2. De feiten
De ouders hebben een affectieve relatie met elkaar. Uit deze relatie is het thans nog minderjarige kind geboren:
- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2009.
Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, van 22 oktober 2019 is het ouderlijk gezag van ouders over [minderjarige] beëindigd en Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering benoemd tot voogdes over [minderjarige] .
[minderjarige] verblijft sinds maart 2014 middels een machtiging tot uithuisplaatsing en sinds oktober 2019 in het kader van de uitgesproken voogdijmaatregel bij pleegmoeder (oma vz).
Tussen de ouders en [minderjarige] is sprake van een omgangsregeling op basis waarvan [minderjarige] eens per veertien dagen een weekend bij ouders verblijft. Ouders halen [minderjarige] op vrijdag op bij pleegmoeder en ouders brengen [minderjarige] op zondag daar ook weer terug.
3. Het verzoek
Tijdens de mondelinge behandeling van de zaak met zaaknummer C/02/438430 / FA RK 25-4008 heeft de Raad verzocht om [minderjarige] voor zes maanden onder toezicht te stellen, welke de Raad daarna op schrift heeft gesteld. De Raad verzoekt de gecertificeerde instelling Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering als uitvoerende instantie te benoemen. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De Raad verzoekt [minderjarige] voor zes maanden onder toezicht te stellen. De Raad ziet een ernstige ontwikkelingsbedreiging in het feit dat als het verzoek van de ouders wordt toegewezen de voogdij direct wordt beëindigd en er geen hulp meer betrokken is. Dit terwijl [minderjarige] een spannende overstap gaat maken, waarin zij nagenoeg fulltime bij haar ouders zal verblijven na een periode waarin zij jarenlang bij haar pleegmoeder heeft verbleven. De hulpverlening blijft nodig en het is de vraag in hoeverre de ouders hiervoor gemotiveerd zijn. Ook is de samenwerking tussen de ouders en de pleegmoeder in het verleden kwetsbaar geweest en is de omgangsregeling nog niet geformaliseerd. De Raad vindt deze situatie te kwetsbaar en daarom is de betrokkenheid van de jeugdbeschermer nog nodig.
De ouders stemmen in met het verzoek, zodat de terugthuisplaatsing van [minderjarige] kan worden gemonitord en geborgd. De ouders hebben een goede samenwerking met de huidige jeugdbeschermer (de voogd) en in het vrijwillig kader kan zij niet betrokken blijven.
De GI vindt het nodig dat er een ondertoezichtstelling van zes maanden is, als de ouders in hun ouderlijk gezag worden hersteld. Dit om de terugthuisplaatsing van [minderjarige] te monitoren en te borgen. Er is opvoedondersteuning nodig en er dient een omgangsregeling tussen [minderjarige] en de pleegmoeder van twee weekenden per maand te worden vastgelegd.
De pleegmoeder vindt de ondertoezichtstelling een goed plan.
5. De beoordeling
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
De kinderrechter zal het verzoek van de Raad toewijzen en [minderjarige] onder toezicht van de GI stellen voor de duur zes maanden, te weten met ingang van 5 november 2025 en tot 5 mei 2026. Zij legt dit hierna uit.
De kinderrechter is van oordeel dat het noodzakelijk is om [minderjarige] onder toezicht te stellen om het verzoek van de ouders in de zaak met zaaknummer C/02/438430 / FA RK 25-4008 toe te kunnen wijzen en de ouders in hun ouderlijk gezag te herstellen. Zij overweegt hiertoe dat [minderjarige] sinds maart 2014 (hoofdzakelijk) bij de pleegmoeder heeft verbleven en dat [minderjarige] nu op het punt staat om terug thuis bij haar ouders te gaan wonen. [minderjarige] heeft veel meegemaakt en is gebaat bij een traumasensitieve opvoedaanpak, waarin begrip is voor haar voorgeschiedenis en hoe zij op bepaalde situaties reageert. [minderjarige] heeft behoefte aan duidelijke structuur, emotionele veiligheid en opvoeders die betrouwbaar en voorspelbaar zijn. De ouders hebben in de afgelopen jaren positieve stappen gezet, maar de GI heeft toegelicht dat opvoedondersteuning voor de ouders nodig is om de terugthuisplaatsing van [minderjarige] te laten slagen. Uit het onderzoek van [jeugdhulp] volgt bovendien dat er nog ruimte voor verbetering voor de ouders is, bijvoorbeeld als het gaat om de interactie tussen de ouders en [minderjarige] . Zo zou de vader meer responsiviteit in de interactie met [minderjarige] kunnen laten zien en zouden de ouders meer gezamenlijke structuur en positieve wederzijdse afstemming kunnen creëren. De kinderrechter is van oordeel dat de ouders weliswaar bereid zijn om de benodigde hulpverlening te accepteren en dat ook tijdens de zitting hebben aangegeven, maar dat de situatie te kwetsbaar is en er teveel voor [minderjarige] (en de ouders) op het spel staat om nu al over te gaan naar het vrijwillig kader. Daar komt bij dat de samenwerking tussen de ouders en de huidige jeugdbeschermer (de voogd) erg goed is en dat zowel de ouders, de pleegmoeder als [minderjarige] een vertrouwensband met haar hebben. Om die reden vindt de kinderrechter het belangrijk dat de huidige jeugdbeschermer betrokken blijft en dat zij de terugthuisplaatsing van [minderjarige] zal gaan monitoren en borgen. Dit kan door [minderjarige] onder toezicht van de GI te stellen. Daarnaast is het contact tussen de pleegmoeder en [minderjarige] nog niet vastgelegd. De kinderrechter vindt het belangrijk dat dit nog gaat gebeuren, nu de pleegmoeder een belangrijk hechtingsfiguur voor [minderjarige] is. Verder verwacht zij dat de GI op termijn gaat werken aan de overdracht van de benodigde hulpverlening naar het vrijwillig kader en dat er een borgingsplan wordt opgesteld.
De kinderrechter benadrukt dat de ondertoezichtstelling erop is gericht om de terugthuisplaatsing van [minderjarige] te laten slagen en [minderjarige] en de ouders daarbij te ondersteunen. Van de ouders verwacht zij dat zij de samenwerking met de huidige jeugdbeschermer en de pleegmoeder zullen voortzetten en dat zij open en eerlijk tegenover de GI en de hulpverlening zullen zijn over hoe de terugthuisplaatsing verloopt.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
6. De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering met ingang van 5 november 2025 en tot 5 mei 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2025 door mr. Verschoor-Bergsma, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vork als griffier, en op schrift gesteld op 18 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.