2. De nadere beoordeling
Bij voormelde beschikking heeft de rechtbank mr. A.T.T. van Ginderen benoemd tot bijzondere curator over [minderjarige] . De rechtbank heeft de bijzondere curator verzocht schriftelijk verslag te doen van haar bevindingen en daarbij een standpunt over het verzoek in te nemen.
Aan de rechtbank ligt nog het verzoek van de man voor om aan hem vervangende toestemming te verlenen voor de erkenning van [minderjarige] .
Op grond van de overgelegde stukken staat het volgende vast:
- De man en de moeder hebben een affectieve relatie. Uit die relatie is [minderjarige] geboren.
- Op de geboorteakte van [minderjarige] staat alleen de moeder als ouder vermeld.
- De man heeft [minderjarige] niet erkend.
- De moeder staat vanaf 13 juni 2014 onder curatele vanwege haar lichamelijke of geestelijke toestand.
- Bij beschikking van 2 juli 2024 heeft de kinderrechter de GI belast met de voorlopige voogdij over de toen nog ongeboren [minderjarige] .
- Bij beschikking van 24 juli 2024 heeft de kinderrechter de GI belast met de tijdelijke voogdij over [minderjarige] .
- [minderjarige] verblijft in een pleeggezin.
De man legt aan zijn verzoek ten grondslag dat hij in 2023 een relatie heeft gekregen met de moeder. Tijdens de relatie is de moeder zwanger geraakt. De moeder woonde toen bij [accommodatie 1] in [plaats 3] en de man bij zijn ouders in [plaats 4] . Uiteindelijk zijn zij begeleid gaan wonen bij [accommodatie 2] in [plaats 1] . Tijdens de zwangerschap is gebleken dat er een gezagsvacuüm zou ontstaan bij de geboorte van [minderjarige] , omdat de moeder onder curatele staat. Daarom is de GI in eerste instantie belast met de voorlopige voogdij en vervolgens met de tijdelijke voogdij over [minderjarige] . [minderjarige] is na zijn geboorte in een pleeggezin geplaatst. De man en de moeder zien [minderjarige] momenteel één uur in de week. Dit zal worden uitgebreid naar twee uur in de week. De man is de verwekker van [minderjarige] . Hij wil graag middels een erkenning in een familierechtelijke betrekking met [minderjarige] komen staan. De man vindt het in het belang van de identiteitsontwikkeling van [minderjarige] dat hij weet wie zijn vader is. Daarnaast wenst de man ook verder betrokken te worden in het leven van [minderjarige] en daarbij de verantwoordelijkheden te nemen die bij het juridisch ouderschap horen. Omdat de moeder onder curatele staat, kan zij de man geen toestemming geven om [minderjarige] te erkennen. Daarom is de man deze procedure gestart. De man is van mening dat door een erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met [minderjarige] niet worden geschaad en een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van [minderjarige] niet in het gedrang komt.
Door en namens de man is tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat het, ook voor de curator van de moeder, voorafgaand aan de indiening van dit verzoek niet duidelijk was of de moeder toestemming voor een erkenning wilde geven. Daarom heeft de advocaat van de man ervoor gekozen om deze procedure bij de rechtbank aanhangig te maken en niet bij de kantonrechter om toestemming voor de erkenning te vragen. Voor de man is het belangrijk dat hij op papier de vader wordt van [minderjarige] . Hij heeft op dit moment nog niet de intentie om hiernaast ook met het gezag over [minderjarige] te worden belast.
Door en namens de moeder is tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat er voorafgaande aan de indiening van dit verzoek wat onrust was tussen de man en de moeder. Daarom heeft de curator van de moeder er niet voor gekozen om bij de kantonrechter om toestemming voor de erkenning van [minderjarige] door de man te vragen. Inmiddels lijkt de moeder het met de erkenning door de man eens te zijn, hoewel het de vraag is of zij de gevolgen hiervan kan overzien. Voor de moeder staat wel vast dat de man de biologische vader is van [minderjarige] . Namens de moeder wordt verzocht om op het verzoek van de man een beslissing te nemen die in het belang van [minderjarige] is.
De bijzondere curator heeft in haar verslag naar voren gebracht dat door alle betrokkenen wordt vooropgesteld dat er geen twijfel is over het biologische vaderschap van de man. Tevens wordt door de moeder, de man en de GI benadrukt dat het in het belang van [minderjarige] is dat het juridisch vaderschap in overeenstemming is met het biologisch vaderschap. Ook de bijzondere curator is van mening dat dit in het belang van [minderjarige] is. Bovendien vindt de bijzondere curator het voorstelbaar dat de man graag in een gelijke mate als de moeder, derhalve als juridisch ouder zonder gezag, wordt betrokken bij het overleg over [minderjarige] en op dezelfde wijze wordt geraadpleegd en geïnformeerd. De bijzondere curator is dan ook van mening dat het verzoek van de man om aan hem vervangende toestemming voor de erkenning van [minderjarige] te verlenen moet worden toegewezen.
In aanvulling hierop heeft de bijzondere curator tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat de curator van de moeder zich afvroeg wat de moeder nu precies wilde ten aanzien van de erkenning van [minderjarige] door de man. De moeder heeft tegenover de bijzondere curator evenwel aangegeven dat zij achter een erkenning van [minderjarige] door de man staat. De bijzondere curator blijft dan ook van mening dat het verzoek van de man moet worden toegewezen. De man is sinds de geboorte van [minderjarige] bij hem betrokken en woont met de moeder samen. Het zal de man ook rust geven als zijn verzoek wordt ingewilligd.
Namens de GI is tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat de GI niet kan vaststellen of de moeder bij de bijzondere curator de ruimte heeft gevoeld om te zeggen wat zij van een erkenning van [minderjarige] door de man vindt. Over het algemeen geeft de moeder eerlijk aan wat zij over iets vindt. Als zij bij de bijzondere curator heeft aangegeven dat zij achter een erkenning door de man staat, dan zal dit naar alle waarschijnlijkheid ook zo zijn.
De rechtbank overweegt als volgt.
In artikel 1:204, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat, voor zover hier van belang, dat de toestemming van de moeder wier kind de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, op verzoek van de persoon die het kind wil erkennen, door de toestemming van de rechtbank kan worden vervangen, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt en die persoon de verwekker is van het kind. In het vijfde lid van dit artikel staat dat een persoon die wegens zijn lichamelijke of geestelijke toestand onder curatele staat, slechts mag erkennen of toestemming mag verlenen voor erkenning nadat er toestemming is verkregen van de kantonrechter.
De rechtbank stelt op basis van de stukken en de mondelinge behandeling vast dat voor de man en de moeder vast staat dat de man de verwekker is van [minderjarige] . De moeder lijkt (inmiddels) toestemming voor een erkenning van [minderjarige] door de man te geven. In dit geval had zij, omdat zij vanwege haar lichamelijke of geestelijke toestand onder curatele staat, op grond van artikel 1:204, vijfde lid, BW bij de kantonrechter om toestemming voor het geven van toestemming voor de erkenning moeten vragen. Door de bij de moeder betrokkenen, waaronder haar curator, wordt echter aangegeven dat het de vraag is of de moeder inderdaad toestemming voor de erkenning van [minderjarige] door de man wil geven en of zij de gevolgen hiervan kan overzien. De rechtbank gaat er gelet hierop dan ook vanuit dat de moeder geen toestemming voor de erkenning geeft. In dat geval kan de toestemming van de moeder worden vervangen door de toestemming van de rechtbank. Dit betekent dat de man kan worden ontvangen in zijn verzoek. De rechtbank zal hierop een inhoudelijke beoordeling geven.
Bij de beoordeling van een verzoek tot het verlenen van vervangende toestemming komt het aan op een afweging van de belangen van de betrokkenen, waarbij tot uitgangspunt dient te worden genomen dat zowel het kind als de verwekker aanspraak erop heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke rechtsbetrekking. Door de rechtbank zal de aanspraak van de man op erkenning moeten worden afgewogen tegen de belangen van de moeder en [minderjarige] bij niet erkenning. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de man en de moeder met elkaar samenwonen en de man vanaf de geboorte van [minderjarige] bij hem is betrokken. De rechtbank vindt het dan ook in het belang van [minderjarige] dat de relatie met zijn vader, net zoals de relatie met zijn moeder, rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. Daarbij is niet gebleken dat door een erkenning door de man de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met [minderjarige] worden geschaad of dat hierdoor een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van [minderjarige] in het gedrang komt. De rechtbank zal het verzoek van de man om aan hem vervangende toestemming te verlenen voor de erkenning van [minderjarige] dan ook toewijzen.
De rechtbank is van oordeel dat de taak van de bijzondere curator in deze procedure als beëindigd kan worden beschouwd. Mocht een van partijen echter een rechtsmiddel instellen, dan herleeft de taak van de bijzondere curator.
Gelet op de aard van deze procedure zullen de proceskosten worden gecompenseerd.
3. De beslissing
De rechtbank:
verleent, ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de moeder, aan de man toestemming tot het erkennen van de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2024;
beschouwt de taak van de bijzondere curator als beëindigd;
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Kraats, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2025, in aanwezigheid van de griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.