ECLI:NL:RBZWB:2025:8079

ECLI:NL:RBZWB:2025:8079, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 19-11-2025, 23/12224

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 19-11-2025
Datum publicatie 02-12-2025
Zaaknummer 23/12224
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Breda
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0002629

Samenvatting

Naar het oordeel van de rechtbank is over het tijdvak 2016 geen sprake van ‘in rekening gebrachte belasting’ als bedoeld in als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van de Wet OB jo. artikel 15, eerste lid, onderdeel a, van de Wet OB aangezien over dat tijdvak niet nageheven kan worden in verband met verjaring. Het verzoek om teruggaaf over het tijdvak 2016 in januari 2023 heeft daarmee betrekking op btw die niet verschuldigd is en kan om die reden niet worden toegekend. De rechtbank verwerpt ook het subsidiaire standpunt van belanghebbende nu de uitspraak op bezwaar in de onderhavige procedure geen betrekking heeft op het tijdvak 2016. Verder is de rechtbank van oordeel dat het vertrouwensbeginsel niet is geschonden.

Uitspraak

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 november 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende] , gevestigd te [plaats] (Verenigd Koninkrijk), (gemachtigde: mr. A. Sanders),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 24 november 2023.

Belanghebbende heeft verzocht om een teruggaaf van omzetbelasting over het tijdvak januari 2023 ten bedrage van € 2.346.730.

De inspecteur heeft de teruggaafbeschikking over het tijdvak januari 2023 vastgesteld op € 773.982 (de teruggaafbeschikking).

De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.

De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

Partijen hebben stukken overgelegd. Deze stukken zijn aan de wederpartij verstrekt.

De rechtbank heeft het beroep op 8 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende in de persoon van [naam 1] en haar gemachtigde: mr. M. Sanders, drs. [naam 2], [naam 3] en [naam 4]. Namens de inspecteur zijn verschenen mr. [inspecteur 1], mr. [inspecteur 2], mr. [inspecteur 3] en mr. [inspecteur 4].

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur terecht een beroep heeft gedaan op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verder beoordeelt de rechtbank of de teruggaafbeschikking naar een juist bedrag is vastgesteld. Indien deze vraag ontkennend wordt beantwoord zal de rechtbank tevens beoordelen of de inspecteur het vertrouwensbeginsel heeft geschonden. De rechtbank beoordeelt dit aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.

3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur terecht een beroep gedaan op artikel 8:29 van de Awb. Tevens is de rechtbank van oordeel dat de teruggaafbeschikking tot een juist bedrag is vastgesteld. Van schending van het vertrouwensbeginsel is geen sprake. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende is een ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB). Zij is gevestigd in het Verenigd Koninkrijk. De activiteiten van belanghebbende bestaan uit de verkoop van trapliften die worden geproduceerd door een in Nederland gevestigde leverancier, [de leverancier]. De leverancier is aan belanghebbende gelieerd.

De leverancier heeft in de periode vanaf 2016 tot en met 2023 trapliften en onderdelen daarvan geleverd aan belanghebbende waarna belanghebbende de trapliften heeft geleverd aan afnemers binnen en buiten Nederland.

In de jaren 2016 tot en met 2020 zijn door de leverancier facturen met toepassing van het nultarief uitgereikt aan belanghebbende.

In 2020 heeft belanghebbende geconstateerd dat het nultarief ten onrechte is toegepast. Naar aanleiding hiervan heeft belanghebbende contact opgenomen met de inspecteur. Voor de tijdvakken gelegen in het kalenderjaar 2016 heeft belanghebbende op 23 december 2021 een suppletie ingediend. Daarnaast is in de periode 2020 tot en met 2023 regelmatig gecorrespondeerd met de inspecteur ten aanzien van de te corrigeren omzetbelasting.

Op 29 november 2022 heeft belanghebbende het definitief te corrigeren bedrag doorgegeven aan de inspecteur. Naar aanleiding hiervan heeft de inspecteur naheffingsaanslagen opgelegd aan de leverancier over de tijdvakken gelegen in de jaren 2017 tot en met 2020. Tevens heeft de inspecteur belastingrente in rekening gebracht. Voor het jaar 2016 is geen naheffingsaanslag opgelegd omdat voor dat jaar de naheffingstermijn verjaard was.

Op 13 januari 2023 heeft de leverancier een factuur uitgereikt aan belanghebbende. Daarin staat – voor zover relevant – de volgende omschrijving: ‘These VAT amounts result from a voluntary disclosure procedure With the Dutch tax authorities. For a substantion of the amounts we refer to the comparison overview and Corrections amount that have been shared and discusses with the Dutch tax authoritiesAdd. Tax assessm.[nummer] (…) 2.352.280,00

No VAT Assessment VAT only / out of scope’

Ook voor de jaren 2017 tot en met 2020 is een bedrag in rekening gebracht. Belanghebbende heeft deze factuur betaald.

Het verzoek van belanghebbende om aftrek van voorbelasting in verband met de factuur van januari 2023 is door de inspecteur afgewezen. De inspecteur heeft een ambtshalve teruggaaf verleend voor de jaren 2017 tot en met 2020. De suppletie over 2016 is aangemerkt als bezwaarschrift tegen de voldoening(en) op aangifte in de tijdvakken gelegen in 2016. Deze bezwaren zijn niet-ontvankelijk verklaard. Tevens is de suppletie behandeld als verzoeken om ambtshalve teruggaaf van belasting die ziet op de tijdvakken in het jaar 2016. De teruggaaf is geweigerd. Belanghebbende heeft tegen deze beide beslissingen met betrekking tot de suppletie geen rechtsmiddelen ingesteld.

Tot de gedingstukken behoort een e-mail van 16 februari 2023 van de inspecteur aan de gemachtigde. Hierin staat voor zover van belang, het volgende:

Bedankt voor uw bevestiging.

Ik heb zojuist alle teruggaven van de legacy claims verleend.

Verder behoort tot de gedingstukken een e-mail van de inspecteur aan de gemachtigde van 23 februari 2023 waarin, voor zover hier van belang, het volgende is vermeld:

Vorige week hebben wij telefonisch contact gehad over het btw-teruggaafverzoek voor het tijdvak januari 2023. U heeft tijdens dit gesprek het belang voor uw cliënt benadrukt dat de aangifte met urgentie wordt beoordeeld omdat uw cliënt onder grote financiële druk staat door deze correctie. U vroeg zich af wanneer de beslissing voor dijt tijdvak wordt genomen. Indien de beslissing niet spoedig wordt genomen dan wenst u een overleg.

Vooropgesteld wijs ik u erop dat dit verzoek mijn aandacht heeft. Ik zal de beoordeling met voortvarendheid uitvoeren. Het verzoek raakt echter aan een aantal juridische vragen. De voornaamste vraag die ik nu heb is of het verzoek wel terecht over het tijdvak januari 2023 is ingediend. Uw klant heeft weliswaar een factuur uitgereikt in januari 2023, maar deze factuur ziet op transacties die reeds in eerdere tijdvakken zijn verricht. Dit punt heb ik nog bereid.

(…)

Naar aanleiding van het teruggaafverzoek heb ik nog de volgende vragen:

De inspecteur heeft met betrekking tot de bijlagen 102 tot en met 142 van zijn verweerschrift een beroep gedaan op artikel 8:29 van de Awb.

De inspecteur heeft desgevraagd bevestigd een beroep te doen op beperkte kennisneming. Belanghebbende heeft schriftelijk toestemming gegeven voor beperkte kennisneming.

De rechtbank heeft voorafgaand aan de zitting de inspecteur verzocht om met betrekking tot een aantal bijlagen het beroep op beperkte kennisneming te heroverwegen. Naar aanleiding van deze brief heeft de inspecteur een deel van de bijlagen ongeschoond overgelegd. Voor een deel van de bijlagen heeft de inspecteur alsnog de stukken deels geschoond overgelegd. Voor de overige bijlagen heeft de inspecteur zijn beroep op beperkte kennisneming gehandhaafd.

Motivering

Beperkte kennisneming

De inspecteur heeft voor de bijlagen waarvoor ten tijde van de zitting nog een beroep is gedaan op beperkte kennisneming toegelicht op welke gronden een beroep wordt gedaan op artikel 8:29 van de Awb.

De omstandigheid dat stukken behoren tot op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42 van de Awb brengt niet automatisch mee dat die stukken (volledig) aan de andere partij ter kennis moeten worden gebracht. Het bepaalde in artikel 8:29 van de Awb biedt aan partijen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, de mogelijkheid het overleggen van stukken te weigeren (geheimhouding) of de rechtbank mede te delen dat uitsluitend de rechtbank kennis zal mogen nemen van deze stukken (beperkte kennisneming). Bij het geheimhouden van (delen van) op de zaak betrekking hebbende stukken moet de grootst mogelijke terughoudendheid worden betracht. Slechts indien de door de inspecteur voor geheimhouding aangevoerde redenen zwaarder wegen dan het belang van belanghebbenden bij onbeperkte kennisneming van (delen) van die stukken, is sprake van gewichtige redenen die geheimhouding rechtvaardigen.

Voor zover de bijlagen zoals genoemd in 4.9, ten tijde van de zitting (deels) niet zijn overgelegd aan belanghebbende, is hiervoor naar het oordeel van de rechtbank sprake van gewichtige redenen als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb gelet op wat de inspecteur in dat verband heeft aangevoerd ten opzichte van het belang van onbeperkte kennisneming voor belanghebbende. Dit brengt mee dat de inspecteur voor de voornoemde stukken terecht een beroep heeft gedaan op beperkte kennisneming.

Teruggaafbeschikking

Wettelijk kader

Artikel 2, van de Wet OB luidt als volgt:

Op de belasting, verschuldigd ter zake van leveringen van goederen en diensten, wordt in aftrek gebracht de belasting ter zake van de aan de ondernemer verrichte leveringen van goederen en verleende diensten, ter zake van de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen en ter zake van invoer van voor hem bestemde goederen.

Artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet OB luidt als volgt:

“De in artikel 2 bedoelde belasting welke de ondernemer in aftrek brengt, is:

de belasting welke in het tijdvak van aangifte door andere ondernemers ter zake van door hen aan de ondernemer verrichte leveringen en verleende diensten in rekening is gebracht op een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur;

Standpunten van de partijen

Belanghebbende stelt primair dat zij pas in januari 2023 beschikte over een op een voorgeschreven wijze opgemaakte factuur zodat pas op dat moment het recht op aftrek van voorbelasting ontstond. Hiertoe verwijst belanghebbende naar jurisprudentie van Hof van Justitie, artikel 168 van de btw-richtlijn en artikel 15, eerste lid, onderdeel a, van de Wet OB. Belanghebbende doet een beroep op het arrest van Hof van Justitie EU van 8 december 2022 en concludeert dat indien een verkeerde btw behandeling is toegepast op een factuur, sprake is van een factuur die dusdanige gebreken vertoont dat het recht op aftrek van voorbelasting niet kan worden uitgeoefend. Verder stelt belanghebbende dat het Volkswagen-arrest niet gaat over het tijdvak waarin de correctiefacturen met de nagefactureerde btw zouden moeten worden teruggevraagd, maar betrekking heeft op een nationale vervaltermijn die inging op het moment van de levering van de goederen.

Subsidiair heeft belanghebbende gesteld dat de teruggaaf over het tijdvak 2016 ambtshalve dient te worden verleend in het tijdvak 2016 omdat de suppletie over het jaar 2016 op dat moment nog openstond.

De inspecteur is van mening dat geen sprake is van ‘in rekening gebrachte belasting’ als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van de Wet OB jo. artikel 15, eerste lid, onderdeel a, van de Wet OB. Daarnaast is de inspecteur van mening dat belanghebbende de factuur niet had hoeven te betalen omdat op het moment van uitreiken al duidelijk was dat de btw niet kon worden nageheven in verband met de verjaring. Dat belanghebbende de factuur betaald heeft aan de leverancier terwijl bekend was dat de btw niet meer geheven kon worden, heeft volgens de inspecteur te maken met de omstandigheid dat belanghebbende en de leverancier gelieerde partijen zijn.

Beoordeling

Vaststaat dat naheffing van omzetbelasting over het tijdvak 2016 bij de leverancier niet mogelijk is in verband met verjaring. In zoverre is geen sprake van ‘in rekening gebrachte belasting’ als bedoeld in als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van de Wet OB jo. artikel 15, eerste lid, onderdeel a, van de Wet OB. Het verzoek om teruggaaf heeft daarmee betrekking op btw die niet verschuldigd is en kan om die reden niet worden toegekend. Het beroep van belanghebbende op het Volkswagen-arrest kan belanghebbende niet baten nu in dit arrest de btw voldaan was binnen de wettelijke termijn.

De rechtbank verwerpt ook het subsidiaire standpunt van belanghebbende nu de uitspraak op bezwaar in de onderhavige procedure geen betrekking heeft op het tijdvak 2016 (zie 4.6).

Vertrouwensbeginsel

Belanghebbende heeft meer subsidiair een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. Volgens belanghebbende kon zij, gelet op de gang van zaken, erop vertrouwen dat de inspecteur akkoord zou gaan met de correcties en de nog terug te vragen btw. Daarbij heeft belanghebbende de rechtbank verzocht in het bijzonder acht te slaan op de stukken waarvoor de inspecteur (deels) een beroep heeft gedaan op beperkte kennisneming omdat in die stukken mogelijk uitlatingen zijn gedaan over de zienswijze van de inspecteur ten aanzien van de stelling van belanghebbende dat de teruggaaf plaats dient te vinden in het tijdvak januari 2023.

De inspecteur stelt dat aan belanghebbende geen toezeggingen zijn gedaan ten aanzien van een teruggaaf van omzetbelasting in het tijdvak januari 2023. Door de inspecteur is weliswaar aangegeven dat belanghebbende de correcties kon uitvoeren, maar ten aanzien van het tijdvak zijn geen toezeggingen gedaan. Bovendien is de handelswijze van belanghebbende gewijzigd en is de inspecteur, zoals ter zitting gesteld, pas in december 2022 op de hoogte gesteld van het voornemen om de teruggaaf van het tijdvak 2016 op te nemen bij de aangifte over het tijdvak januari 2023.

Naar de rechtbank begrijpt, doet belanghebbende een beroep op het boekenclubarrest. Naar het oordeel van de rechtbank is het vertrouwensbeginsel niet geschonden. Belanghebbende stelt vertrouwen te ontlenen aan de gang van zaken, maar de uitlatingen van de inspecteur hebben betrekking over de handelswijze ten aanzien van de indiening van de correcties. Daaruit is niet af te leiden dat de inspecteur voornemens was om een teruggaaf voor het tijdvak 2016 te verlenen indien dit teruggaaf verzocht zou worden bij aangifte over het tijdvak januari 2023. Als het gaat om de e-mail van 16 februari 2023 (zie 4.7), merkt de rechtbank op dat uit de voorafgaande correspondentie volgt dat die reactie niet ziet op het jaar 2016. Voor zover belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat zij vertrouwen kon ontlenen aan de uitlatingen van de inspecteur aan zijn collega’s, verwerpt de rechtbank dit betoog omdat in dit geval daarmee geen sprake is van uitlatingen waaraan een gerechtvaardigd vertrouwen door belanghebbende kan worden ontleend aangezien deze uitlatingen – voor zover deze zouden zijn gedaan – niet jegens belanghebbende zijn gedaan. Het beroep op vertrouwensbeginsel slaagt daarom niet.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, voorzitter, en mr. J.A. den Braber-Riemens en mr. S.B. Cornielje, leden, in aanwezigheid van mr. A.S. Wiskerke-Hovanesian, griffier, op 19 november 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. S.A.J. Bastiaansen
  • mr. J.A. den Braber-Riemens
  • mr. S.B. Cornielje

Griffier

  • mr. A.S. Wiskerke-Hovanesian

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2025120206 V-N Vandaag 2025/2406 FutD 2025-2413 NLF 2025/2578
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?