RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/440484 / JE RK 25-1775
Datum uitspraak: 7 november 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats 1] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats 2] .
1. Het verloop van de procedure
Het procesverloop bestaat uit de volgende stukken:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 3 oktober 2025.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 7 november 2025. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
- de vader;
- twee vertegenwoordigsters van de GI.
Hoewel daartoe correct opgeroepen, is de moeder niet bij de zitting verschenen. Volgens de vertegenwoordigster van de GI heeft de moeder haar gezegd niet naar de zitting te zullen komen, omdat zij het eens is met het verzoek.
[minderjarige] is in de gelegenheid gesteld om zijn mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd ‘kindgesprek’. [minderjarige] heeft hiervan geen gebruik gemaakt. Tijdens de zitting heeft de GI aangegeven dat [minderjarige] de kinderrechter een brief heeft gestuurd. De kinderrechter heeft echter geen brief ontvangen.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
Bij beschikking van 22 april 2024 heeft de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. Bij beschikking van 1 april 2025 is deze maatregel verlengd, te weten tot 22 april 2026.
Bij beschikking van 9 mei 2025 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, met ingang van 9 mei 2025 tot 23 mei 2025. Vervolgens heeft de kinderrechter, bij beschikking van 19 mei 2025, een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 19 mei 2025 tot 19 november 2025.
Op grond van voormelde machtiging verblijft [minderjarige] bij 24-uurs voorziening ‘ [accommodatie] .
3. Het verzoek
De GI verzoekt om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, zijnde tot 22 april 2026.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. Het standpunt van de GI
Ter onderbouwing van en in aanvulling op het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. Op dit moment verblijft [minderjarige] in een stabiele en veilige opvoedomgeving. Hij verblijft bij 24-uurs voorziening [accommodatie] . De begeleiding die hij krijgt bij [accommodatie] sluit aan bij zijn psychologische behoeften en biedt hem duidelijke kaders. Sinds zijn plaatsing is er sprake van een positieve ontwikkeling. [minderjarige] heeft zijn ART-traject succesvol afgerond en het middelengebruik is aanzienlijk verminderd. Daarnaast is [minderjarige] gestart met een opleiding en loopt hij stage bij een schildersbedrijf. Dit biedt hem structuur en houvast.
Hoewel [minderjarige] bij [accommodatie] een goede start heeft gemaakt, is bekend dat hij hier liever niet zou wonen. Toch accepteert hij de situatie en pakt hij zijn verantwoordelijkheden goed op. [minderjarige] houdt zich aan afspraken, staat op tijd op, verzorgt zichzelf en toont zich respectvol naar de begeleiding. [minderjarige] ziet zijn moeder regelmatig. Een terugplaatsing in de thuissituatie bij de moeder is op dit moment echter geen optie. In de thuissituatie is sprake van fysieke en verbale agressie tussen de moeder en [minderjarige] . Door haar eigen problematiek is de moeder niet in staat om rustig te blijven als zij in conflict is met [minderjarige] , terwijl hij op zijn beurt moeite heeft met zijn emotie-regulatie, autoriteit en begrenzing. Gezien werd dat [minderjarige] zelfbepalend gedrag vertoonde en de regels naar zijn hand probeerde te zetten. Ook was hij niet eerlijk in zijn communicatie en nam het blowen toe bij onrust. Zowel de moeder als [minderjarige] zien in dat een terugkeer in de thuissituatie nu niet kan.
[minderjarige] kan ook niet bij de vader worden geplaatst. Het contact tussen hen is conflictgevend. [minderjarige] vraagt zijn vader vaak om geld en als hij dat niet krijgt, wordt hij boos.
In de komende periode zal het traject van [minderjarige] bij [accommodatie] worden voortgezet. Gezien zijn leeftijd zal er worden gekeken naar wat er mogelijk is in zijn zelfstandigheid. Daarnaast zal de GI systeemtherapie gaan inzetten. Echter, van belang is dat de moeder en [minderjarige] eerst individuele hulpverlening zullen afronden.
5. Het standpunt van belanghebbende en informant
De moeder is niet bij de zitting verschenen. De kinderrechter heeft daarom zelf haar mening niet gehoord. De GI heeft ter zitting verteld dat de moeder het eens is met het verzoek.
De vader brengt, samengevat, naar voren dat hij het eens is met het verzoek. Hoewel het beter met [minderjarige] gaat, ziet de vader ook dat [minderjarige] liever niet bij [accommodatie] is. Hij zoekt naar mogelijkheden om daar niet te hoeven zijn. Positief is dat [minderjarige] een opleiding volgt en naar zijn stage gaat. De vader beaamt dat het contact met [minderjarige] stroef verloopt en [minderjarige] de vader alleen benadert als hij geld wil hebben. De vader vermoedt dat [minderjarige] zijn geld uitgeeft aan blowen.
6. De beoordeling
Wat zegt de wet?
Op grond van artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Artikel 1:265c lid 2 BW bepaalt dat de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens kan verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
Uit de overlegde stukken en de zitting is gebleken dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding.
De kinderrechter neemt hierbij in aanmerking dat [minderjarige] is gebaat bij zijn verblijf bij [accommodatie] . Hier vindt hij rust, stabiliteit en regelmaat. In de thuissituatie bij één van de ouders is dit niet mogelijk. [minderjarige] heeft behoefte aan voorspelbaarheid en het stellen van duidelijke grenzen. Dit wordt hem bij [accommodatie] geboden. Hij heeft een beperkte zelfreflectie, toont zich sociaal afhankelijk en heeft een gebrekkige emotieregulatie als gevolg van cognitieve beperkingen, emotionele overbelasting en een verleden van onveiligheid. Met begeleiding en structuur kan risicovol gedrag worden voorkomen.
De kinderrechter ziet sinds de plaatsing van [minderjarige] bij [accommodatie] een positieve lijn bij [minderjarige] . Gezien wordt dat [minderjarige] zelf aan de slag wil gaan. Hij toont ontwikkelpotentieel, wat blijkt uit zijn motivatie om in de bouw de slag te gaan en in die sector een opleiding en stage te volgen. Ook heeft hij zijn ART-traject positief afgerond.
Om deze positieve lijn te waarborgen, is een verlenging van het verblijf van [minderjarige] bij [accommodatie] noodzakelijk. De machtiging tot uithuisplaatsing is nodig om zijn verblijf daar te continueren. Dit geeft [minderjarige] de beste kans om zich verder te ontwikkelen en door te groeien.
De machtiging tot uithuisplaatsing zal worden verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling, en dus tot 22 april 2026.
Uitvoerbaar bij voorraad
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
7. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 22 april 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 november 2025 door mr. Van Gessel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 17 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.