2. De feiten
Blijkens de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- Partijen hebben een relatie met elkaar gehad.
- [minderjarige] is geboren op [geboortedag] 2024.
- De vrouw is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
- Er is geen rechterlijke uitspraak van kracht ter zake de omgang tussen de man en [minderjarige] .
- De man heeft een contactverbod, hij mag geen contact hebben met de vrouw, en een locatieverbod voor [plaats 3] .
3. Het verzoek
De man verzoekt bij wege van voorlopige voorziening ex artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) een voorlopige omgangsregeling vast te stellen, inhoudende dat [minderjarige] eenmaal in de twee weken van vrijdag 13:00 uur tot zondag 16:00 uur bij de man zal verblijven (waarbij de man hem op vrijdag ophaalt en de vrouw op zondag), althans een omgangsregeling door de rechtbank in goede justitie te bepalen, totdat in de hoofdzaak (definitief) zal zijn beslist.
4. De beoordeling
De man legt aan zijn verzoek ten grondslag dat partijen in 2021 een affectieve relatie hebben gekregen. Hoewel de man in het begin van de relatie een aantal maanden in detentie heeft doorgebracht, verliep de relatie goed. Na twee jaar raakte de vrouw ook zwanger. De zwangerschap verliep voorspoedig, totdat de vrouw op enig moment melding deed bij de politie. Zij stelde dat de man haar in februari 2024 zou hebben mishandeld, hetgeen de man altijd stellig heeft ontkend. De vrouw heeft verdere medewerking aan het politieonderzoek ook geweigerd en de man is ten aanzien van deze verdenking integraal vrijgesproken. Voornoemde melding bij de politie betekende wel het einde van de relatie tussen partijen. De man is vervolgens in de (gezamenlijke) woning in [plaats 1] blijven wonen en de vrouw is naar haar moeder in [plaats 3] verhuisd. In mei 2024 beviel de vrouw van [minderjarige] . De man was daar, tot zijn verdriet, niet bij aanwezig. Toen hij werd gebeld door de vrouw en in het ziekenhuis arriveerde, was [minderjarige] reeds geboren. Aldaar heeft hij [minderjarige] kort kunnen vasthouden. Twee weken na de geboorte is de vrouw samen met [minderjarige] bij de man op bezoek geweest. Zij hebben een paar dagen in de woning van de man verbleven, waarna de vrouw met [minderjarige] is teruggekeerd naar [plaats 3] . Partijen hadden de afspraak dat de man bij [minderjarige] langs kon komen wanneer hij wilde. Vanaf september 2024 verslechterde echter de band tussen partijen. De vrouw heeft op enig moment ook het nummer van de man geblokkeerd en al het contact met hem verbroken. De man heeft [minderjarige] sinds september 2024 niet meer kunnen zien of spreken. In maart 2025 heeft de man middels een brief van zijn advocaat verzocht om contactherstel. Een reactie op die brief is echter uitgebleven. Vervolgens heeft de man nog eenmaal getracht om met de vrouw in contact te komen. Hij is bij haar woning in [plaats 3] geweest en heeft daar aangebeld. Toen de deur niet open werd gedaan, heeft de man geld achtergelaten voor [minderjarige] en is weer vertrokken. Tot zijn schrik werd hij niet veel later door de politie staande gehouden, omdat de politie een melding had gekregen dat de man zich ongewenst bij de woning had opgehouden. De man heeft vervolgens de situatie aan de politie uitgelegd en mocht daarna zijn weg vervolgen. Er heeft dus tot september 2024 contact tussen [minderjarige] en de man plaatsgevonden. De man meent dat het geenszins in het belang van [minderjarige] is dat de vrouw het contact toen geheel heeft gestopt. Hiermee wordt de band, die [minderjarige] en de man aan het opbouwen waren, verstoord en dat is gelet op de jonge leeftijd van [minderjarige] niet wenselijk. De man wenst dan ook dat het contact tussen hen spoedig zal worden hersteld en dat er een structurele omgangsregeling gaat gelden. Nu het naar verwachting nog enige tijd zal duren voordat een zitting zal worden gepland en de vrouw al meer dan zes maanden niet meewerkt aan hervatting van de omgang, heeft de man een spoedeisend belang bij het treffen van een provisionele voorziening, inhoudende het vaststellen van een tijdelijke omgangsregeling.
In aanvulling hierop is door en namens de man tijdens de mondelinge behandeling nog aangevoerd dat hij [minderjarige] op 24 oktober 2024 voor de laatste heeft gezien. De vrouw heeft in mei 2025, nadat haar bekend is geworden dat de man deze procedure is gestart, bij de politie aangifte gedaan tegen de man. De man heeft op het politiebureau zijn verhaal gedaan en mocht vervolgens het politiebureau verlaten met een locatieverbod, een contactverbod met de vrouw en een enkelband. Deze voorwaarden gelden totdat de zaak tegen de man bij de rechtbank voorkomt. De man heeft hiervan nog geen datum gekregen. Een locatieverbod en een contactverbod met de vrouw hoeft echter aan omgang tussen de man en [minderjarige] niet in de weg te staan. [minderjarige] kan eventueel door de moeder van de man of iemand anders uit zijn netwerk of het netwerk van de vrouw bij de vrouw worden opgehaald en naar de man worden gebracht. Omgang kan ook op een neutrale plek plaatsvinden, bijvoorbeeld in een omgangshuis, waarbij de vrouw [minderjarige] eerst afzet en de man daarna komt, zodat partijen elkaar niet hoeft te treffen. De man vindt het van groot belang dat er zo spoedig als mogelijk omgang met [minderjarige] zal zijn. [minderjarige] is nog jong. Het is voor hem belangrijk dat hij een band met zijn vader kan gaan opbouwen en zich aan zijn vader kan gaan hechten. De man is van mening dat hiermee niet kan worden gewacht tot aan de bodemprocedure. Hij heeft weliswaar sinds het stopzetten van omgang tussen hem en [minderjarige] enige tijd gewacht met het opstarten van deze procedure, maar hij hoopte dat in deze periode de situatie tussen partijen zou bekoelen en er weer tot omgang zou worden gekomen. Dit is helaas niet gebeurd.
Namens de Raad is tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat de Raad te weinig informatie heeft om vooruitlopend op de hoofdzaak tot omgang tussen de man en [minderjarige] te adviseren. Daarbij is de Raad wel duidelijk geworden dat er het nodige tussen de ouders speelt en dat het hen niet lukt om samen ouder voor [minderjarige] te zijn. De Raad adviseert dan ook om het verzoek van man af te wijzen.
De vrouw is niet op de mondelinge behandeling verschenen. De rechtbank heeft tijdens de mondelinge behandeling het door haar gedane verzoek om uitstel van de mondelinge behandeling, welk verzoek door de rechtbank vóór de zitting reeds was afgewezen omdat de vrouw naar het oordeel van de rechtbank voldoende tijd heeft gehad om een advocaat te vinden, voorgehouden. De vrouw heeft wel het aanbod gekregen dat zij via teams zou kunnen aansluiten bij de mondelinge behandeling.
In haar e-mail aan de rechtbank heeft de vrouw aangegeven dat het gezamenlijk aanwezig zijn in dezelfde ruimte als de man zeer traumatisch voor haar zou zijn. De vrouw is immers tijdens haar zwangerschap zwaar door de man mishandeld. Ook is zij gedurende zeven maanden door hem gestalkt en, net als [minderjarige] , door hem met de dood bedreigd. Daarnaast heeft de vrouw aangegeven dat er op dit moment een aangifte tegen de man loopt en dat hij in afwachting van een strafzitting verblijft onder de voorwaarden van een contactverbod, een locatieverbod en elektronische monitoring.
Ontvankelijkheid
In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv worden verzocht (HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533).
Naar het oordeel van de rechtbank hangt het onderhavige verzoek tot vaststelling van voorlopige omgangsregeling samen met het verzoek in de hoofdzaak, zodat de man kan worden ontvangen in haar verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank stelt voorop dat voor toewijzing van een verzoek in het kader van artikel 223 Rv slechts plaats is, indien er naar het oordeel van de rechtbank voldoende belang bestaat in die zin dat van partijen niet gevergd kan worden dat zij de afloop van de hoofdzaak afwachten. Daarnaast dient de rechtbank de belangen van partijen af te wegen tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de hoofdzaak en van de proceskansen daarin.
De rechtbank stelt op basis van de stukken vast dat de man in september/oktober 2024 voor de laatste keer omgang met [minderjarige] heeft gehad. Hij heeft vervolgens op 15 april 2025 onderhavige verzoek ingediend om weer tot omgang met [minderjarige] te kunnen komen. De mondelinge behandeling van de met dit verzoek samenhangende hoofdzaak zal op 9 september 2025 plaatsvinden. Daarnaast heeft de vrouw aangifte gedaan tegen de man. Als gevolg hiervan heeft de man momenteel een contactverbod met de vrouw en een locatieverbod.
Gelet op het (grote) tijdsverloop tussen het laatste omgangsmoment tussen [minderjarige] en de man en het indienen van het onderhavige verzoek en op de (nabije) datum waarop de mondelinge behandeling van de hoofdzaak zal plaatsvinden, is de rechtbank van oordeel dat van de man gevergd kan worden dat hij de afloop van de hoofdzaak zal afwachten. Daarbij heeft de rechtbank ook in aanmerking genomen dat [minderjarige] pas 1 jaar oud is. Hij heeft de man sinds september/oktober 2024 niet meer gezien en zal hem dus niet meer kennen. Daarnaast heeft de man een contactverbod met de vrouw en een locatieverbod voor [plaats 3] . Omgang tussen de man en [minderjarige] kan, zo dit al in het belang van [minderjarige] wordt geacht, gezien deze verboden niet door de man en de vrouw samen worden gerealiseerd. Hierbij zou een derde moeten worden betrokken. De rechtbank vindt het echter niet in het belang van [minderjarige] om, zonder dat in de bodemzaak is beslist over de juridische status van de man èn hieraan een zorgvuldig traject vooraf is gegaan, met de hulp van een derde omgang met de man te hebben. Hiervoor is niet alleen de nog zeer jonge leeftijd van [minderjarige] redengevend, maar ook de zorgelijke signalen over hetgeen zich tijdens en na de relatie tussen partijen zou hebben voorgedaan. De rechtbank zal het verzoek van de man dan ook afwijzen.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5. De beslissing
De rechtbank
wijst het verzoek van de man af;
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Triest, en, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2025.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.