ECLI:NL:RBZWB:2025:8019

ECLI:NL:RBZWB:2025:8019, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 04-11-2025, C/02/427672 / FA RK 24-4799

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 04-11-2025
Datum publicatie 12-12-2025
Zaaknummer C/02/427672 / FA RK 24-4799
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Breda
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0030068

Samenvatting

verzoek vaststelling ouderschap. DNA onderzoek

Uitspraak

2. De nadere beoordeling

Bij voormelde beschikking van 16 april 2025 heeft de rechtbank de verdere behandeling en beslissing in deze zaak aangehouden in afwachting van de schriftelijke reacties van de advocaat van de moeder en de bijzondere curator zoals in rechtsoverweging 2.26 van deze beschikking is overwogen. Hierin is overwogen dat de rechtbank zich op basis van de op dat moment in deze zaak beschikbare informatie onvoldoende geïnformeerd acht om te kunnen beslissen op het verzoek. De rechtbank verzoekt aan de advocaat van de moeder en de bijzondere curator om haar schriftelijk te informeren over het volgende:

Welke nationaliteit(en) bezit de vermoedelijke biologische vader? Meer specifiek is de vraag of de vermoedelijke biologische vader in het bezit is geweest van de Soedanese nationaliteit. Indien dat het geval is, heeft hij dan actief afstand gedaan van zijn Soedanese nationaliteit bij de Soedanese autoriteiten en/of richting de Belgische autoriteiten bij zijn naturalisatie tot Belg?

Als de moeder en de vermoedelijke biologische vader de Soedanese nationaliteit bezitten met als gevolg dat het Soedanese recht van toepassing is, wat is dan het standpunt van de advocaat van de moeder en de bijzondere curator over de toepassing van dat recht met betrekking tot het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het ouderschap?

Als het Soedanees recht geen mogelijkheden biedt tot een gerechtelijke vaststelling van het ouderschap, wat is dan het standpunt van de advocaat van de moeder en de bijzondere curator over het buiten beschouwing laten van het Soedanese recht en de toepassing van het Nederlandse recht op grond van artikel 10:6 of 10:8 BW?

Is de vermoedelijke biologische vader inderdaad bereid om mee te werken aan een DNA-onderzoek en zo ja, hebben partijen hier inmiddels al afspraken over gemaakt en stappen in gezet?

Daarnaast de volgende vragen aan enkel de advocaat van de moeder:

5. Wat is het standpunt van de gemeente over het vergoeden van de kosten van de moeder voor het laten verrichten van een DNA-onderzoek?

6. Wat is het standpunt van de moeder over het door haar gewenste verdere procesverloop van deze zaak?

Ten slotte nog de volgende vraag aan enkel de bijzondere curator:

7. Wat is het standpunt van de bijzondere curator over het indienen van een zelfstandig verzoek namens de minderjarigen tot gerechtelijke vaststelling ouderschap?

Aan de orde zijn nog de verzoeken van de moeder, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:

I. tot gerechtelijke vaststelling van het ouderschap van de vermoedelijke biologische vader over de minderjarigen;

II. daartoe zo nodig een DNA-onderzoek te gelasten teneinde vast te stellen dat de vermoedelijke biologische vader daadwerkelijk de biologische vader van de minderjarigen is;

III. de vermoedelijke biologische vader te bevelen om binnen 30 dagen na deze beschikking zijn medewerking te verlenen aan voormeld DNA-onderzoek;

IV. te bepalen dat de kosten van voormeld DNA-onderzoek ten laste van ’s Rijks kas komen.

Daarnaast is thans aan de orde het zelfstandig verzoek van de bijzondere curator namens de minderjarigen tot gerechtelijke vaststelling van het ouderschap van de vermoedelijke biologische vader over de minderjarigen.

Verder is aan de orde het zelfstandig verzoek van de vermoedelijke biologische vader om:

het verzoek van de vermoedelijke biologische vader tot het gelasten van het DNA-verwantschapsonderzoek ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] toe te wijzen;

primair de moeder in de kosten van het DNA-verwantschapsonderzoek te veroordelen en subsidiair te bepalen dat de kosten ten laste van ’s Rijks kas worden gebracht.

Namens de moeder is bij brief van 23 juni 2025 bericht dat de vermoedelijke biologische vader werd bijgestaan door een Belgische advocaat. Deze advocaat heeft de advocaat van de moeder laten weten niet langer als advocaat van de vermoedelijke biologische vader op te treden. Het is advocaat van de moeder noch de moeder hierna nog gelukt om met de biologische vader contact te krijgen. Er is derhalve van de zijde van de vermoedelijke biologische vader geen reactie gekomen op de in de beschikking van 16 april 2025 onder 1. en 4. gestelde punten. De vermoedelijke biologische vader is geboren in [geboorteland] . Gelet hierop gaat de moeder ervan uit dat hij van geboorte de Soedanese nationaliteit heeft. Bij gebrek aan wetenschap gaat de moeder er tevens vanuit dat hij niet actief afstand heeft gedaan van zijn Soedanese nationaliteit en dat hij derhalve zowel de Belgische als de Soedanese nationaliteit heeft. Op de vraag of en onder welke voorwaarden ouderschap van een persoon gerechtelijke worden vastgesteld, is dan ook het Soedanese recht van toepassing. Het recht van Soedan kent echter niet een gerechtelijke vaststelling van het ouderschap. De moeder is daarom van mening dat zowel (primair) op grond van artikel 10:6 van het Burgerlijk Wetboek (BW) als (subsidiair) op grond van artikel 10:8 BW het Soedanese recht buiten toepassing dient te blijven en Nederlands recht dient te worden toegepast. Ten aanzien van artikel 10:6 BW heeft te gelden dat het ontbreken van de mogelijkheid in het Soedanese recht om het vaderschap gerechtelijk vast te stellen in strijd komt met gerechtelijke beginselen van juridische, sociale en morele aard die in Nederland voor fundamenteel worden gehouden. Op grond van artikel 7 IVRK en artikel 8 EVRM hebben de minderjarigen er recht op om te weten wie hun biologische vader is. Ten aanzien van artikel 10:8 BW heeft te gelden dat de minderjarigen gelet op alle omstandigheden geen nauwe band hebben met de Soedanese rechtsorde. Zij zijn in Nederland geboren en hebben hun hele leven met de moeder in Nederland gewoond. De vermoedelijke biologische vader heeft eerder aangegeven bereid te zijn mee te werken aan een DNA-onderzoek. Echter tot op heden heeft hij daaraan geen gevolg gegeven. Noch zijn (voormalige) advocaat, noch de vermoedelijke biologische vader hebben na de beschikking van 16 april 2025 bevestigd dat de vermoedelijke biologische vader nog steeds bereid is aan een DNA-onderzoek mee te werken. De gemeente heeft de moeder inmiddels laten weten dat zij de kosten van een DNA-onderzoek voor haar rekening zal nemen. Nu de vermoedelijke biologische vader tot op heden zijn medewerking hieraan heeft geweigerd en niet te verwachten valt dat hij alsnog zal meewerken aan een DNA-onderzoek, verzoekt de moeder dat de rechtbank daaraan de gevolgtrekking zal verbinden die zij geraden acht en als vaststaand aan te nemen dat de vermoedelijke biologische vader de verwekker is van de minderjarigen en het vaderschap van hem vast te stellen.

In aanvulling hierop is door en namens de moeder tijdens de zitting nog aangevoerd dat de moeder nog steeds kan instemmen met een DNA-onderzoek. De moeder kan er ook mee instemmen als deze test pas over 6 maanden zal plaatsvinden in verband met de gezondheidsproblemen van de vermoedelijke biologische vader. De gemeente Roosendaal heeft aangegeven bereid te zijn om de kosten van een DNA-onderzoek te dragen. Het verzoek van de moeder is ook gedaan op verzoek van de gemeente Roosendaal. De moeder stelt voor om in de tussenbeschikking al vast te bepalen dat de definitieve kosten ten laste komen van de gemeente Roosendaal. De advocaat van de moeder heeft al contact gehad met Verilabs. Verilabs heeft aangegeven dat het raadzaam is om pas een afspraak voor een DNA-onderzoek te maken, zodra de vermoedelijke biologische vader aangeeft dat hij (fysiek) in staat is om aan een DNA-onderzoek mee te werken. Als met een DNA-onderzoek komt vast te staan dat de vermoedelijke biologische vader ook daadwerkelijk de biologische vader is van de minderjarigen, dan staat de moeder open voor omgang tussen de vermoedelijke biologische vader en de minderjarigen. De moeder wil dan wel graag dat (in eerste instantie) omgang zal plaatsvinden onder begeleiding van een derde.

De bijzondere curator heeft aan haar verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap namens de minderjarigen ten grondslag gelegd dat voor de moeder vaststaat dat de vermoedelijke biologische vader ook daadwerkelijk de biologische vader van de minderjarigen is. Zij heeft dit onderbouwd met foto’s en filmpjes waaruit blijkt dat de vermoedelijke biologische vader veelvuldig contact met de minderjarigen heeft gehad en een band met hen heeft opgebouwd. Zoals de bijzondere curator al eerder heeft aangevoerd, acht zij het in het belang van de minderjarigen dat de feitelijke band met hun vermoedelijke biologische vader juridisch wordt vastgelegd. Eerder heeft de bijzondere curator verzocht om ambtshalve een DNA-onderzoek te gelasten. Helaas is het haar niet gelukt om de vermoedelijke biologische vader te bewegen om vrijwillig aan een DNA-onderzoek mee te werken. Het ziet er dan ook niet naar uit dat hij alsnog zijn medewerking aan een DNA-onderzoek zal verlenen. Op grond van de door de moeder gestelde feiten en omstandigheden is het naar de mening van de bijzondere curator in het belang van de minderjarigen dat ook zonder DNA-onderzoek het vaderschap van de vermoedelijke biologische vader gerechtelijk wordt vastgesteld. De bijzondere curator verzoekt dan ook namens de minderjarigen om hiertoe over te gaan.

In aanvulling hierop heeft de bijzondere curator tijdens de zitting nog aangevoerd dat nu de vermoedelijke biologische vader weer in beeld is en bereid is om aan een DNA-onderzoek mee te werken, bij de bijzondere curator de voorkeur bestaat om eerst een DNA-onderzoek te doen alvorens tot eventuele vaststelling van het ouderschap over te gaan. De bijzondere curator vindt het wel van belang dat aan het doen van dit onderzoek een termijn wordt verbonden en dat wordt besproken wat het vervolg moet zijn indien deze termijn niet wordt gehaald. De bijzondere curator heeft onderzocht of een DNA-onderzoek in België kan plaatsvinden. Hiervoor zou de vermoedelijke biologische vader echter van [plaats 3] naar [plaats 4] moeten reizen. Daarbij brengt dit onderzoek extra kosten met zich mee die door de gemeente Roosendaal niet zullen worden gedragen. De bijzondere curator vindt het goed te horen dat er ruimte is voor contact tussen de vermoedelijke biologische vader en de minderjarigen. Mocht er weer contact tussen hen plaatsvinden, dan vindt de bijzondere curator het wel van belang dat de minderjarigen niet worden teleurgesteld. Eventueel zou de bijzondere curator hierin een rol kunnen spelen.

De vermoedelijke biologische vader heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de moeder en zelfstandige verzoeken ingediend. Hieraan heeft hij ten grondslag gelegd dat hij de Belgische nationaliteit heeft. De vermoedelijke biologische vader weet niet of hij afstand heeft gedaan van zijn Soedanese nationaliteit. Hij kan hiervan ook geen bewijsstukken overleggen. Als ervan wordt uitgegaan dat hij geen afstand heeft gedaan van de Soedanese nationaliteit, dan had de vermoedelijke biologische vader ten tijde van de geboorte van de minderjarigen zowel de Belgische als de Soedanese nationaliteit. Daarom is ook de vermoedelijke biologische vader van mening dat het Soedanese recht moet worden toegepast als recht van de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van de vermoedelijke biologische vader en de moeder. Nu het Soedanese recht een gerechtelijke vaststelling van het ouderschap niet kent, is de vermoedelijke biologische vader eveneens van mening dat toepassing van het Soedanese recht strijdig is met de openbare orde in de zin van artikel 10:6 BW en artikel 8 EVRM. Op grond van het betrokkenheidscriterium dient daarom het Nederlandse recht te worden toegepast. Destijds wilde de vermoedelijke biologische vader de minderjarigen als zijn kinderen erkennen. De moeder hield dit echter tegen. Daarom vraagt de vermoedelijke biologische vader zich af of de minderjarigen wel door hem zijn verwekt, ook omdat hij destijds niet met de moeder samenwoonde. In 2020 heeft zich een confrontatie voorgedaan bij de woning van de moeder toen de vermoedelijke biologische vader de minderjarigen wilde bezoeken zoals hij elke tien dagen deed. Om een voor de vermoedelijke biologische vader onbekende reden werd hem de toegang tot de woning geweigerd. Hij is na een woordenwisseling vertrokken en heeft sedertdien geen contact meer met de moeder en de minderjarigen gehad. De vermoedelijke biologische vader is van mening dat de moeder in het verzoek ten aanzien van [minderjarige 1] niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat zij het verzoek niet heeft ingediend binnen de wettelijke termijn. De vermoedelijke biologische vader kan instemmen met een DNA-onderzoek naar beide minderjarigen. Hij acht dit zelfs noodzakelijk, nu hij gerede twijfel heeft over zijn biologisch vaderschap ten aanzien van de minderjarigen. De vermoedelijke biologische vader kan zich dan ook niet vinden in het verzoek van de bijzondere curator om zonder DNA-onderzoek zijn ouderschap ten aanzien van de minderjarigen vast te stellen. Hij verzoekt dan ook om dit verzoek af te wijzen dan wel om de behandeling daarvan aan te houden totdat een DNA-onderzoek is verricht. Dit geldt ook voor het wel ontvankelijke verzoek van de moeder ten aanzien van [minderjarige 2] . Bij wijze van zelfstandig verzoek verzoekt de vermoedelijke biologische vader om een DNA-onderzoek te gelasten. In dit kader merkt hij wel op dat hij sinds 2019 kampt met medische klachten. Hierdoor is het voor hem bezwaarlijk om op korte termijn in Nederland een DNA-onderzoek te ondergaan. Om die reden verzoekt hij dit DNA-onderzoek uit te stellen totdat hij voldoende van zijn operatie is hersteld. De vermoedelijke biologische vader rekent het de moeder aan dat zij onduidelijkheid heeft gecreëerd over zijn vaderschap. Zij heeft hem al die jaren in het ongewisse gelaten over de mogelijkheid dat een andere man c.q. andere mannen vader van de minderjarigen kunnen zijn. Daarbij heeft te gelden dat de vermoedelijke biologische vader onvoldoende financiële middelen heeft om zelf voor de kosten van het DNA-onderzoek op te draaien. Gelet op de houding en handelwijze van de moeder stelt de vermoedelijke biologische vader zich primair op het standpunt dat de moeder de kosten van het DNA-onderzoek dient te voldoen, subsidiair verzoekt de vermoedelijke biologische vader dat de kosten voor ’s Rijks kas dienen te komen.

In aanvulling hierop is door en namens de vermoedelijke biologische vader tijdens de zitting nog aangevoerd dat hij vanwege de bij hem aanwezige twijfels over zijn biologisch vaderschap ten aanzien van de minderjarigen eerst wil dat er een DNA-onderzoek wordt uitgevoerd. Dan zal er voor hemzelf en voor de minderjarigen hierover definitieve duidelijkheid ontstaan. De vermoedelijke biologische vader is, zoals reeds aangegeven, vanwege gezondheidsproblemen voorlopig niet in staat om aan een DNA-onderzoek mee te werken. Hij zal in maart 2026 een MRI-scan krijgen om te zien of hij voldoende is hersteld. Pas daarna kan hij aan een DNA-onderzoek meewerken. Mocht uit dit DNA-onderzoek blijken dat de vermoedelijke biologische vader daadwerkelijk de biologische vader is van de minderjarigen, dan wil hij graag dat de minderjarigen zijn geslachtsnaam zullen dragen. In dat geval staat hij er ook voor open om weer contact te hebben met de minderjarigen als zij dit wensen. Hij zou dan graag een (vader)rol in hun leven willen spelen. De vermoedelijke biologische vader wil in eerste instantie wel dat een derde de contacten tussen hem en de minderjarigen zal begeleiden. Hij heeft geen behoefte meer aan contact met de moeder.

DNA-onderzoek

De rechtbank vindt het belangrijk dat duidelijk wordt of de vermoedelijke biologische vader ook daadwerkelijk de biologische vader is van de minderjarigen. De vermoedelijke biologische vader heeft hierover twijfels. De rechtbank vindt het daarom voor hem, maar ook voor de minderjarigen en de moeder, van belang deze twijfel definitief wordt weggenomen. De rechtbank zal daarom een DNA-onderzoek gelasten waarin wordt gevraagd of de vermoedelijke biologische vader ook daadwerkelijk de biologische vader is van de minderjarigen. De rechtbank zal Verilabs als deskundige benoemen om dit DNA-onderzoek te doen.

Vanwege de gezondheidsproblemen van de vermoedelijke biologische vader kan hij voorlopig niet meewerken aan een DNA-onderzoek. Dit zal naar alle waarschijnlijkheid vanaf maart 2026 wel het geval zijn. De rechtbank verzoekt de (advocaat van) de vermoedelijke biologische vader aan de (advocaat van) de moeder aan te geven zodra de vermoedelijke biologische vader in staat is om aan het DNA-onderzoek mee te werken. Vervolgens moeten de moeder en de vermoedelijke biologische vader voor het maken van een afspraak voor dit onderzoek zelf telefonisch contact opnemen met de deskundige. Hiervoor moeten zij bellen met [telefoonnummer] . Zij moeten dit binnen zes maanden na het geven van deze beschikking, dus uiterlijk in april 2026 doen. De rechtbank kan zich voorstellen dat partijen ervoor zullen kiezen om eerst de vermoedelijke biologische vader zijn DNA-materiaal te laten afstaan en daarna de minderjarigen.

Betaling voorschot

2. 9 De rechtbank zal de gemeente Roosendaal belasten met de betaling van het voorschot van het deskundigenonderzoek. De gemeente Roosendaal heeft reeds aangegeven dat zij de kosten van dit onderzoek voor haar rekening zal nemen. De gemeente Roosendaal zal bij eindbeschikking ook definitief in het betalen van de kosten van het deskundigenonderzoek worden veroordeeld. Ook hiervoor geldt dat de gemeente Roosendaal dit voorschot pas hoeft te voldoen, zodra (de advocaat van) de vermoedelijke biologische vader heeft aangegeven dat hij in staat is om aan een DNA-onderzoek mee te werken.

De verdere behandeling van de zaak zal in afwachting van het rapport van de deskundige worden aangehouden.

Eventuele door de moeder en/of de vermoedelijke biologische vader in te dienen (aanvullende) verzoeken

Indien uit het DNA-onderzoek mocht blijken dat de vermoedelijke biologische vader, ook daadwerkelijk de biologische vader van de minderjarigen is, dan staat het partijen vanzelfsprekend vrij om verzoeken in te dienen die zien op de geslachtnaam van de minderjarigen na een eventuele vaststelling van het ouderschap en een omgangsregeling. Dit zal dan aan bod kunnen komen tijdens de verdere behandeling van deze zaak.

Dit betekent dat als volgt wordt beslist. Daarbij behoudt de rechtbank zich iedere verdere beslissing voor.

3. De beslissing

De rechtbank:

Tussenbeschikking

gelast een DNA-onderzoek met betrekking tot de vraag of vermoedelijke biologische vader de biologische vader is van de minderjarigen:

[minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2017 en

[minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2020,

onder de voorwaarden zoals weergegeven in rechtsoverweging 2.8;

benoemt Verilabs, [adres] als deskundige ter beantwoording van voormelde vraag;

bepaalt het voorschot op € 755,= (zevenhonderd en vijfenvijftig euro) (inclusief BTW)

bepaalt dat voornoemd voorschot vooralsnog ten laste komt van de gemeente Roosendaal, onder de voorwaarden zoals weergegeven in rechtsoverweging 2.9;

bepaalt dat de benoemde deskundige zijn werkzaamheden zal aanvangen in of omstreeks maart 2026 en -zo mogelijk- binnen drie maanden daarna schriftelijk aan de rechtbank zal rapporteren;

bepaalt dat de griffier een afschrift van deze beschikking aan de deskundige zal toezenden;

houdt iedere verdere beslissing aan tot 30 juni 2026 PRO FORMA, zulks in afwachting van het rapport van de deskundige;

behoudt zich iedere verdere beslissing voor.

Deze beschikking is gegeven door mr. Van Leuven, rechter en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2025, in aanwezigheid van de griffier.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. Van Leuven

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?