beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummers: C/02/437450 / FA RK 25-3529
Datum uitspraak: 18 november 2025
(Nadere) beschikking over vernietiging erkenning, vervangende toestemming erkenning, wijziging ouderlijk gezag en vaststelling omgangsregeling
in de zaak van
[de man] ,
hierna te noemen: de man,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat: mr. R. Joosen te Oosterhout,
over de minderjarige
[minderjarige] ,
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2020,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
vertegenwoordigd door:
mr. [de bijzondere curator], advocaat te [plaats 2] , als bijzondere curator over [minderjarige] ,
hierna te noemen: de bijzondere curator.
De rechtbank merkt in deze zaak als belanghebbenden aan:
[minderjarige] , voornoemd (enkel belanghebbend met betrekking tot de verzoeken vernietiging erkenning en vervangende toestemming erkenning),
[de vrouw] ,
hierna te noemen: de vrouw,
wonende in [plaats 3] ,
advocaat: mr. N.A. Boelhouwer in Tilburg,
[de juridische vader] ,
hierna te noemen: de juridische vader,
enkel belanghebbend met betrekking tot het verzoek vernietiging erkenning,
wonende te [plaats 3] ,
advocaat: mr. G.H.M. van Laarhoven in Tilburg.
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.
1. Het procesverloop
De rechtbank oordeelt op grond van de volgende stukken:
de in deze zaak gegeven beschikking van 20 augustus 2025 en alle daarin genoemde stukken;
het rapport en advies van 30 september 2025 van de bijzondere curator;
het F9-formulier van 10 oktober 2025 van mr. Joosen;
het op 10 oktober 2025 namens de vrouw ingediende verweerschrift.
Op 15 oktober 2025 heeft de rechtbank de verzoeken in deze zaak, met gesloten deuren, mondeling behandeld. Bij die behandeling zijn de man, de vrouw en de juridische vader verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Daarnaast waren de bijzondere curator en een vertegenwoordigster namens de Raad aanwezig. De rechtbank heeft tot slot, met instemming van alle aanwezigen, bijzondere toestemming verleend aan mevrouw [persoon 1] (als begeleidster van de moeder vanuit [hulpverlening 1] ) en mevrouw [persoon 2] (als begeleidster van de vader vanuit [hulpverlening 2] ) om de zitting als toehoorder bij te wonen.
2. De (nadere) beoordeling
Inleiding
Bij voormelde beschikking van 20 augustus 2025 heeft de rechtbank mr. [de bijzondere curator] benoemd als bijzondere curator over [minderjarige] . Daarnaast is de bijzondere curator verzocht om een onderzoek te verrichten en, naar aanleiding daarvan, schriftelijk te rapporteren en te adviseren over de in deze zaak voorliggende afstammingsverzoeken. In afwachting daarvan is de beslissing in deze zaak aangehouden tot de zitting op 15 oktober 2025.
Aan de orde zijn de verzoeken van de man, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
tot vernietiging van de erkenning van [minderjarige] door de juridische vader;
aan de man vervangende toestemming te verlenen, naar de rechtbank begrijpt: ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de vrouw, tot erkenning van [minderjarige] ;
de man samen met de vrouw te belasten met het gezamenlijk ouderlijk gezag over [minderjarige] ;
een omgangsregeling vast te stellen tussen de man en [minderjarige] zoals omschreven in het verzoekschrift.
De vrouw en de juridische vader voeren verweer tegen de verzoeken van de man en verzoeken om deze verzoeken af te wijzen.
De man heeft daarnaast op grond van artikel 223 Rv verzocht om een provisionele voorziening te treffen en in dat verband een voorlopige omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] te bepalen. De rechtbank heeft dit verzoek geregistreerd onder het zaaknummer C/02/437455 / FA RK 25-3533 en mondeling behandeld op 3 september 2025. Bij beschikking van 19 september 2025 is de man niet-ontvankelijk verklaard in voormeld verzoek tot het treffen van een provisionele voorziening.
Op grond van de overgelegde stukken en wat er tijdens de mondelinge behandeling is besproken, stelt de rechtbank de volgende feiten vast:
[minderjarige] is geboren op [geboortedag 1] 2020.
Op 15 juli 2020 is [minderjarige] , die op dat moment nog niet geboren was, door de juridische vader erkend met toestemming van de vrouw. Dit blijkt uit de overgelegde akte latere vermelding betreffende erkenning van 16 november 2020.
Uit voormelde akte blijkt dat bij de erkenning is gekozen voor de geslachtsnaam van de juridische vader, te weten “ [de juridische vader] ”.
Uit het uittreksel van [minderjarige] uit het gezagsregister blijkt dat de vrouw en de juridische vader op 8 december 2020 in het gezagsregister hebben laten aantekenen dat zij vanaf dat moment gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] uitoefenen. Deze situatie is nadien niet gewijzigd, waardoor de vrouw en de juridische vader nog steeds gezamenlijk zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
De man, de vrouw, de juridische vader en [minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit.
Op de standpunten van partijen zal hierna, samengevat en voor zover van belang voor de beoordeling van de verzoeken, worden ingegaan.
Het standpunt van de man
Namens en door de man is ter onderbouwing van zijn verzoeken, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. De man stelt dat hij een relatie met de vrouw heeft gehad. Aan het einde van deze relatie is de vrouw zwanger geraakt van [minderjarige] . De vrouw heeft steeds aangegeven dat de man niet de verwekker van [minderjarige] is. Een jaar geleden heeft de vrouw echter aangegeven dat de man toch wel de verwekker van [minderjarige] is. Aangezien de vrouw zwanger is geraakt aan het einde van de relatie tussen de man en de vrouw en met het oog op de uiterlijke kenmerken van [minderjarige] , achtte de man de kans aanwezig dat hij inderdaad de verwekker van [minderjarige] is. De man heeft daarom aan de vrouw verzocht om een DNA-test te (laten) verrichten. De vrouw heeft dit steeds geweigerd. Op een gegeven moment heeft de vrouw toch daarmee ingestemd. De man heeft de kosten van deze test voor zijn rekening genomen. Uit de testuitslag van 6 mei 2025 blijkt dat de man met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid (99,99999%) de verwekker van [minderjarige] is. De man stelt daarnaast dat hij en de vrouw in het afgelopen jaar contact met elkaar hebben onderhouden en dat hij minimaal vijfmaal omgang met [minderjarige] heeft gehad, in het bijzijn van de vrouw. Nu duidelijk is dat de man de verwekker van [minderjarige] is, wil hij graag een vaderfiguur voor haar zijn.
De man en de vrouw hebben de DNA-test afgenomen bij de vrouw thuis en zij hebben het benodigde DNA-materiaal samen in een envelop gedaan. De man ziet daarom geen redenen om aan de testuitslag te twijfelen en in deze zaak een nieuw DNA-onderzoek te gelasten. Bovendien betwist de man met klem de beschuldiging van de vrouw dat hij haar heeft verkracht. Deze beschuldiging en de stelling van de vrouw dat zij angstig voor hem is, stroken ook niet met de omstandigheden dat de vrouw hem bij haar thuis heeft uitgenodigd voor het afnemen van de DNA-test en dat zij meermaals uit eigen initiatief contact met hem heeft opgenomen. Het lijkt er dan ook op dat de vrouw zich nu in allerlei bochten wringt om de contacten tussen de man en [minderjarige] tegen te houden.
De man stelt dat hij pas vorig jaar ervan op de hoogte is geraakt dat hij de verwekker van [minderjarige] is. De man had voormeld verzoek dus niet eerder kunnen indienen. Nu de vrouw hem hiervan op de hoogte heeft gesteld, wist zij dus kennelijk al dat de man de verwekker van [minderjarige] is. De man is dan ook van oordeel dat de vrouw, met het oog op de belangen van [minderjarige] en de man, niet in alle redelijkheid tot het verlenen van toestemming aan de juridische vader tot erkenning van [minderjarige] had kunnen komen, waardoor de man met toepassing van de “minder strikte maatstaf” ontvankelijk moet worden geacht in zijn verzoek tot vernietiging erkenning. Voor zover de rechtbank oordeelt dat de man eerder had moeten overgaan tot het indienen van voormeld verzoek tot vernietiging erkenning, stelt de man zich op het standpunt dat de vrouw enkel met het oogmerk om de man in zijn belangen te schaden, toestemming heeft verleend aan de juridische vader voor erkenning van [minderjarige] en dat de vrouw misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid, waardoor de man op grond van de “strikte maatstaf” moet worden ontvangen in zijn verzoek.
Het standpunt van de vrouw
De vrouw voert verweer tegen de verzoeken van de man en verzoekt primair om de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken, dan wel deze verzoeken af te wijzen. Subsidiair verzoekt de vrouw om de beslissing op de voorliggende verzoeken aan te houden in afwachting van een onderzoek door de Raad. Namens en door de vrouw is daartoe, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd.
De vrouw stelt dat de man haar eind 2017 heeft benaderd via Facebook en dat hun relatie altijd puur vriendschappelijk is geweest, maar dat de man geobsedeerd is door haar en dat hij altijd graag een relatie met haar heeft willen hebben. De vrouw had op dat moment echter al een relatie met de juridische vader. Deze relatie heeft voortgeduurd tot 2024. De vrouw stelt daarnaast dat zij in het verleden weliswaar met wederzijds goedvinden seksueel contact heeft gehad met de man, maar dat de man eind 2019/begin 2020 middenin de nacht onaangekondigd bij haar thuis langs is gekomen en dat zij toen door hem is verkracht. In de periode daarna bleek de vrouw zwanger te zijn. Omdat de vrouw op dat moment samen met de juridische vader een kinderwens had en zij de bedoeling hadden om samen een gezin te stichten, ging de vrouw er op dat moment vanuit dat de juridische vader de verwekker van [minderjarige] is. De vrouw is daarbij uitgegaan van de berekeningen die met betrekking tot de datum van conceptie zijn gemaakt door de gynaecoloog. Op 15 juli 2020 heeft de juridische vader [minderjarige] , die op dat moment nog niet geboren was, met toestemming van de vrouw erkend. Ook al is de relatie tussen de vrouw en de juridische vader inmiddels verbroken, de juridische vader vervult nog steeds de vaderrol in het leven van [minderjarige] . De vrouw en de juridische vader zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] en hebben de zorg- en opvoedingstaken over haar sinds kort verdeeld op basis van co-ouderschap.
De vrouw heeft tijdens het gesprek met de bijzondere curator haar zorgen en twijfels geuit over de betrouwbaarheid van de DNA-test die is verricht. De man en de vrouw zijn namelijk voor de goedkoopste aanbieder gegaan. Het bedrijf dat de test heeft verricht heeft slechte recensies en hoewel de wattenstaafjes die zijn gebruikt minimaal een half uur moesten drogen, heeft de vrouw dit niet in de gaten gehouden. Ook zijn de gebruikte wattenstaafjes mogelijk met elkaar in contact gekomen, waardoor een besmetting van DNA-materiaal niet kan worden uitgesloten. Echter, de vrouw heeft niet de praktische en financiële mogelijkheden om een DNA-test te laten verrichten bij Verilabs. Ook wil zij niet dat [minderjarige] opnieuw geprikt wordt. De vrouw neemt de DNA-uitslag daarom nu voor waarheid aan. De vrouw erkent dan ook dat de man de verwekker van [minderjarige] is.
Op [geboortedag 2] 2020 is [minderjarige] , die toen nog niet geboren was, erkend door de juridische vader. De vrouw stelt dat zij op dat moment volledig ervan overtuigd was dat de juridische vader de verwekker van [minderjarige] is. De vrouw stelt zich daarom op het standpunt dat de man niet-ontvankelijk is in zijn verzoek tot vernietiging erkenning. Dat er jaren later twijfels zijn ontstaan over wie de verwekker van [minderjarige] is, is voor de ontvankelijkheidsvraag niet van belang omdat de peildatum de datum van erkenning is.
Het standpunt van de juridische vader
De juridische vader heeft, samengevat, het volgende aangegeven. De juridische vader vindt in de eerste plaats voor [minderjarige] , maar ook voor zichzelf, dat onomstotelijk vast moet staan wie de verwekker van [minderjarige] is. Nu hierover in het verleden door de vrouw twijfels zijn geuit, heeft de juridische vader ook zijn twijfels of de man wel de verwekker van [minderjarige] is. De juridische vader verzoekt daarom om een DNA-onderzoek te gelasten, uitgevoerd door Verilabs. Aangezien alle partijen behoefte hebben aan duidelijkheid over het verwekkerschap van [minderjarige] , vindt de juridische vader dat de kosten hiervan tussen hen dienen te worden verdeeld.
De juridische vader is, net als de vrouw, van mening dat de man niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn verzoek tot vernietiging erkenning, omdat de vrouw vanuit de veronderstelling dat de juridische vader de verwekker van [minderjarige] is, toestemming aan hem heeft verleend voor de erkenning van [minderjarige] . De erkenning is destijds dan ook te goeder trouw gedaan.
Het standpunt van de bijzondere curator
De bijzondere curator heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. De bijzondere curator stelt vast dat er onduidelijkheid bestaat of er sprake is geweest van een relatie tussen de man en de vrouw, of er sprake is geweest van verkrachting van de vrouw door de man, over wie de verwekker van [minderjarige] is en over de betrouwbaarheid van de DNA-testuitslag. Hoewel de bijzondere curator vooralsnog uitgaat van de juistheid van de testuitslag, is zij het eens met de Raad dat onomstotelijk vast moet staan wie de verwekker van [minderjarige] is. Duidelijk is wel dat de vrouw en de juridische vader jarenlang een relatie met elkaar hebben gehad en dat zij de bedoeling hadden om samen een gezin te stichten. De bijzondere curator vindt dan ook dat niet gebleken is dat de vrouw met verkeerde intenties toestemming heeft gegeven aan de juridische vader om [minderjarige] te erkennen.
De bijzondere curator is, gezien alle onduidelijkheid en zorgen die er zijn en het belang dat er op een goede manier zal worden ingezet op statusvoorlichting van [minderjarige] over haar ontstaansgeschiedenis en identiteit, van mening dat een raadsonderzoek wenselijk is. De bijzondere curator heeft in haar rapport aangegeven, en tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd herhaald, dat zij (vooralsnog) niet overgaat tot het indienen van een zelfstandig verzoek namens [minderjarige] tot vernietiging van de erkenning door de juridische vader van [minderjarige] .
Het advies van de Raad
De Raad heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. Ondanks dat de vrouw nu het standpunt inneemt dat de man de verwekker van [minderjarige] is, heeft zij onder meer tijdens het gesprek met de bijzondere curator haar twijfels geuit over wie de verwekker van [minderjarige] is en over de wijze waarop de DNA-test is verricht. Als er eenmaal twijfels zijn geuit, zijn deze moeilijk weer weg te nemen. Het is dan ook niet uit te sluiten dat de twijfels over wie de verwekker van [minderjarige] is in de toekomst opnieuw naar voren komen en dat [minderjarige] daarmee wordt geconfronteerd, met als gevolg dat haar leven op kop wordt gezet. Hoewel de Raad de praktische en financiële bezwaren van de vrouw daartegen begrijpt, adviseert de Raad, in het belang van [minderjarige] , om een DNA-onderzoek te gelasten bij Verilabs. Dit om alle twijfels over wie de verwekker van [minderjarige] is, weg te nemen. De Raad sluit zich tot slot aan bij de standpunten van de vrouw, de juridische vader en de bijzondere curator met betrekking tot de niet-ontvankelijkheid van de man in zijn verzoek tot vernietiging erkenning.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de mondelinge behandeling is besproken, overweegt de rechtbank als volgt.
De rechtbank zal zich hierna eerst uitlaten over het verzoek vernietiging erkenning, omdat de beslissing op dat verzoek het uitgangspunt vormt voor de beslissingen op de overige verzoeken van de man.
Juridisch kader
In artikel 1:205, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat, dat een verzoek tot vernietiging van de erkenning, op de grond dat de erkenner niet de biologische vader van het kind is, bij de rechtbank kan worden ingediend:
door het kind zelf, tenzij de erkenning tijdens zijn meerderjarigheid heeft plaatsgevonden;
door de erkenner, indien hij door bedreiging, dwaling, bedrog of, tijdens zijn minderjarigheid, door misbruik van omstandigheden daartoe is bewogen;
door de moeder, indien zij door bedreiging, dwaling, bedrog, of tijdens haar minderjarigheid, door misbruik van omstandigheden bewogen is toestemming tot de erkenning te geven.
In het tweede lid van dit artikel staat, dat daarnaast het openbaar ministerie, wegens strijd met de Nederlandse openbare orde, vernietiging van de erkenning kan verzoeken indien de erkenner niet de biologische vader van het kind is.
De rechtbank ziet zich, met het oog op voormeld wettelijk kader, alvorens het verzoek tot vernietiging erkenning inhoudelijk te kunnen beoordelen, allereerst voor de vraag gesteld of de man de verwekker van [minderjarige] is en zo ja, of hij dan als verwekker een verzoek tot vernietiging van erkenning kan indienen.
Vaststelling of de man de verwekker van [minderjarige] is. Gelasten DNA-onderzoek
De rechtbank overweegt, gezien de overgelegde stukken en wat er tijdens de mondelinge behandeling is besproken, dat er twijfels zijn of de man de verwekker van [minderjarige] is. Hoewel de man en de vrouw in onderling overleg een DNA-test hebben laten verrichten met DNA-materiaal van de man en van [minderjarige] en uit deze test naar voren is gekomen dat de man met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid (99,9999%) de biologische vader van [minderjarige] is, heeft de vrouw nadien haar twijfels geuit over de betrouwbaarheid van voormelde test(uitslag). Ook heeft de juridische vader zijn twijfels geuit over wie de verwekker van [minderjarige] is. Hoewel de vrouw inmiddels daarvan is teruggekomen en zij tijdens de zitting heeft verklaard dat zij erkent dat de man de verwekker van [minderjarige] is, is de rechtbank, net als de Raad, van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is dat onomstotelijk vaststaat wie haar verwekker is. Nu er eenmaal twijfels zijn geuit over wie de verwekker van [minderjarige] is, valt niet uit te sluiten dat deze twijfels in de toekomst opnieuw naar voren zullen komen en dat [minderjarige] daarmee wordt geconfronteerd. De rechtbank vindt het daarom noodzakelijk dat er alsnog een DNA-onderzoek wordt verricht door een betrouwbaar instituut als Verilabs, zodat alle twijfels (nu en in de toekomst) voor altijd worden weggenomen. Gelet hierop zal de rechtbank een DNA-onderzoek gelasten dat is gericht op het verschaffen van duidelijkheid over het verwekkerschap van de man van [minderjarige] .
De rechtbank zal Verilabs B.V. te Gouda benoemen als deskundige om dit DNA-onderzoek te verrichten. De man en de vrouw moeten voor het maken van een afspraak voor dit onderzoek zelf telefonisch contact opnemen met deze deskundige. Hiervoor moeten zij, binnen één maand na de datum van deze beschikking, telefonisch contact opnemen via het telefoonnummer 085-105 1415.
De kosten van het DNA-onderzoek worden voorlopig geschat op 755,= (inclusief BTW). Op grond van artikel 195 Rv dient de verzoekende partij de kosten van een deskundigenonderzoek in beginsel voorlopig voor zijn rekening te nemen en kan het bedrag waarop de deskundige aanspraak heeft, enkel voorlopig ten laste van ’s Rijks kas worden gebracht indien aan verzoeker een toevoeging is verleend, of hij als onvermogend moet worden beschouwd. Nu in deze procedure aan de vrouw een toevoeging is verleend, zal het voorschot voor het deskundigenonderzoek voorlopig ten laste van ’s-Rijks kas worden gebracht. De definitieve kosten van voormeld DNA-onderzoek en de verdeling van die kosten tussen partijen, zal de rechtbank op een later moment vaststellen, mede aan de hand van de uitkomst van het DNA-onderzoek en de medewerking van partijen met voormeld onderzoek.
De rechtbank benadrukt dat partijen op grond van het bepaalde in artikel 198, derde lid Rv verplicht zijn om mee te werken aan het deskundigenonderzoek.
De beslissing over de betaling van de definitieve kosten van voormeld DNA-onderzoek, zal de rechtbank daarom pro forma aanhouden tot hierna te noemen datum, in afwachting van het onderzoeksrapport van Verilabs. Daarna zullen partijen, via hun advocaten, in de gelegenheid worden gesteld om hun mening over de betaling van de kosten te geven.
Verzoek ingediend door de man als verwekker
Als uit voormeld DNA-onderzoek blijkt dat de man niet de verwekker van [minderjarige] is, dan dient de man niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn verzoek. Voor zover de man wel de verwekker van [minderjarige] is, dient de rechtbank te beoordelen of hij behoort tot de groep personen die een dergelijk verzoek bij de rechtbank kan indienen. De rechtbank overweegt in dat verband als volgt.
De rechtbank stelt voorop dat de biologische vader als verwekker niet behoort tot de in artikel 1:205 BW gegeven limitatieve opsomming van personen die een verzoek tot vernietiging van de erkenning kunnen doen. In bepaalde omstandigheden kan aan hem de mogelijkheid worden verleend om toch om vernietiging van de erkenning te verzoeken. In de jurisprudentie (zie onder meer HR 12 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ7386) zijn daarover twee maatstaven ontwikkeld, te weten: de “strikte maatstaf” en de “minder strikte maatstaf”:
“strikte maatstaf”: dit gaat over het geval waarin de verwekker om vervangende toestemming heeft kunnen verzoeken, maar dit heeft nagelaten. In dit geval kan de verwekker met een beroep op misbruik van bevoegdheid de met toestemming van de moeder gedane erkenning van de minderjarige door een ander aantasten, indien deze toestemming is gegeven met alleen het oogmerk de belangen van de verwekker te schaden;
“minder strikte maatstaf”: dit gaat over het geval waarin de verwekker niet of niet tijdig om vervangende toestemming heeft kunnen vragen. In dit geval moet de maatstaf worden gehanteerd of de moeder, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen de belangen van de verwekker bij erkenning en de daartegenover staande belangen van de moeder, telkens in verband met de belangen van het kind, in redelijkheid tot het verlenen van toestemming aan de andere man heeft kunnen komen.
Voor de beoordeling of de man zich op de strikte dan wel de minder strikte maatstaf kan beroepen, is allereerst de datum van de erkenning door de juridische vader van [minderjarige] van belang. De rechtbank stelt vast dat [minderjarige] reeds voor haar geboorte door de juridische vader is erkend op 15 juli 2020. De vrouw heeft de man voorafgaand aan de erkenning door de juridische vader daarvan niet op de hoogte gesteld. Dit heeft tot gevolg gehad dat de man niet of niet tijdig om vervangende toestemming heeft kunnen vragen, zodat naar het oordeel van de rechtbank aan de hand van de “minder strikte maatstaf” moet worden beoordeeld of de erkenning door de juridische vader van [minderjarige] , door de man kan worden aangetast.
De rechtbank overweegt, op grond van de overgelegde stukken en wat er tijdens de mondelinge behandeling is besproken, dat de vrouw en de juridische vader op het moment van de erkenning door de juridische vader van [minderjarige] op 15 juli 2020 al enige tijd een relatie met elkaar hadden en dat zij op dat moment de bedoeling hadden om samen een gezin te stichten. Daarnaast staat vast dat de relatie tussen de vrouw en de man op voormeld tijdstip gespannen was vanwege de beschuldigingen van de vrouw van verkrachting door de man. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de vrouw, mede gelet op de belangen van de minderjarige, in redelijkheid tot het verlenen van toestemming voor de erkenning van [minderjarige] door de juridische vader heeft kunnen komen. Dat de vrouw in de jaren daarna, naar mate [minderjarige] ouder werd en zij steeds meer op de man is gaan lijken, twijfels heeft gekregen of niet de juridische vader maar de man de verwekker van [minderjarige] is, doet hier niet aan af. Het moment van erkenning is immers van belang bij de beoordeling van de vraag of de man een verzoek tot vernietiging erkenning bij de rechtbank kan indienen.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de man niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek tot vernietiging erkenning.
Beoordeling overige verzoeken
Nu de rechtbank de man niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn verzoek tot vernietiging erkenning en de familierechtelijke band tussen de juridische vader en [minderjarige] dus in stand blijft, zal de rechtbank de man eveneens niet-ontvankelijk verklaren in zijn overige verzoeken. Nu er derhalve geen verzoeken meer aan de rechtbank voorliggen, kan de rechtbank niet overgaan tot het gelasten van een raadsonderzoek, zoals de bijzondere curator heeft geadviseerd.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
3. De beslissing
De rechtbank:
verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoeken;
gelast een DNA-onderzoek met betrekking tot de vraag of de heer [de man] , geboren op [geboortedag 3] 1993 in [geboorteplaats 2] de biologische vader is van de minderjarige [minderjarige] , geboren in [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2020;
benoemt Verilabs Nederland B.V. te [adres] , als deskundige ter beantwoording van voormelde vraag;
bepaalt dat de griffier een afschrift van deze beschikking aan de deskundige zal toezenden;
bepaalt dat de deskundige haar werkzaamheden zal aanvangen en, voor zover mogelijk, binnen drie maanden schriftelijk aan de rechtbank zal rapporteren;
bepaalt dat de kosten van dit deskundigenonderzoek en -rapport, vooralsnog begroot op een totaalbedrag van € 755,= (inclusief BTW), in afwachting van een definitieve beslissing over de betaling en verdeling van deze kosten, vooralsnog ten laste komen van 's-Rijks kas;
houdt de beslissing over de definitieve kosten van het DNA-onderzoek aan in afwachting van het deskundigenrapport, tot dinsdag 24 februari 2026 PRO FORMA, met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen;
behoudt zich iedere (verdere) beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 november 2025 door mr. Van Triest, (kinder)rechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.