, toch moet worden afgewezen of geweigerd, omdat er ernstige vermoedens bestaan dat de vreemdeling een gevaar voor de openbare orde vormt. Het is immers niet mogelijk om ieder individueel geval dat zich ooit zal kunnen voordoen, van te voren te voorzien en daarvoor een regel op te stellen. Een dergelijk verzoek of optie moet dan apart worden onderzocht en beoordeeld. Voor een dergelijk verzoek of optie zal dan een oplossing moeten worden gevonden die aansluit bij de algemene uitgangspunten van het beleid en bij de wél in dit hoofdstuk van de Handleiding RWN 2003 geregelde situaties. Een en ander neemt niet weg dat het voor de eenduidigheid, de rechtszekerheid en de rechtsgelijkheid van het grootste belang is dat niet snel van bovenstaande regels wordt afgeweken. Er moet zeer grote terughoudendheid worden betracht.

Een bijzondere omstandigheid kan in het algemeen worden omschreven als een omstandigheid die wel belangrijk is, maar waaraan bij het opstellen van de regels niet of onvoldoende kon worden gedacht. Juist omdat het bijzondere omstandigheden zijn, kan niet van tevoren worden aangegeven welke omstandigheden zo bijzonder zijn dat zij tot afwijking van de regels in dit hoofdstuk moeten leiden.

Uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), kan echter wel worden afgeleid welke omstandigheden in het algemeen niet als bijzondere omstandigheden worden aangemerkt. Niet bijzonder is bijvoorbeeld dat de vreemdeling:

(…)

Evenmin kunnen als bijzonder worden aangemerkt omstandigheden die hebben geleid of bijgedragen tot het misdrijf, aangezien die omstandigheden, voorzover zij als verzachtende omstandigheden hebben te gelden, door de strafrechter bij diens oordeel zijn betrokken. Deze voorbeelden zijn niet-limitatief.

(…)

De beoordeling van bijzondere omstandigheden gebeurt bij naturalisatie bij de IND, en bij optie bij de burgemeester. Die bijzondere omstandigheden kunnen hoogstens leiden tot de conclusie dat de vreemdeling geen gevaar vormt voor de openbare orde. Als wel sprake is van ernstige vermoedens dat de vreemdeling een gevaar voor de openbare orde vormt, moet naturalisatie of optie worden geweigerd. Daarvan kan bij naturalisatie niet met toepassing van artikel 10 RWN worden afgeweken.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?